27-06-11

Eer Vlaanderen vergaat, moet De Wever premier worden

Vlaamsnationalisten en bij uitbreiding flaminganten hebben iets met geschiedenis. Hun leiders, en al zeker de historici onder hun leiders, hebben bovendien iets met hun plaats in de geschiedenis. Het recente overlijden van Toon Van Overstraeten heeft me de voorbije dagen terug in die geschiedenis gegooid. Ik heb in alle Vlaamse partijen het genoegen gesmaakt interessante en bewonderenswaardige politici te leren kennen. Terugkijkend op mijn leven als redacteur bij het VU-weekblad Wij, herinner ik me, naast Hugo Schiltz, vooral Toon als die autodidact die ik bewonder voor zijn eruditie, zijn engagement, zijn visie en, niet in het minst, zijn lef. Het verscheiden van Toon gaf aanleiding tot gesprekken met oude vrienden over vroeger en de huidige toestand. Een goede vriend vestigde mijn aandacht op de roman “Eer Vlaanderen vergaat” van Jozef Simons.

 

Ik denk dat de kernidee uit deze roman, die behalve in gespecialiseerde of de geïnteresseerde bovenstaande kringen lang vergeten is, en misschien meer nog de mythische proporties die de droom uit de roman sinds zijn publicatie voor de Vlaamse beweging inhoudt, een groot inzicht verschaft in de traditionele buik van onze enige volkspartij N-VA. Ondanks de grote verruiming naar een breder kiespubliek sedert  de verkiezingen van 13 juni 2010 bepaalt die buik nog steeds de strategie van deze formatie. Ik ben zo vrij u er mijn lezing over te geven.

 

Uit vrees voor represailles publiceerde Jozef Simons “Eer Vlaanderen vergaat” in 1923 onder de schuilnaam Ivo Draulans. De Grote Oorlog waarvan de herdenkingen ter gelegenheid van de 100ste verjaardag vandaag volop worden voorbereid, was vijf jaar voorbij. Uit een huwelijk van het activisme, de Vlaamsnationalistische politieke collaboratie met de Duitse bezetter tijdens die Eerste Wereldoorlog, en de Frontbeweging, de clandestiene beweging aan het IJzerfront van bewustwording over en verzet tegen de behandeling van de Vlaamse soldaten en de Vlamingen in België, kwam het Vlaamsnationalisme voort, de politieke stroming voor het zelfbestuur van Vlaanderen.

 

De hoofdfiguur uit de roman is de jonge Florimond van Laer de Laerdonck, een spruit uit een Franskiljons adellijk geslacht uit de Kempen. In tegenstelling tot wat zijn afkomst laat vermoeden, schaart hij zich aan de zijde van het Vlaamse volk. Of liever, hij zoekt aansluiting bij de elite van intellectuelen onder de Vlamingen die het volk naar ontvoogding, vrijheid en emancipatie willen leiden.

 

Als Florimond eindelijk bij de Vlaamse soldaten aan de IJzer geraakt, komt hij in contact met de Frontbeweging. Bij wijze van parenthese moet ik er aan herinneren dat Simons welbewust een roman schreef, hij neemt het niet zo nauw met de realiteit zoals hij die toen al moet hebben gekend, laat staan dat zijn geschiedenis zou overeenstemmen met de stand van de historische werkelijkheid zoals we die vandaag kennen. De roman vormt, samen met andere geschriften uit de eerste naoorlogse jaren, wel het fundament voor de mythevorming over het Vlaamse IJzerleed die decennia lang in de Vlaamse Beweging werd en hier en daar nog altijd wordt doorgegeven.

 

In de roman wordt flink gedebatteerd over de strategie die de Vlaamse frontsoldaten dienen te volgen om “recht” te krijgen voor hun “bloed”. Het is een discussie tussen “eerst ons recht, dan ons bloed” dan wel “hier ons bloed, wanneer ons recht”. De Fronters schrijven een open brief aan koning Albert. Want hij heeft grote verwachtingen gewekt, door de Vlamingen ten oorlog te roepen met de woorden “Vlamingen, gedenkt de Slag der Gulden Sporen!”

 

Florimond is voorstander van een beslissende daad die met één klap de bewustwording teweegbrengt die nodig is om de eigen Vlaamse staat tot stand te brengen, eens de grote en kleine Europese mogendheden over vrede onderhandelen. Hij vindt dat, in plaats van nog krachten te verspillen “om weldoend water over de dijk te hozen, beter ineens de dijk kan worden doorgestoken.”

 

De droom van een zelfstandig Vlaanderen wordt bezongen in paradijselijke termen: “Vlaanderen Vlaamsch en vrij! Van de Maas tot aan de Noordzee zouden de Vlaamsche mensen zich fier gevoelen burgers te zijn in een eigen vrijen Vlaamschen Staat, waar zij vroeger slechts tweede-rangs-onderdanen waren in een achterlijk-gehouden Vlaamsch-België. De boeien los, het dwangbuis af… De zon zou schooner schijnen, de velden zouden milder bloeien, en de Noordzee jubelklotsen tegen ’t Vlaamsche land…”

 

Florimond stelt op een geheime vergadering van de leiders van de Frontbeweging voor dat alle soldaten die de beweging kan mobiliseren, het cijfer 25.000 valt, in één nacht deserteren, de Duitse linies oversteken en zich rond Borms scharen. Borms! De naam slaat gensters. De radicale activistenleider riep ook bij de Frontbeweging grote controverse op, omdat hij het verst wilde gaan in de samenwerking met Duitsland, de vijand tegen wie ze in de loopgraven strijd leveren en die wreed huis heeft gehouden in het inmiddels bezette land. Voor wie de geschiedenis van een van de grootste ikonen uit de Vlaamse beweging niet kent, Borms zou die collaboratie tijdens de Tweede Wereldoorlog nog eens overdoen en, tot de dood veroordeeld, in april 1946 geëxecuteerd worden.

 

In de roman staan de ideeën van Florimond tegenover die van zijn dorpsgenoot en vriend Jan. Het is de rode draad van verdeeldheid die van in het begin door de vlag van de politieke Vlaamse Beweging is geweven en tot vandaag de kop opsteekt: het kamp van de separatisten tegen dat van de federalisten, dat van de minimalisten tegen dat van de maximalisten, dat van de passionele romantici tegenover de behoedzame pragmatici, het kamp dat droomt van grote, revolutionaire daden tegenover het kamp dat streeft naar geleidelijke, wettelijke lotsverbeteringen.

 

Het voorstel van Florimond haalt het niet. Er worden wel boodschappers uitgestuurd naar andere, minder radicale activisten. De oplaaiende strijd aan het front houdt de soldaten daarna aan de waggel en Florimond sneuvelt. Vooraleer hij of een ander dus “de reddende daad” voor Vlaanderen kan stellen. Maar net nadat hij twee zaken had vernomen die hem diep beroerden: dat zijn vriend Jan officier is geworden, iets wat Florimond wegens zijn afkomst herhaaldelijk was aangeboden maar wat hij elke keer beginselvast afwees, en dat Jan zich op de koop toe had verloofd met Clara, het meisje waarop ook Florimond tot over zijn oren verliefd was.

 

De roman eindigt met enige passages en grote commotie aan het graf van Florimond. Na het lezen van het grafschrift “Voor recht en vrijheid, leve Vlaanderen” barst Clara in tranen uit en verbreekt ze haar verloving met Jan, met de woorden, “hem had ik kunnen liefhebben, hij was een officier van Vlaanderen”. Gelukkig komt daar als een duiveltje uit een doosje de activistische kapelaan langs in wie veel lezers Cyriel Verschaeve herkennen, om Jan en de lezer moed in te spreken, “eer Vlaanderen vergaat, komen er nog levenskansen”. Het zaad van de Fronters en activisten is gezaaid (“hier liggen hun lijken als zaden in het zand, hoop op den oogst o Vlaanderenland”) en Jan kan Clara nog herverdienen, kortom wat avondrood lijkt, is eigenlijk morgengoud.

 

Uit de roman van Jozef Simons kunnen vele lessen worden geleerd. De vernieuwde uitgave van Eer Vlaanderen vergaat van 1999, in hedendaagse spelling, staat trouwens integraal op de website van uitgeverij Pelckmans, Met een uiterst boeiend nawoord van Ludo Abicht, die er vele facetten van belicht.

 

Welke lessen kunnen we er vandaag uit leren, nu de verkiezingen die de V-partijen opnieuw een historische rol toebedelen een jaar achter ons liggen en de onderhandelingen over een nieuwe federale regering overzomeren in afwachting van een impasse ten gevolge van de gemeenteverkiezingen van 2012?

 

De Vlaamse kiezer laat de N-VA verder bloeien en groeien, leren de peilingen. De partij die zich, zonder het met zoveel woorden te zeggen, beschouwt als de politieke erfgenaam van het Vlaamsnationalisme, heeft een nieuwe, grote kans om haar programma te realiseren, of de uitvoering ervan toch flink vooruit te helpen. De N-VA voelt zich wel degelijk de laatste schakel van de Vlaamsnationalistische ketting die in IJzerleed gesmeed werd tot Frontpartij, die overging en teloorging in VNV, na een duistere tijd in het verborgene heropgericht werd onder de naam Volksunie, na broedertwist en schande de afsplitsing in Vlaams Blok en Belang verteerde, opnieuw verbrokkelde en versplinterde, overleefde dankzij het kartel met de erfgenaam van de Katholieke Partij, terug op eigen benen ging staan en vandaag de enige volkspartij blijkt te zijn.

 

Na de grote koppen, “officieren” zo je wil, als Hendrik Borginon, Frans Daels, August Borms, kapelaan Verschaeve, Staf De Clercq, Frans Van der Elst, Karel Dillen of Hugo Schiltz (ik besef dat elke opsomming stof voor discussie en verdeeldheid oplevert), verguisd en vermalen door de Belgische elite maar verheerlijkt en bejubeld door Vlaamsgezinden, baart het Vlaamsnationalisme nu opnieuw een leider. Iemand die, zoals Jozef Simons het in Eer Vlaanderen vergaat stelt, “klaar ziet en durft, weet wat hij wil en zich aan het hoofd stelt”.

 

Als zoveelste in de rij staat Bart De Wever voor de verscheurende keuze tussen de revolutie en de geleidelijkheid, tussen de grote daad en de tijdrovende onderhandeling over de geleidelijkheid van wetten. Hij heeft nog niet gekozen, of alleszins velen in de buitenwereld er nog niet van overtuigd dat hij echt een akkoord wil, dat hij niet uit is op de verrottingsstrategie waarvoor enkel het revolutionaire separatisme een uitweg biedt. Tot nu toe kan hij zich nog altijd permitteren te wachten met kiezen. Sterker nog, wachten maakt de positie waarin zijn partij zich bevindt, voorlopig enkel sterker.

 

Het wachten, talmen en niet willen kiezen is ook een jaar lang de strategie geweest van de tegenstanders van N-VA. Langs Franstalige zijde, hoopten zij dat het draagvlak voor N-VA zou wegsmelten en dat met de “redelijke” Vlaamse partijen een “nieuw en groot Belgisch compromis” zou gesloten kunnen worden. En dan kon het Franstalige front zich weer eens voor jaren hullen in de rol van “les Demandeurs de Rien”, een pose die zo tot de verbeelding spreekt dat een hedendaagse Picasso of Ensor haar eens op een doek zou moeten vereeuwigen.

 

Maar ook langs Vlaamse zijde hoopte men op het afkalven van de steun voor N-VA, al zeggen de officiële spreekbuizen dat niet met zoveel woorden en zeker niet openlijk. Het besef is bij de traditionele partijen gerijpt dat een communautair akkoord, dat België grondig hervormt en meer autonomie toekent aan de deelstaten, een noodzaak is om zelf opnieuw met een wervend project de kiezer te kunnen charmeren.

 

Hoe langer de huidige impasse duurt, hoe dieper deze Vlaamse partijen in een moeras wegzakken. Hoe meer oktober 2012 nadert, hoe meer ze de daver op het lijf krijgen. En dat is begrijpelijk: de verkiezingsuitslag van 2010 was een aardverschuiving, een bouleversement, een omwenteling. De gevolgen waren niet onmiddellijk zichtbaar. Bart De Wever maakte toen (onder meer) de logische fout, vanuit zijn Vlaamsnationalistische achtergrond, om onmiddellijk het premierschap te verzaken.

 

Pas nu beginnen de andere Vlaamse partijen te beseffen hoe diep de onvrede bij de Vlaamse kiezer woekert. Het heeft maanden geduurd vooraleer hun hoofdkwartieren zich durfden afvragen of wat er hen zou overkomen indien die nieuwe krachtsverhoudingen geen accident de parcours waren maar gestabiliseerd zouden geraken, verankerd zouden worden.

 

Dat is nu net waar N-VA op tracht aan te sturen, logisch natuurlijk vanuit haar positie. Hoe dichter bij de lokale verkiezingen van oktober 2012, hoe verleidelijker ook voor N-VA de strategie wordt om te overzomeren, overherfsten, overwinteren, overvoorjaren en nog eens te overzomeren. Zo lang de peilingen blijven wat ze zijn, heeft N-VA tot dan geen nieuwe verkiezingen nodig omdat deze “greep naar de macht” als stabiele volkspartij in de Vlaamse steden en gemeenten in oktober 2012, en dit in tegenstelling tot wat het VNV tijdens de Tweede Wereldoorlog deed, op perfect democratische en legale weg binnen handbereik ligt.

 

En vervroegde verkiezingen in het najaar dan, na de aangekondigde mislukking van Di Rupo? In de balans tussen voordeel en risico zie ik niet waarom N-VA die gok zou wagen. Wat kunnen vervroegde verkiezingen N-VA bijbrengen? De partij kan haar posities in het federale parlement misschien nog wat versterken. Enkele zeteltjes meer (of minder) zorgen wellicht niet voor een levelverhoging uit een computerspelletje, enkel voor wat meer punten en geld. En dan? Dan blijft de regering van lopende zaken aan het bewind. En is het nog twijfelachtiger of het na zo’n gepolariseerde stembusslag haalbaar is een groot akkoord te bereiken vóór de gemeenteverkiezingen. In de internationale financieel-economische context loopt het land met zijn tien miljoen inwoners, onder wie een ruime meerderheid Vlamingen, dan zoveel langer op de rand van de afgrond. Dat risico is voor alle inwoners van dit land veel te groot. N-VA loopt bovendien het risico dat de Vlaamse kiezers, in de campagne gebombardeerd door  burgemeesters die voor hun overleven vechten en de N-VA als onverbeterlijke communautaire diehards afschilderen, massaal hun bocht nemen. Weg diepe consolidatie als volkspartij.

 

Ik zie voor De Wever een betere optie om zijn partij diep in Vlaanderen te verankeren, Vlaanderen meer autonomie te geven, de sociaal-economische en maatschappelijke hervormingen door te voeren waar zijn kiezers naar snakken . Tegen de buik van zijn partij in moet hij premier worden en niet enkel Vlaanderen maar heel België hervormen en heruitvinden.

 

Waarom?

 

De droom van het zelfbestuur die de Vlaamse Beweging koestert sedert de Frontbeweging, is een utopie geworden. België is al lang de verdrukkende staat niet meer die de Vlamingen achterlijk houdt, discrimineert en miskent. Vlaanderen heeft de voorbije decennia al op tal van terreinen de beslissingsbevoegdheid over het Vlaams grondgebied kunnen bemachtigen. Op tal van terreinen is Vlaanderen daardoor in Europa een toonaangevende regio geworden. Maar de inmiddels meer dan tien jaar aanslepende Vlaamse onmacht om het wurgende mobiliteitsprobleem rond Antwerpen, ons Vlaams economisch hart, ook maar een begin van oplossing te geven, toont schrijnend aan hoe meer Vlaamse autonomie niet op alle vlakken een garantie biedt op een beter bestuur.           

 

België heeft in belangrijke mate dankzij Vlaamse staatsmannen meegebouwd aan de Europese eenmaking, aan vrede op ons oude continent en een ongekende welvaart. Veel macht verhuisde al mee naar Europa. Met de euro, zo beseffen we vandaag scherper dan vroeger, hebben we de sleutels van onze welvaart aan de Europese Unie toevertrouwd. Ons federale land blijft wel verantwoordelijk voor het onderhoud van het huis met zijn verschillende kamers en verdiepingen.

 

Dat onderhoud laat, vooral vanuit de federale bevoegdheden, te wensen over: er zijn overal hervormingen nodig maar vooral op het vlak van de sociale zekerheid (pensioenen, werkloosheid, gezondheidszorg,…), de loon- en arbeidsreglementering, de rechtszekerheid in de breedste zin (de hele ketting van burgemeester van Molenbeek Philippe Moureaux, die begint met respectvol gedrag op het openbare terrein, de politiecontrole en handhaving van de openbare orde, het vervolgingsbeleid, het rechterlijk systeem, de strafuitvoering en het penitentiair systeem), de controle op de instroom van nieuwe inwoners en hun inpassing in onze democratische, pluralistische en vrije samenleving met alle tradities van individuele rechten en vrijheden. De Vlamingen die voor N-VA hebben gekozen, verwachten van die partij ook op de federale terreinen hervormingen.

 

Verder laat het functioneren van de democratie zelf in België te wensen over. We hebben teveel politici en een te ruim bemeten overheidsfinanciering van de politiek. Er kan bijvoorbeeld al jarenlang zomaar een hele assemblee worden afgeschaft, als de partijen dat maar echt zouden willen. Er zijn teveel grendels en blokkeringsmogelijkheden, die het de Franstalige partijen bijvoorbeeld hebben mogelijk gemaakt om de splitsing van Brussel-Halle-Vilvoorde jarenlang tegen te houden, ondanks een arrest van het Grondwettelijk Hof uit 2003.

 

Terug naar Jozef Simons. Hoewel België niet langer de Vlaams-vijandige staat van rond de eeuwwisseling is, leven bij veel Vlamingen nog gevoelens van ressentiment en rancune tegenover Franstaligen, voelen Vlamingen zich miskend of geminacht door Franstaligen. Het wordt deze dagen raak verwoord in enkele oneliners van strafpleiter Vic Van Aelst. Waarom worden de onderhandelingen tussen de Franstalige partijen en de Vlaamse partijen in het Frans gevoerd als de Vlamingen de meerderheid van de Belgen uitmaken? Waarom moeten generaals en federale topambtenaren wel maar federale ministers niet tweetalig zijn? Waarom aanvaarden de Franstalige partijen de logische splitsing van BHV niet? Waarom leeft bij zoveel Vlamingen, zeker langs de Vlaamse kant van de taalgrens en rond Brussel, zo sterk de overtuiging dat de Franstaligen die in Vlaanderen komen wonen minder bereid zijn zich aan te passen als de Vlamingen die uitwijken naar Wallonië of Brussel? Waarom kunnen de overheden in Brussel of de Franstalige burgemeesters in de Vlaamse faciliteitengemeenten niet gewoon de taalwetten toepassen? Het zijn vragen die erop wijzen dat bij de grote hervormingen om dit land een toekomst te geven, ook klare afspraken horen over het taalgebruik en wederzijds respect. 

 

België is niet het vaderland van de Vlaamsnationalisten en zal dat ook niet worden. Maar veel Vlamingen die voor N-VA stemden, kiezen niet voor het opdoeken van België. Ze verwachten van Bart De Wever dat hij België hervormt, niet dat hij het van de kaart veegt. Wat mezelf betreft, geloof ik dat onze oude koning zich beter om zijn kinderen en kleinkinderen bekommert dan het land tracht te redden zonder N-VA. België kan me gestolen worden, maar ik zie niet in waarom het vernietigd zou moeten worden, zelfs niet als het geen meerwaarde meer heeft. Ik voel me Vlaming in Europa en Europeaan in de wereld. Ik heb evenveel warme gevoelens voor Nederland als voor Wallonië.

 

Ik hou van Brussel, de boeiende, schitterende grootstad met die rijke geschiedenis die naar Europese normen op een boogscheut van mijn dorp in Vlaams-Brabant ligt. Ik verdien al meer dan twintig jaar mijn brood in Brussel ontmoette er mijn vrouw, die telkens herleeft als we er rondlopen. Ik ben ervan overtuigd dat Vlaanderen veel moet investeren in Brussel omdat een almaar breder wordende rand rond die stad mee kan groeien en mee kan bloeien, en anders ongetwijfeld ook mee zal lijden, zelfs in een onafhankelijk Vlaanderen zonder Brussel. Geef die 19 stadsgemeenten, geef het omringende Vlaamse land en de verstedelijkte rand dus tenminste de instrumenten om deftig samen te werken in het belang van stad en rand. België laat me te onverschillig om er tegen te zijn maar ik wil me wel als Vlaming in Brussel blijven thuisvoelen. Bovendien, denk ik soms, Vlaanderen is vol, vadsig en oud, Brussel is jong en vol leven, Wallonië heeft nog veel ruimte. Waarom zouden we samen geen mooie toekomst hebben?

 

Kortom, tenzij tegen ieders verwachtingen in Di Rupo met zo’n fantastisch plan komt aandraven, zie ik een historische taak voor Bart De Wever waarmee hij het gros van zijn kiezers tevreden stelt, het in de hedendaagse context maximaal haalbare van de droom van de Fronters realiseert en voor zichzelf een plaats in de geschiedenis reserveert waarbij veel van de grote voorgangers (officieren, leiders, ministers) in de Vlaamse Beweging verbleken. Eer Vlaanderen vergaat, moet België worden hervormd en kan Bart De Wever premier worden.  

 

14:27 Gepost door peter | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook | | |