29-02-12

Glinsters van een multicultureel Londen

Een steen die in de rivier valt, heeft tijd nodig om te bezinken. Zoals dat soms ook gaat met ideeën: een gesprek, een metafoor die je treft, een nieuwe invalshoek op een oude leerstelling, de veranderingen in een vertrouwde omgeving waaraan je eerst was voorbijgegaan, het patroon in een reeks losse ontmoetingen. Neemt nu dat laatste: wat een rijkdom aan triviale ontmoetingen heeft onze trip naar Londen opgeleverd!

 

Een Pakistaanse beambte verkocht in St Pancras de Oystercards voor de metro als een ambassadeur, tot in elke vezel doordrongen van het besef voor zovele nieuwkomers in zijn stad het eerste menselijke contact te zijn. Aan de Tower verontschuldigde een Russische (hij droeg een pin met een hamer en sikkel op) ticketverkoper van de hop on hop off bus zich drie keer omdat zijn apparaat zo traag werkt. De exotische fotomodellen achter de kassa’s en balies van Harrods hadden niet het bordje voor zich maar ademden evengoed het odium uit van hun exclusieve koopwaar, kijken mag, aankomen niet. Het Poolse personeel in het hotel in Earl’s Court, van de balie tot de bar, van de ontbijtzaal tot de kamermeisjes, functioneerde professioneel en gedienstig maar koel en steeds strikt binnen de bedrijfsregels. Een mulattin onder het bordje prescriptions in de Boots aan Gloucester Road verwees door, zij is tenslotte geschoold voor voorschriften en niet voor hoestbollen.

 

En het restaurantpersoneel. Een gerimpelde grijze garçon in de betere zaak op Oxford Street suggereerde meer in het Italiaans dan in het Engels de gnocchi’s. De gladde jonge zwarte ober legde de super deal uit in de populaire pizzeria rechtover de London Dungeons. Veel te veel Indische kelners liepen elkaar voor de voeten in een goedkoop en toch heerlijk Indisch restaurant aan Trocadero. De trotse maître in de gezellige tapasbar in een desolate straat van Southwark verwelkomde in het Spaans en schakelde dan over naar Engels met haar op.

 

U hebt hem? Londen? Waar zijn de Engelsen gebleven? Oh, die waren er zeker wel. Zatte Chelsea-fans zongen en dansten op de metro en vielen niemand lastig. Een vriendelijk oud heertje zag ons op de kaart turen en zette ons op weg naar de Lincoln Inn. Mijn anglofiele oren feestten telkens de zoetgevooisde omroepster in dat prachtige echte Engels het undergrond-station Holborn aankondigt. En mind the gap!

 

Eens hij de bodem heeft bereikt, kan de kracht van de stroom de steen nog verder doen zwemmen of hobbelen, tot hij een rustplaats vindt. Als er veel stenen in de rivier vallen, nestelen ze zich vaak tegen elkaar aan. Zo kan soms zelfs de loop van een machtige stroom worden gewijzigd. Maar ofschoon Londen de stad niet meer is wat ze bij mijn vorige bezoek was, meer dan twintig jaar geleden, stroomt de Thames nog gestaag binnen zijn traditionele oevers.

 

Londen werkt. De stad bruist. Ze telt af tot de Olympische Spelen. Ze verveelt nooit en blijft verwachtingen wekken. Ze klinkt minder Oxford dan die anonieme engelachtige stem in de metro. Maar ze wil wel te allen prijze Engels blijven of drumt om het te worden. Ze blijft die stad van rode telefooncellen en dubbeldekkers. Ze koestert de tradities die haar identiteit tekenen en haar tot gemeenschap maken. En ze vindt zich tegelijk permanent opnieuw uit. Een megalopolis vol mensen die vooruit willen en uitkijken naar morgen.

09:21 Gepost door peter | Permalink | Commentaren (1) |  Facebook | | |

16-02-12

Integratie

Een vraag, deze week in het Vlaams Parlement: tot wanneer mag of moet de overheid mensen die nieuw zijn in onze samenleving trachten te integreren?

Wanneer de eerste generatie immigranten ergens zijn toekomst wil uitbouwen is het logisch dat je hen wegwijs maakt, hen helpt een nieuwe thuis te vinden, voor zichzelf in te staan. Inburgering dus. Ook de tweede generatie kan nog baat hebben bij begeleiding in de nieuwe samenleving: het is normaal dat ze nog problemen heeft met de taal van die samenleving die hoogstwaarschijnlijk thuis niet wordt gesproken bijvoorbeeld. Er moeten nog integratie-inspanningen geleverd worden. Maar wanneer dan stopt de bemoeienis, de zorg, de steun, …of hoe je het noemen wil, van de overheid met wie nieuw is in Vlaanderen omdat hij/zij nieuw is?

Na de tweede generatie, zegt het Vlaams integratiedecreet.

Nu was er in het Vlaams Parlement een discussie omdat iemand van de meerderheid (Sonja Claes, die ook burgemeester is van Heusden-Zolder) vond dat sommige Vlamingen die in de derde generatie van een andere etnisch-culturele achtergrond afstammen, ook nog baat zouden hebben van het integratiedecreet. Ze verwees naar bepaalde wijken in Heusden-Zolder waar alleen allochtonen van Turkse afkomst wonen, en waar de integratie ondanks twee generaties niet opschiet.

Khadija Zamouri was het daarmee niet eens. Khadija is een tweedegeneratie-allochtone van Marokkaanse afkomst. Ze is opgegroeid in Hoboken in een gezin van elf kinderen, ze genoot middelbaar onderwijs in een van de grootste concentratiescholen van het land, ze is gehuwd met een Vlaming en woont vandaag in Brussel. Enkele maanden geleden volgde ze Sven Gatz op in het Vlaams Parlement.

Het parlementair verslag over de bewuste commissievergadering slaagt er niet in om de gloed van haar betoog te vatten. Als je de woorden herleest, voel je niet langer hoe ze uitgesproken werden in die zinderende stilte die toehoorders uitademen als ze in hun hart worden geraakt. Vanuit haar buik klonk Khadija zo overtuigend over integratie, over gelijke kansen en over verantwoordelijkheid, dat de bevoegde minister van Integratie, Geert Bourgeois, aan Sonja Claes niets anders kon zeggen dan dat hij de woorden van mevrouw Zamouri, nochtans lid van de oppositie, bijtrad. Minister Bourgeois zei natuurlijk meer dan dat, zo functioneert de politiek nu eenmaal.

Ik was gisteren heel fier op Khadija, die nog maar goed een half jaar lid is van de Open Vld-fractie. Op basis van de voorlopige handelingen van de commissievergadering vat ik haar betoog samen:

“We moeten ook de nadruk leggen op verantwoordelijkheid. Hoe lang moeten we allochtonen inburgeren? Hoe lang moeten we ze bekijken als allochtoon? Ja, ze moeten als ze hier aankomen worden opgevangen, begeleid en wegwijs gemaakt, via inburgering en integratie. Daarna moeten andere overheden het heft overnemen. Onderwijs en echte tewerkstelling zijn de belangrijkste wapens om mensen van een andere origine vooruit te helpen. (…) Als we vooruit willen, als we een diverse samenleving willen, moeten we echt af van het wij-en-zij-denken. We moeten daar op een bepaald moment een lijn onder trekken. We moeten daarmee stoppen, daarmee durven stoppen. Vanaf de derde generatie moeten allochtonen zelf de verantwoordelijkheid opnemen, moet de samenleving haar verantwoordelijkheid opnemen, en andere overheidsstructuren dan inburgering en integratie. Dan moeten we echt korte metten maken met integreren en maar blijven pamperen, draaien en doen. Integreren moet, iedereen heeft een duwtje in de rug nodig en gelijke kansen op alle terreinen, dat geldt zeker voor de allochtone gemeenschap. Maar op een bepaald moment moeten we zeggen: van hieraf moet je gaan.”

Zo is dat, Khadija, mooi gezegd.  

09:08 Gepost door peter | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook | | |

10-02-12

In de fitness

Ik ben naar de fitness geweest. Niet om te fitnessen. Ik vergezelde mijn jongste dochter. Ze doet atletiek en wil haar arm-, buik- en borstspieren verstevigen. Die spieren heb je als piste-atleet ook nodig maar ze worden op de trainingen een beetje verwaarloosd. Je ziet, ze is ambitieus. Ik vind een gezonde ambitie bij mijn beide dochters uitstekend, dus heb ik de jongste in de vrieskou graag met de auto weggebracht. Van mijn vrouw weet ik dat de fitness naast een immense zaal vol toestellen een “dance hall” telt, een spinningzaal, douches en een sauna. En ook een cafetaria. In die laatste ruimte, enkele op een kluit aan de inkom geplaatste tafeltjes met zicht op de toestellen, nestel ik me met het boek “Zomerhuis met zwembad”. Ik verwacht veel van de auteur Herman Koch. Van zijn Zomerhuis zijn al meer dan 250.000 exemplaren verkocht, verklapt een klever op de rode cover. Met een sardonisch genoegen bestel ik een Sint-Bernardus triple, een bier dat ze in mijn stamcafé niet schenken. Ik krijg er een schaaltje chips bij.

Een tiental meters voor me uit en verder links en rechts, zonder scheidingswand, afrastering of vensterglas, hijgen de fitnessers. Ik hoor hen niet hijgen, de populaire muziek overstemt alle geruchten. Maar ik zie hen afzien en geniet ervan. Voor me wiebelt een man met een uitpuilende buik op een fietstoestel. Zijn hoofd schommelt heen en weer. Als zijn linkerknie omhoog gaat, neigt hij zijn hoofd naar rechts. Als zijn rechterknie omhoog gaat, knikt het naar links. Hij lijkt wel zo’n hondje met een wiegend hoofd dat je vroeger wel eens op de hoedenplank van een aftandse Peugeot of zo zag. De man lacht niet. Zelfbeklag tekent het uitgezakte gelaat dat me aanstaart. Ik monster de andere fitnessers. Een kalende man staat op een toestel bewegingen te maken die me nog het meest aan skiën doen denken. Een man met dikke benen naast hem zwoegt veel trager. Op de loopband draaft een bakvis met een roos topje waaronder felgroene behabandjes te zien zijn. Een besje met kort haar en een uilenbril maakt mistroostig roeibewegingen. Een gepermanente vrouw van middelbare leeftijd kwakt haar uitdijende kont over een fietszadel van minstens twintig centimeter breed. Ze lukt erin het zadel helemaal tussen haar verzakte billen te verzwelgen.

Al die mensen hebben iets gemeen: ze amuseren zich niet tijdens het beoefenen van hun hobby. Ze kijken allemaal droevig, gepijnigd, in mijn richting. Verwijtend en jaloers staren ze stuk voor stuk die pestkop met zijn triple, zijn chips en zijn geweldig rode boek aan. Ik kijk uitdagend terug. Ik probeer mijn lippen en mondhoeken secondenlang in een geamuseerd en tegelijk subtiel misprijzend boogje te houden.

Lang kan je dat niet volhouden, besef ik na een poosje. Ik kijk weer in mijn boek. Ik lees een intrigerende passage waarin de hoofdfiguur beschrijft hoe hij een vrouw aankijkt “zoals iedere man naar een nieuwe vrouw kijkt die voor het eerst zijn blikveld binnenloopt. Zou je het ermee kunnen? dacht ik terwijl ik haar in haar ogen keek. Ja, luidde het antwoord. En Judith keek terug. Het zit hem in fracties van seconden, het net iets langer vasthouden van elkaars blik. Zo keken Judith en ik elkaar aan. Iets langer dan strikt genomen nog als fatsoenlijk kan worden beschouwd. Het was niet zozeer haar mond die lachte, het waren vooral haar ogen. Ja zeiden die ogen op hun beurt. Ik met jou ook." 

Ik herken de beschrijving, de vraag van de man overvalt me ook regelmatiger dan ik wil toegeven, al is bij mij het positieve antwoord van de vrouw meer wens dan werkelijkheid.

Ik kijk opnieuw op. De fitnessers kijken me nog altijd als gestrafte kinderen aan. Vreemd genoeg, associeer ik een fitness toch altijd met lichamelijkheid, met erotiek, met seks, bedenk ik vanop mijn observatiepost. En ja hoor, er is een vrouw waarmee ik het zou kunnen. Ze heeft een roze handdoek om haar hals, staat ergens op een toestel wild op en neer te wippen. Ik verwacht dat ze heerlijke kleine peervormige borsten heeft. Ik zoek haar ogen maar zij lijkt wel de enige die geen aandacht heeft voor mij. Ze lacht zelfs als ze iemand herkent die op haar komt toelopen, het is de bakvis met de groene behabandjes. Haar dochter.

Ik kijk rond waar mijn eigen dochter ergens zit te zweten. Ze zit in een andere ruimte, ik moet me rekken om haar te zien. Ze hangt ergens aan handvatten waaraan ze zich optrekt. Tot mijn verbazing doet ze dat vijftien keer na elkaar. Waarop ze enkele seconden later aan hetzelfde toestel andere handvatten omknelt en zich vijftien keer opdrukt. Wat een atlete bij deze zieligaards, denk ik verder mijn foute gedachten terwijl ik terug superieur mijn aandacht aan de minder ambitieuze sporters schenk. Er is een jonge aantrekkelijke vrouw bijgekomen die, geloof het of niet, geconcentreerd een kookboek aan het lezen is terwijl ze fietst. Zou ik het misschien ook wel mee kunnen. De wiebelende dikke man is nu aan het skiën, voor zover je dat zo traag zou kunnen. Een zwetende jongen wiens uitpuilende romp het smalst is vlak onder zijn ribben komt naar de man met te dikke benen gezwalkt. De tweede ouder die gelooft dat hij hier quality time doorbrengt met zijn kind. Ze slurpen aan een fles water. Bij nader toezien heeft iedereen wel een fles water mee, van verschillende dure merken en in kleuren en vormen die ik in mijn Delhaize nog niet heb gezien. En natuurlijk ook niet in de Aldi. Fitnessen kost wat geld, de hardwerkende Vlamingen die zich hier tijdens hun vrije tijd afbeulen, willen zich daarbij niet laten kennen met wit water.

Weer treft het me: wie niet met zijn kroost bezig is of doet alsof ze een kookboek leest, staart mij, mijn triple, mijn chips en mijn opwindende rode boek nog altijd afgunstig aan.  In de grote vensters achter de sporters bemerk ik de weerspiegeling van hun zuchtende ruggen. En ik zie nog bewegingen flitsen, die ergens van achter mij, vlak boven mijn hoofd komen, op een geweldig groot televisiescherm.  Ik draai mijn hoofd om. En dan buig ik me snel terug over mijn boek. Het is namelijk ook echt opwindende lectuur.

14:26 Gepost door peter | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook | | |