22-02-13

Ondergronds Brussel tussen het Centraal Station en de Koloniënstraat

Als je in de lokettenzaal van het Brussels Centraal Station kiest voor uitgang Kantersteen, beland je in een lange onderaardse gang die naar de metro leidt en een bovengrondse uitgang heeft aan de Koloniënstraat. Vroeger stonk die gang naar urine. Vandaag verstoppen hardboard-platen met grote reclameaffiches van Beliris langs één zijmuur de lopende renovatiewerken. Zeker de pendelaars die ’s ochtends vroeg hun overvolle warme trein uitstappen, krijgen indien ze dat wensen nog eventjes, al is dat een relatief begrip in spooromgevingen, de kans om de ontwakende onderkant van een grootstad in ogenschouw te nemen, met echte bedelaars, straatmuzikanten, daklozen en landlopers.

De meeste pendelaars die in de vroegte de machteloze grootstad  binnenstromen en in de avondspits opnieuw ontvluchten houden slechts vanuit een ooghoek bij hun gezwinde onderaardse op- en afmars het leven in de gang in de gaten.  Natuurlijk kijken ze altijd uit naar die Brusselse zalmen die tegen de stroom in zwemmen, slalommend, zoals mensen soms snelsnel nog een trein willen halen die wellicht toch vertraging heeft. Forenzen haasten zich om de haven van hun bureau te bereiken. Een oponthoud als een uitgestoken kartonnen bekertje of de omgekeerde hoed van een aan lager wal geraakte muzikant past niet in hun strakke tijdschema.  Ze zijn voortdurend bedacht voor een storende struikeling,  over een paar onderuit gezakte benen van een tegen de muur geleunde loser, over wat slordig door de fluogroene straatvegers bijeen gekeerd afval,  over smerige daklozen die onder vettige dekens hun roes uitslapen. 

Spijtig. Wie het leven in de gang met wat meer interesse gadeslaat, kan vaststellen dat het vrij goed georganiseerd en gestructureerd verloopt,  een beetje zoals de meeste zaken waar de natuurlijke ordening de kans krijgt zich te zetten zonder inmenging van overheden of ambtenaren.

Het eerste dat opvalt, is dat de gangbewoners vaste plaatsen innemen.  Ze gedragen zich wars van gêne voor de voorbijgangers die hen geen blik waard achten, wars van belangstelling voor een menselijke ondersoort. Als een voorkomende ambassadeur groet aan de ingang een vroegoude man van op zo’n stoel waarop ik als kind in de klas zat de dagelijkse gasten van Brussel. ‘Bonjour!’ klinkt het opgewekt uit zijn door tandenloosheid supermobiele mond, maar alleen voor de passanten die zijn oogcontact niet uit hun blikveld sluiten.  Soms houdt naast hem een zwarte de wacht met een oranje hartjesvormige zonnebril op en het rastakapsel verborgen onder een grote grijze muts.

Verder ligt een vijftal landlopers op een kluitje. De eerste, een langslaper of een slechte opstaander, ligt nog onder een deken met een luipaarddessin.  Soms slapen ook anderen langer, zoals de vettige haardos die onder het smoezelige oranje deken uitsteekt. Drie andere mannen met baarden zitten rustig wakker te worden rond een halfliterblik bier van een Duits merk. Ik wed dat het ook in mijn eigen Aldi wordt verkocht.  Een van hen steekt de half opgerookte peuk van een zelf gerolde sigaret tussen zijn lippen. Hij vraagt een van zijn kompanen vuur. Hun dekens en slaapzakken liggen nog op een hoop. De grillpan met een tefallaag waarin wat kopergeld blinkt is een vreemd lichaam buiten de kring van waaruit ze de pendelaars onverschillig aankijken. Wie kijkt neer op wie?  

Enkele meters dieper in de gang ligt nog een slaper, eenzaam in zijn khaki slaapzak. Ik vermoed dat hij geen habitué is. Naast hem staat recht als een soldaat een keurig donkerblauw reiskoffertje dat  zonder twijfel binnen de afmetingen past die Ryanair eist voor handbagage.  Een toerist?

In een zijgang rechts vertelt een straatveger een mop aan een landloper die zijn hebben en houden in een winkelkarretje heeft verzameld. Na die zijgang slaat een andere haveloze een praatje met twee honden op een deken. Ze houden zich even koest als de twee dwergkonijnen ernaast.

Vanaf dan schettert muziek. Vervelend schelle zigeunermuziek van een accordeon betokkeld door een mistroostige muzikant. Hij staat er elke dag. Als er naast hem een andere straatmuzikant op een viool fiedelt, is de accordeonist al wat opgewekter. Maar pas als hij begeleid is door zijn orkest van een viool, twee klarinetten, een djembe en een bas, lees je op z’n gezicht de glunderende verwachting. Het wordt een goede dag! De laatste dakloze vijf meter hoger in zijn slaapzak, doet koppig alsof hij door het lawaai heen slaapt. 

Na de marteling voor de oren geuren de croissants. De lichte vloer gaat nu over in antracietgrijze tegels die klimmen naar een ruime ondergrondse hal. Vandaar kan je de metro nemen, geld pinnen op één van de vier belfius-automaten in het gelid, een broodje kopen bij de Breakpoint of sigaretten en de Humo in de Relay. Of je kunt de trappen op naar de Koloniënstraat, het daglicht en de verse Brusselse lucht in.

Buiten, boven de mensen onder de grond tussen het Centraal Station en de Koloniënstraat, denk ik aan het prachtige lied This Depression. Ik heb het ontdekt op Wrecking Ball, de jongste cd van Bruce Springsteen. Die heb ik zonder verpinken gekocht van zodra ik hoorde dat The Boss naar TW Classic komt.  Wat er ook gebeurt, welke zotte kosten ik ook moet doen, ik ben vast besloten de warme magie van Springsteen nog eens te ondergaan. En dan kan ik maar beter zijn nieuwe nummers kennen.  

This is my confession, I need your heart in this depression, I need your heart, sleept Springsteen je mee. De beelden van de onderaardse gang zouden de perfecte clip voor het lied vormen. Ik besef, mijn hart kunnen jullie misschien krijgen, gedurende de tijd om die gang door te steken, maar niet mijn aalmoes, oh nee, daar begin ik niet mee, want waar stopt het dan? Ik denk soms als een echte pendelaar.

17-02-13

Drie bananen voor Gusta

Gusta slaat haar hand voor haar mond van het verschieten en alsof ze zich schaamt kijkt ze vertwijfeld weg in de enige richting waar dat mogelijk is, door haar enige raam met uitzicht op de tuin voor twee meter verder een hoge dikke haag het zicht belemmert en ze roept ‘oeioeioei oeioeioei’. Ze wrijft een traan weg, kijkt mijn dochters en mezelf aan en vraagt dan: ‘hoe hedde gelle mij gevonde?’

Met wat hulp, anders was het niet gelukt natuurlijk. Eerst was er de zus van Gusta die me toen ik voorbij fietste van achter haar raam teken deed om te stoppen en naar de deur te komen. Zij had voor ons een doodsbrief van Ward, die inmiddels was gecremeerd in intieme kring, zoals men dat omschrijft alsof het een knusse bedoening is. En ze wist te vertellen dat Gusta niet meer kan lopen na haar operatie en dat de familie een rusthuis voor haar aan het zoeken was.

Enkele dagen later zagen we hoe de zoon en kleinzoon van Gusta het huisje aan het leegmaken waren. Mijn dochter vroeg hen hoe het met Gusta was en ze kreeg van de kleinzoon haar nieuw adres. ‘Het zal Gusta plezier doen je nog eens te zien’, zei hij. In het weekend trokken we dus met z’n drieën naar het woon- en zorgcentrum, een half uur rijden, wat een goede oefening was voor de oudste die leert autorijden.

Het was jaren geleden dat ik nog in een rusthuis was geweest, op bezoek bij mijn oma die op het laatste van haar leven niemand van ons nog herkende.  Meteen prees ik haar nog eens gelukkig dat ze uiteindelijk maar een beperkte tijd in zo’n sterfhuis is opgevangen moeten worden.

Het woon- en zorgcentrum van Gusta zag er gloednieuw uit, comfortabel, modern, vriendelijk zelfs. Het vroor dat het kraakte buiten, maar binnen was het zo warm dat ik er in t-shirt had willen lopen moest ik er eentje aan hebben gehad. Een dame met een witte schort stuurde ons een lange gang van eendere kamertjes door, de meeste met de deuren open. In sommige van die kamertjes zaten ouden van dagen te suffen, naar hun tv te staren of een dutje te doen tussen oude meubeltjes en foto’s die in zo’n modern woon- en zorgcentrum uit de toon vallen.

Gusta woonde op het einde van de gang. Haar kamertje zag er vrij leeg uit. Aan de wand boven het ledikant tikt een oude klok met behulp van een secondewijzer de tijd die haar rest minuut per minuut weg. Mijn dochters herkennen een oud houten kastje met een lade dat is meegekomen uit het kleine huisje dat ze met Ward deelde. Er staan enkele postuurtjes op en een fruitschaal met een banaan in. Tegen het raam zit Gusta in een rolstoel. Ze heeft een dikke medische kraag rond haar vogelnekje maar haar witte haar zit keurig vastgespeld. 

‘Ward is dood hé’, zegt ze als ze van de verrassing is bekomen. Ze heeft haar ogen wijd open . ‘Man, man, wat ze mij hebben aangedaan. Ze hebben mij alles afgepakt. Ik heb geen euro, geen twintig centiem meer. Ik heb mijn huis niet meer gezien, ik ben het kwijt, waar zijn al mijn spullen, waar is mijn pensioen, alles is weg, zelfs mijn boekske met telefoonnummers.’ En dan, samenzweerderig tegen mijn oudste, zoals ze vroeger met Ward in haar huisje ook kon doen: ‘Geeft uwen telefoon is, hebt ge een papierke om het nummer op te schrijve? Hebt ge nen bic?’ Zelfs een papiertje en een bic heeft ze niet meer. ‘Ja maar’, wappert ze met haar hand verontschuldigend naar mij, ‘ge wilt da nie meemake zelle.’ En dan ferm, ‘As ge ma wet da ik hie nie blijf. Ik blijf hie nie. Da is zeker.’

Ik denk aan De 100-jarige man die uit het raam klom en verdween, het van levenslust sprankelende en hilarische boek van de Zweed Jonas Jonasson dat ik pas heb gelezen. Ik betwijfel of Gusta zo’n exploot in dit moderne woon- en zorgcentrum voor elkaar zou krijgen. Wellicht kunnen de ramen hier niet eens open. En ze zit in een rolstoel, niet echt een verbetering van haar mobiliteit. Daarmee moet ze om te beginnen door de toegangsdeur geraken.  Om die deur van binnen uit te openen, moet je opeenvolgende handelingen uitvoeren, inclusief een omgekeerde cijfercode invoeren, die bedacht zijn om aspirant-weglopers als Gusta het ontsnappen extra moeilijk te maken.

We rijden Gusta naar de cafetaria om een kopje koffie te drinken. Gusta wil naar de tafel gereden worden waaraan al een ander besje eenzaam in haar rolstoel zit. Het oudje is een praatvaar. Ze vertelt dat ze in het woon-en zorgcentrum is terechtgekomen na een klonter in haar hersenen die haar half heeft verlamd. ‘Gusta en ik komen goed overeen’, verzekert ze. 

Gusta vraagt of ik mijn koekje niet moet hebben. ‘Oh, neem maar’, antwoord ik. Ze eet alle koekjes op. Er komt een man met drie bananen de cafetaria binnen. Hij kijkt rond en stevent op ons af. Mijn dochter kent hem, het is de kleinzoon. ‘Ik had beloofd je wat bananen te brengen’, zegt hij, terwijl hij ons alleen gedag toeknikt. Voor we er erg in hebben, is hij terug weg. Gusta vertelt dat ze zo’n zin had in bananen. Ineens voelt ze zich niet meer op haar gemak. Ze wil terug naar haar kamer. Haar koffie is nog maar half op. Maar misschien geneert ze zich voor de moeite die het kost om het kopje zonder morsen naar haar mond te brengen.

Als we weer op het kleine kale kamertje zitten, fluistert ze dat ze dacht dat haar kleinzoon haar kamer aan het doorzoeken was. Of erger nog, dat hij ons nu op de gang staat af te luisteren. Wie weet, heeft hij zich wel in de badkamer verstopt. Ik trek de deur open. ‘Niemand hoor’, zeg ik. ‘Ja maar’, zucht Gusta, ‘ge kunt niemand nog vertrouwen als ze u dat lappen.’ En zonder overgang bezweert ze mijn dochters: ‘Niet zelf naar mij bellen, want ze luisteren hier alles af.’

Op de fruitschaal liggen nu vier bananen. ‘Uw kleinzoon is speciaal langs gekomen met de bananen, dat is toch lief’, zeg ik. ‘Ja maar, deze middag was het al banaan als dessert’, werpt ze tegen.

Tja, moesten ze mij zoiets lappen, dan zou ik het ook moeilijk hebben nog het moois en goeds rond me te zien. Geen enkele man of vrouw die bij zijn verstand is, vindt het aangenaam als anderen zonder zijn of haar medeweten, zonder overleg, zonder inspraak beslissingen nemen over belangrijke zaken in zijn of haar persoonlijk leven. Geen wonder dat er tegenwoordig boeken verschijnen over honderdjarigen die uit het raam van hun woon- en zorgcentrum klimmen en verdwijnen. Ik vraag me af hoeveel van onze zo onmenselijk warm gepamperde rusthuisbewoners dat voorbeeld wel zouden willen volgen, moesten ze het kunnen.

12-10-12

Mia en andere weldaden van het feminisme

In Boortmeerbeek stappen ’s ochtends vier dames op de drukke piekuurtrein die van Leuven over Mechelen naar Brussel rijdt. Af en toe zijn ze met vijf, ze werken immers niet allemaal voltijds, of toch niet volgens hetzelfde uurschema. En al wisselt de samenstelling van het kwartet daardoor al eens, ze proberen elke keer bij elkaar te zitten. Ten laatste in het station van Mechelen, waar veel reizigers afstappen vooraleer er nieuwe opstappen, lukt de gezellige vereniging. Soms help ik hen door een plaatsje op te schuiven of zo.

Ze hebben elkaar altijd veel te vertellen. Af en toe vang ik wat op. Zo kom ik aan de weet dat een van hen een weekendje is gaan shoppen in Londen, het bewijs trots aan de voeten. Of ik verneem dat er op het werk van een andere een nieuwe collega is aangeworven, waarmee het lastig opschieten is. Ik leef mee met de jonge moeder, die in paniek schiet als iemand vertelt dat het kleuterschooltje in het dorp bijna vol zit en ze zich realiseert dat het tegenwoordig nodig is om je kind tijdig in te schrijven.

Merkwaardig hoe je op grond van niet meer dan een sporadische, zij het herhaalde blootstelling aan mensen op een trein toch diep kan doordringen in hun levens. En in hun karakters. Want het vrouwenclubje van Boortmeerbeek is diverser dan je zou denken. Het rimpeligste lid heeft een aardige wipneus en een eeuwige glimlach. Ze is altijd rustig, praat stil en luistert met grote empathie. Dan flikkeren haar ogen gretig. Ze roepen de herinnering op aan een aantrekkingskracht die voor praatvaren van mannen vroeger moeilijk te weerstaan moet zijn geweest.

De melkmuil is juf in een Nederlandstalige school in Brussel. Ze draagt haar platinablond haar, dat wegens tijdgebrek ’s morgens geen borstel lijkt te hebben gevoeld, met een eenvoudig elastiekje in een paardenstaart. Ze heeft meestal een nauwsluitende jeansbroek en een blauwe regenjas aan. Ze flipflopt de ene vrolijke anekdote na de andere en lacht schattige kuiltjes in haar wangen.

De derde is ook nog jong en wisselt paardenstaarten af met het haar los. Zij is introverter, een beetje meer het dromerige type dan de spring in ’t veld, met haar donkere melancholische ogen en de iets te forse benen om met succes aan missverkiezingen te kunnen deelnemen.

De vierde is wat molliger geworden met het rijpen naar de middelbare leeftijd. Zij straalt het zelfvertrouwen uit van een vriendelijke directiesecretaresse die er haar hand niet voor omdraait om gendarm te spelen als ze de baas of bazin voor beuzelarijen meent te moeten behoeden. Het is meestal zij die eerst opstapt en bepaalt waar het gezelschap zo dicht mogelijk in elkaars buurt neerstrijkt.

De laatste is ook jonger dan ikzelf. Ze compenseert haar door een dik omlijste rechthoekige bril nog geaccentueerde strenge uiterlijk met frivole laarsjes en stijlvolle mantelpakjes. Ook aan de flair waarmee ze parmantig met haar neus een tikje teveel in de lucht over het perron loopt, zie ik bij haar de ambitie branden van het creatieve en commerciële talent dat dringend hogerop moet.

Het gekwebbel van dit zelfbewuste vrouwelijke treingezelschap stemt me goedgezind, zelfs als ik me stil, met mijn hoofdtelefoon op om door de koffieklets zonder koffie niet afgeleid te worden, blijf verdiepen in de romans die ik tijdens mijn gependel verslind. De weldaden van het feminisme geven ook mannen veel vreugde, besef ik. Dertig jaar geleden telde de vroege piekuurtrein veel minder vrouwvolk.

De eerste vrouw van het gezelschap stapt af in Vilvoorde. En daar doet zich een wijziging in de tableau vivant voor. Er schuift schuchter een muisje van een vrouwtje de wagon in die haar plaats inneemt. De nieuwkomer begroet steevast uitgebreid, overvriendelijk en eerst de vrouw die ik als “directiesecretaresse” heb getypeerd. In het Frans. En dat is het sein waarmee de taal van de gesprekken die voor alle oren in de club zijn bestemd, verandert. Tot het einde van de reis, in Brussel-Noord, waar er nog twee (of drie) afstappen, en uiteindelijk tot Brussel-Centraal, waar de nieuwkomer alleen overblijft met de juf en haar hobbelige kennis van het Frans.

En daarom denk ik aan Mia. De zelfbewuste en feministische grande dame die ik jaren geleden als journalist bij De Standaard heb leren kennen. Niemand zal de kosmopolitische barones, als redactrice en buitenlands correspondente begiftigd met een uitmuntende gave voor het gesproken, geschreven en getoonzet woord en experte op zowat elk internationaal en nationaal terrein dat ze betrad, vandaag nog van N-VA-sympathieën verdenken, wellicht eerder het tegendeel.

Mia Doornaert is fier op haar moedertaal die ze met grote liefde spreekt. Ik zag haar vorige week nog aan het werk in Terzake, waar ze Kathleen Cools terechtwees omdat ze Vlaams verwarde met Nederlands. Mia staat erop Nederlands te spreken in Brussel, vindt het maar logisch dat nieuwkomers in Vlaanderen Nederlands leren en is diep doordrongen van het besef dat de Vlamingen van de Franstaligen in België pas respect voor hun taal zullen krijgen als ze dit ook afdwingen.

Waarom niet beginnen op de trein, dames?

19-04-12

DS maakt mijn dag

De Standaard heeft vandaag mijn dag weer eens een heerlijke start gegeven. Een greep uit de krant. Om te beginnen het Moment!  van Bart Dobbelaere, dat ik al niet vaak oversla maar me vandaag als erg herkenbaar treft omdat ik ook tot de kwijnende groep jongens hoor die nog man werden in het leger. Verderop schrijft Veerle Beel opnieuw een schitterende aflevering van Tussen twee huizen, haar reeks over kinderen van gescheiden ouders.  Hoe ze zich inleeft in het wereldje van de 9-jarige Vic, voor wie ‘het niet zo tof is’, mooi om lezen.

Op de opiniepagina’s een gelid van ijzersterke columnisten. Twee van hen hebben het over de stad waar ik werk, waar ik me vaak erger maar waarvan ik hou: Brussel. Luckas Van der Taelen vertelt hoe een Waalse televisiemaker allerlei drek over zich krijgt, vooral van PS-kopstuk Philippe Moureaux en ULB-docent Souhail Chichah, omdat hij een islamofobe reportage zou hebben gemaakt. De ULB-docent bestond het op te roepen tot een betoging van antiracisten voor de poorten van de RTBf. Hij richtte een facebookgroep op, met de naam van de journalist en de toevoeging Légion Wallonne, waarin hij de journalist ‘de zoon van Degrelle’ noemt en hem afbeeldt als Hitler.

Het doet me denken aan het ontslag van die chirurg van het Universitair Ziekenhuis in Brussel, omdat hij in een woedende uitval een joodse assistent neonazistische beledigingen naar het hoofd slingerde. De VUB vond dat dit niet strookte met haar kernwaarden. Ik ben eens benieuwd of de ULB in de strapatsen van haar docent ook een probleem zal zien met diezelfde kernwaarden. 

Wat verder geeft Béatrice Delvaux  ook commentaar op de zaak, in een column met de zware titel Brussel, sociale bom. Mijn respect voor de gewezen hoofdredacteur van Le Soir neemt toe, omdat ze de problemen in Brussel van langsom minder wegmoffelt en er oprecht bewogen over schrijft. Zoals vandaag:  ‘Helaas zijn Franstalige politici in Brussel te vaak geneigd om te minimaliseren, problemen onder de mat te vegen en mensen die lastige vragen stellen, van naïviteit te beschuldigen of te verwijten dat ze de Vlamingen in de kaart spelen. Dat is idioot en vooral onverantwoordelijk.’ Zelden hoor je zoiets van Franstaligen.

En tot slot is er Rik Torfs. Van mijn katholieke opvoeding heb ik onthouden dat je ijdele mensen niet te vaak mag strelen, maar hier toch mijn hoed af voor die intelligente ironie in zijn column Zero tolerance. Ik kan natuurlijk niet alles citeren, maar deze mooie (liberale) zinnen vond ik erg treffend: ‘Ik geloof eerder in de vrijheid dan in de wet. De wet is er om de vrijheid te beschermen, niet om haar te beperken. Als die voorwaarde is vervuld, kunnen we over nultolerantie spreken. Dan is ze wat ze hoort te zijn, een noodzakelijk kwaad, geen morele overwinning.’

Dank u, redactie van De Standaard. Jullie zijn vandaag in een krachttoer geslaagd: me tevreden maken dat de trein alweer eens met een kwartier vertraging in Brussel-Centraal arriveerde.

09:56 Gepost door peter in Actualiteit, Algemeen, integratie, media | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook | | |

28-05-10

Wel Dos Cervezas, niet een resolutie over olieramp

Ik voelde me deze ochtend ontgoocheld in mijn krant, toen ik het artikel las over het debat in het Vlaams Parlement over de schlager Dos cervezas por favor. Niet alleen De Standaard bracht daarover verslag trouwens. De toon van de berichtgeving was in alle media wel dezelfde: waar houdt het Vlaams Parlement zich in godsnaam mee bezig?

Daar kan men inderdaad over redetwisten. Elke week zie ik in de agenda van het Vlaams Parlement wel onderwerpen opduiken waarvan ik me de relevantie afvraag. Ik durf wedden dat ik me ook over onderwerpen in de agenda’s van de Kamer, de Senaat of het Europees Parlement soortgelijke vragen zou stellen. Niet over al die onderwerpen wordt door de media bericht. Gelukkig maar. Als het over Dos cervezas por favor wel gebeurt, betekent dit dat de redacties geoordeeld hebben dat hun artikels zullen worden gelezen. Over sommige irrelevante, triviale aangelegenheden stellen sommige volksvertegenwoordigers vragen in het Parlement, net omdat ze erop hopen dat de media over die ongein verslag zullen doen, net omdat de journalisten die dat verslag maken, hopen dat ze met hun artikels bij hun publiek bijval zullen oogsten. In werkelijkheid besmetten de politici zelf hierdoor de politiek met antipolitiek, en de media verspreiden die antipolitiek verder. Binnenkort komen er dan weer politici klagen over het gebrek aan geloofwaardigheid van de politici en het lage vertrouwen in de politiek, waarvoor de media dan hun kolommen zullen openen, en er nog wat commentaren en analyses bovenop doen.

Mijn ontgoocheling zit nog wat dieper. Vanmorgen hoorde ik ook op de radio dat operatie Top Kill in de Golf van Mexico mislukt is. Dat is heel slecht nieuws, ik hoef jullie daarvan niet te overtuigen. Heel veel mensen, ook in Vlaanderen, volgen het nieuws over de reusachtige catastrofe die in een zee ver weg maar niet gestopt geraakt. Ook dat was aan de orde, woensdag in het Vlaams Parlement. Op initiatief van een jong en onbekend volksvertegenwoordiger uit de oppositie heeft  het Vlaams Parlement toen eenparig een resolutie aangenomen over die ramp. De volksvertegenwoordiger nam dit initiatief omdat ze zich van de ramp met de Exxon Valdez uit 1989, de tot voor kort grootste olieramp uit de geschiedenis, haar verdriet als tienjarig meisje herinnert om het beeld van een met olie besmeurde vogel. Met de resolutie wou ze een stem geven aan al die Vlamingen die bezorgd zijn om de gevolgen van wat nu de grootste olieramp is geworden. Daarvoor dient in een parlement het instrument van de resolutie. En ze wou er de Vlaamse regering, die onder het naderende Europees voorzitterschap van België, de EU-Raad voor Milieu zal voorzitten, mee oproepen om met de EU te ijveren voor striktere veiligheidsmaatregelen bij boringen in de diepzee, via de daarvoor bevoegde instanties onder het VN-verdrag over de Zee van 1982.

Hoe langer het duurt om het lek te dichten, hoe zwaarder de gevolgen voor mensen, fauna en flora over een almaar uitdeinend gebied en hoe duidelijker het wordt dat het vermijden van zo’n nieuwe rampen een verantwoordelijkheid van de wereldgemeenschap is die niet mag overgelaten worden aan individuele staten laat staan aan oliemaatschappijen. Spijtig genoeg vond geen enkele redactie, op een telex van het persagentschap Belga na, het nieuws over die resolutie ook maar enkele regels of seconden aandacht waard. Resoluties waartoe het initiatief van de oppositie komt en die eenparig worden goedgekeurd, zijn nochtans minder dagelijkse kost in het Vlaams Parlement dan triviale vragen. Het uitblijven van aandacht in de media maakt het de Vlaamse regering nu ook gemakkelijker om de opdracht van het Vlaams Parlement naast zich neer te leggen. Een lot dat wel meerdere goedbedoelde resoluties beschoren is. En dat stellen sommige media - terecht – aan de kaak, het tast immers de geloofwaardigheid van de politiek aan.

 

11:32 Gepost door peter in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook | | |

05-05-10

wat Vlaanderen kan doen om olierampen te voorkomen

Open Vld, LDD en Groen! willen herhaling milieuramp in Golf van Mexico voorkomen

 

In de Golf van Mexico stroomt door de ramp met de Deepwater Horizon 800.000 liter olie per dag de zee in. Op initiatief van Vlaams volksvertegenwoordiger Gwenny De Vroe vragen Open Vld, LDD en Groen! aan de Vlaamse regering om tijdens het Belgische EU-voorzitterschap initiatieven te nemen om de onverantwoorde risico’s met olieboorplatformen in de diepzee zoveel mogelijk te beperken.

 

De ramp in de Golf van Mexico wordt waarschijnlijk de grootste milieuramp uit de geschiedenis. Volgens BP, de eigenaar van de oliebron, kan het nog drie maanden duren voor de lekken gedicht zijn. De oliemaatschappij probeert nu een stolp te bouwen die over het grootste lek moet komen, maar geeft zelf toe dat dit op zo’n grote diepte nog nooit is uitgeprobeerd. De economische schade en de milieuschade lopen inmiddels op. Deskundigen vrezen de uitroeiing van bepaalde diersoorten. De gevolgen voor de biodiversiteit zijn enorm.

 

De grote diepte van anderhalve kilometer maakte het uiterst moeilijk om de lekken te dichten.De technologie van vandaag maakt het mogelijk steeds dieper in zee naar olie te boren, maar is blijkbaar niet in staat een lek zo diep gelegen snel te dichten. In de Golf van Mexico bevinden zich naar schatting 3.500 boorplatformen. Gwenny De Vroe meent dat we ons vragen moeten stellen bij het risico dat de natuur wereldwijd met deze installaties loopt.

 

Noorse experts stellen dat de Amerikaanse wetgeving, in tegenstelling tot de Noorse en de Braziliaanse, geen reservesysteem verplicht voor de veiligheidsklep die na de explosie van de Deepwater Horizon de boorput had moeten afsluiten. De Amerikaanse president Barack Obama laat nu onderzoeken of de veiligheidsmaatregelen wel volstaan.

 

Iedereen is verantwoordelijk voor onze planeet

 

Heeft Vlaanderen daar wat over te vertellen? Op het eerste gezicht niet. Het Vlaams Parlement heeft geen bevoegdheden of middelen om de milieuramp ook maar een beetje kleiner te maken. Maar de schaal van de ramp laat Vlaanderen niet onberoerd. Ze stelt de hele wereldgemeenschap voor de verantwoordelijkheid om herhalingen van zo’n catastrofes waar mogelijk te vermijden.

 

“Vlaanderen staat binnenkort op een sleutelpositie om de bezorgdheid van de wereldgemeenschap een stem te geven”, meent Gwenny De Vroe. Vanaf 1 juli is België voorzitter van de Europese Unie. Milieu is in het federale België een gewestbevoegdheid. De Vlaamse minister van Milieu krijgt tijdens het Belgische EU-voorzitterschap de eer de Europese Raad van ministers voor te zitten. Het zou mooi zijn moest de Vlaamse regering van die gelegenheid gebruik maken om de Europese Unie hierover stelling te laten innemen. “Op onze aarde waar we met steeds meer mensen in een steeds kwetsbaardere omgeving leven, is iedereen verantwoordelijk”, besluit De Vroe. “Niet alleen voor zijn tuintje, maar ook voor zijn omgeving, zijn brede omgeving.” 

Open Vld, LDD en Groen! dienen daarom tijdens de plenaire vergadering van vandaag 5 mei bij hoogdringendheid een actualiteitsresolutie in.

11:27 Gepost door peter in Algemeen | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook | | |

01-04-10

Waarom 1 Para echt moet verdwijnen

 

Het eerste bataljon parachutisten wordt ontbonden en de als monument beschermde Citadel van Diest wordt verkocht. Het zijn beslissingen van defensieminister Pieter De Crem. Als voornaamste redenen haalde hij aan dat de Citadel niet langer beantwoordt aan de hedendaagse eisen die mogen gesteld worden aan een militair kwartier, aan de dringende zware restauratie- en renovatiekosten, en aan het gebrek aan paracommando’s in het Belgisch leger, waardoor er sowieso één van de drie bestaande bataljons ontbonden moet worden.

 

Woensdag bracht de kamercommissie Landsverdediging een bezoek aan enkele kazernes die door het besparingsplan  worden getroffen. Het bezoek kwam er dankzij de inspanningen van de verdedigers van de Citadel. Zij ontkennen de hoge kosten voor renovatie en restauratie en beweren stellig dat de Citadel wel nog bruikbaar is als kazerne voor een paracommando-eenheid. Ze bleken gelijk te hebben. Commissievoorzitter Ludwig Vandenhove kwam tot die vaststelling en noemde de argumentatie over kostprijs en bruikbaarheid van de Citadel vals (Belang van Limburg, 1/4).

 

Toch blijft de beslissing volgens generaal Charles-Henri Delcour, de chef defensie, gehandhaafd. ‘We hebben te weinig para’s voor drie bataljons. Dus maken we er twee van’. Daar heeft de generaal een punt. Al jarenlang ondervinden de paracommando’s grote moeilijkheden om hun getalsterkte op peil te houden, in alle bataljons overigens. En dat wordt alleen maar erger: 3 Para organiseert eind april een speciale jobdag met 181 vacatures.

 

Men kan zich afvragen of het dan niet langer mogelijk is om jongeren warm te maken voor een avontuurlijk bestaan als paracommando. Is het wel voldoende geprobeerd? Of is de jeugd van tegenwoordig niet meer uit voldoende sterk en taai hout gesneden? Ook jaren geleden, toen er nog militaire dienstplicht bestond, was het geen sinecure om de gelederen van de para’s op peil te houden.

 

Er dringt zich een andere vraag op: hebben we in de nieuwe, kleinere krijgsmacht en met de gewijzigde geopolitieke omstandigheden nog wel drie paracommando bataljons nodig? Evident, ben ik geneigd te zeggen, want de para’s zijn de meest flexibele, snel ontplooibare en overal inzetbare gevechtstroepen waarover we beschikken. Tenzij het Belgisch leger minder wil vechten natuurlijk. Vandaar volgt de vraag: wíllen we in de nieuwe geopolitieke omstandigheden nog drie zo’n bataljons klaarhouden voor de meest risicovolle opdrachten denkbaar in dat gewijzigde kader, namelijk een internationaal verband (Navo, VN) ver van huis, zoals vandaag in Afghanistan?

 

Of willen we ons wat meer bukken? Zeg maar plastisch, liever transportcapaciteit leveren dan kanonnenvlees? Als je maar twee paracommando bataljons hebt, kunnen er maar twee ingezet worden in de internationale operaties waaraan België sowieso zijn steentje moét bijdragen. Er valt iets voor te zeggen dat je dan beter twee goed uitgeruste bataljons hebt dan drie halve. Maar toch, het blijft wringen.

 

Maandag 29 maart vond op de markt van Diest een steunbetoging voor 1 Para plaats, met volgens de pers zo’n 150 deelnemers (een dikke 200 als je die in de belendende cafés erbij telt). Ik was heel blij onder hen ook kolonel Luc Marchal te herkennen, die als kapitein CO is geweest van de 13de Cie van 1Para. Later was Marchal de VN-sectorcommandant voor Kigali tijdens de Rwandese genocide. Toen in de Rwandese hoofdstad op 7 april 1994 tien Belgische commando’s uit Flawinne beestachtig vermoord werden, ijverde België voor het terugtrekken van de gehele VN-vredesmacht waarvan het Belgisch bataljon de steunpilaar was. Dat lukte de toenmalige Belgische regering-Dehaene ook. Luc Marchal vertrok met de laatste Belgen uit Rwanda op 19 april, nadat hij drie keer geweigerd had om op het vliegtuig te stappen. Hij vreesde dat na het vertrek van de blauwhelmen het bloedbad echt zou uitbreken, en de geschiedenis geeft hem gelijk.

 

Ik heb de grootste bewondering voor de moed van Marchal, die terug uit Rwanda voor het Krijgshof werd gedaagd alsof hij verantwoordelijk was voor de dood van de para’s en de genocide die aan 800.000 mensen het leven heeft gekost. Er was een Rwanda-commissie in de Senaat voor nodig om de fouten van de toenmalige legerleiding en operatieverantwoordelijken bloot te leggen en vooral de abjecte politieke desertie van de toenmalige regering en de internationale gemeenschap aan de kaak te stellen. De kans dat zo’n traumatische ervaring opnieuw ons land en zijn leiders zou verontrusten, is kleiner met twee paracommandobataljons dan met drie. Wie niet moedig is, gaat bij brand liefst achter de brandweerwagen staan. 

 

Rest de vraag waarom 1 Para moet sneuvelen. Ik vrees dat het antwoord simpel is: het is een tweetalig bataljon, gevestigd in het Vlaamse Diest. Als 1 Para verdwijnt, houdt het leger een Nederlandstalig bataljon over in Tielen en een Franstalig in Flawinne, netjes verdeeld dus.

 

  

14:39 Gepost door peter in Algemeen | Permalink | Commentaren (1) |  Facebook | | |