24-04-12

Bezinning na de val van Van Den Driessche

“De manier waarop deze karaktermoord in vergelijking met soortgelijke gevallen op het snijvlak van politiek en media ten uitvoer werd gebracht, slaat mij met verstomming”, antwoordde ik zondag op facebook aan een liberale vriend die meldde dat “heten Pol uit de politiek stapt, een schuldbekentenis die kan tellen”. Ik ken Pol persoonlijk. Ik ken zijn goede kanten en ook zijn kwalijke. Over het karakter van Pol is al genoeg geschreven.  Meer dan zijn goede kanten gaat die kwalijke reputatie die hem zijn lijsttrekkerschap kost, in de wereld van de politiek en de (politieke) journalisten al zowat een kwarteeuw mee.

Voor alle duidelijkheid, machogedrag tegenover vrouwen, seksuele intimidatie, seksueel ongewenste intimiteiten laat staan losse handjes, het ligt niet in mijn aard. Ik begrijp dat veel vrouwen het ronduit walgelijk vinden.   Maar wat er na de publicatie in Humo van vorige week in de media is gebeurd, verdient bezinning.

Ik heb de indruk dat de manier waarop de media de koek warm hebben gehouden, zelden voordien is vertoond. Vooral de journalisten van de nieuwsprogramma’s van de VRT toonden zich bijzonder creatief in het bedenken van nieuwe invalshoeken en interviewden ijverig een school aan deskundigen of collega’s. Nieuwe getuigen ten laste doken er na de artikelen in Humo niet op.

Ik herinner me wel  spraakmakende woorden van die verbeten auteur van de reportage in Humo. Gevraagd naar een reactie op een aangekondigde klacht wegens laster en eerroof, dreigde hij ermee om “de poorten van de hel” te openen indien die zaak “op het publieke forum” zou worden uitgevochten. Hallo zeg. De poorten van de hel? Als de Humo-journalist zicht had op de hel, waarom had hij er dan al niet meteen de poorten van geopend? Het publieke forum? Wie heeft de reputatie van Pol die tot dan enkel bekend was in de Wetstraat, op het publieke forum gegooid met voor gevolg dat, in de dagen die volgden, alle Vlamingen ervan werden voorgelicht ?

Ja maar, het gaat niet om de seks, zei de journalist en hij meende het, het gaat om het machtsmisbruik dat Pol als hoofdredacteur heeft gemaakt om ondergeschikte vrouwen seksueel te intimideren en te bepotelen.  Relevant dus, met name: wat moet dat niet worden als zo’n man het tot burgemeester van Brugge zou schoppen?

Ik heb enkele jaren op redacties gewerkt. En op kabinetten en partijen. Ik ken veel ministers en politici met een vlekkeloze reputatie. Ik ken ook een dozijn politici van verschillende kleuren waarover in de Wetstraat  al jaren geruchten circuleren over seksuele intimidaties, losse handjes en machtsmisbruik.  Zij zijn al burgemeester, parlementslid, partijvoorzitter, minister of ze zijn het geweest.  Als er van die geruchten eens iets de media haalt, volgt doorgaans geen mediastorm, maar wordt de zaak snel met een mantel der liefde bedekt. 

Wel, ik meen dat een redactie voor vrouwen een vagevuur is in vergelijking met de hel die bijvoorbeeld een ministerieel kabinet kan zijn.  Op een redactie heb je rechten, er heerst een cultuur van free speech. Kabinetsmedewerkers zijn veel sterker overgeleverd aan de willekeur van hun minister of meerdere dan journalisten aan hun hoofdredacteur of chef. Op een kabinet bestaan geen vakbonden, geen bemiddelaars of vertrouwenspersonen, geen beroepsprocedures tegen een ontslag. Wie er begint te werken, weet dat ook. Hij of zij weet ook dat het een tijdelijke opdracht is. Hij of zij weet dat absolute loyauteit, flexibiliteit en inzet wordt verwacht, en je best behoedzaam omspringt met kritiek.  Op een kabinet ben je met een vingerknip de laan uitgestuurd, zonder verhaal. En dat gebeurt ook.

Het is voor een vrouwelijke kabinetsmedewerker veel moeilijker om de avances van een hiërarchische meerdere te weerstaan dan voor een journaliste. En daarmee wil ik de getuigenissen van de ex-Nieuwsblad-journalistes niet minimaliseren.  Ik denk alleen dat een door de chef of minister begeerde prooi op een kabinet onmiddellijk voor de keuze staat: instemmen of vertrekken. Er zijn voorbeelden van vrouwen die instemmen. Sommigen van hen kennen nadien een carrièreboost. Het is meestal niet duidelijk of dat uit eigen verdienste is of een wederdienst.

Er is weinig bekend over vrouwen die niet instemmen. Ze hangen dat niet aan je neus.  Sommigen vertrekken plots, zonder aanwijsbare reden.  Ik betwijfel zelfs of er in de politiek en haar belendende percelen vrouwelijke slachtoffers van ongewenste seksuele intimiteiten bereid gevonden zouden worden om te getuigen.  Misschien dat een goede onderzoeksjournalist van Humo zo’n eitje ook wel kan pellen.   

Humo heeft de voorbije week een mediaheisa ontketend, die Van Den Driessche na enkele dagen tot overgave dwong.  Seksuele intimidatie van vrouwen op de werkvloer wordt vandaag terecht als iets verwerpelijks beschouwd. Vrouwelijke journalisten en tienduizenden vrouwen buiten de pers hebben in hun leven wel eens te maken gehad met ongewenste seksuele intimiteiten, op of buiten de werkvloer. Zij identificeren zich met de ex-journalistes van Het Nieuwsblad die meteen bij Reyers Laat hun verhaal kwam doen.  Er is geen verschoning voor zo’n vrijpostig gedrag. Maar het is lekkere kost voor elke lezer, voor elke luisteraar of kijker. 

Bovendien is Van Den Driessche in de media en ook dankzij de media een bekend figuur. Hij laat je door zijn karakter, door zijn goede en zijn kwade eigenschappen, niet onverschillig. Hij was hoofdredacteur van Het Nieuwsblad, politiek analist bij VTM, zelfs een kleurrijk woordvoerder van Cercle. Media brengen makkelijker nieuws over de media of over mediafiguren.

Elke dag werd ook het vizier gericht op N-VA, de conservatieve partij die normen en waarden belangrijk vindt en haar geloofwaardigheid als haar hoogste goed beschouwt. Steunt de partij die, tot vreugde van velen en tot weerzin van vele anderen  volgens de peilingen in oktober de machtsverhoudingen omver zal gooien, haar lijsttrekker in Brugge nog? Conflict: je bent voor of tegen Pol, voor of tegen N-VA. Dag na dag werd de zaak in de media warm gehouden, vooral op de openbare omroep, de marktleider en vaak spoortrekker inzake politieke berichtgeving. Het stopte niet meer.

Zo werd het onhoudbaar  voor Pol en zijn gezin, en ook voor N-VA. Ik wed dat het anders gelopen zou zijn indien Pol niet voor VTM maar voor de VRT zou hebben gewerkt, en hij niet de van verkiezingssucces zwangere kandidaat-burgemeester van Brugge voor N-VA zou zijn geweest. De media zijn er door deze nieuwsfactoren in geslaagd om een kandidaat-burgemeester zonder proces of juridische uitspraak, ertoe te brengen af te zien van zijn lijsttrekkerschap, zich terug te trekken van een verkiezingslijst en daarmee te verzaken aan zijn fundamenteel mensenrecht om zich kandidaat te stellen bij vrije, democratische verkiezingen. 

Gelukkig kan Humo die scalp aan zijn gordel hangen zonder dat de zaak moest uitgevochten worden op het publieke forum.     

20-04-12

Van Selge naar Altinkaya

Waar haalden ze het in hun hoofd, de anonieme stichters van Selge in Pisidium, om meer dan tweeduizend jaar geleden hun stad te bouwen op duizend meter hoogte in het Turkse Taurusgebergte? Vandaag resten er van de ooit grootste stad van Pisidium enkel ruïnes, waaronder een nog verbazend goed bewaard amfitheater dat plaats bood aan tienduizend (u leest het goed) toeschouwers.

Selge ligt ten noorden van Manavgat als je de snelweg van Antalya naar Alanya langsheen de Turkse rivièra neemt. Van de snelweg af ligt het nog ongeveer 55 kilometer, steeds dieper en hoger de machtige Taurusbergen in. De weg is goed berijdbaar tot aan de Koprulu Canyon in het gelijknamige natuurpark. Mijn dochter vond het opwindend langs die diep uitgesleten kloof in dit ruige natuurpark, waar de beren nog in het wild leven. Over de canyon ligt een smalle stokoude brug, toegeschreven aan de Romeinen, waar maar één auto tegelijk over kan.  Onze Turkse gids-chauffeur Ahmed drijft zijn Honda de brug over, de bergflank op, hotsend in een diepe put zonder zich om de mogelijke schade aan het voertuig te bekommeren.  Van daar is het nog twaalf kilometer naar Selge, over een weg die steeds moeilijker berijdbaar is, behalve door terreinwagens of voor chauffeurs zonder aanziens des wagens. Zoals de onze, die de opdracht van zijn baas uitvoerde met een huurwagen.

Tienduizend toeschouwers

De ruïnes van Selge zijn nauwelijks herkenbaar, op het indrukwekkende theater na dat als een reusachtig hoefijzer op de vlakte tussen de heuvels is gekwakt. De 45 rijen zitplaatsen kan je helemaal tot bovenaan beklimmen. De oude scènemuur is helemaal tot puin vervallen, naar verluidt door een blikseminslag een eeuw of wat geleden.

Zoals alle schaarse bezoekers voor de nog onontgonnen archeologische site krijgen we meteen het gezelschap van enkele oudere vrouwen, behulpzaam in het duiden van de ruïnes en hun eigen armtierige bestaan op een berg ver van de beschaafde wereld. Naast de halskettingen die we ook al in de bazars van het kustplaatsje Belek hadden gezien, verkopen ze producten van hun huisvlijt, zoals schamele houten lepels, met indruk wekkende argumenten die een beroep doen op het medelijden.

Het dorpje Altinkaya heeft zich op de brokstukken van Selge genesteld met een vooral primaire economie van zelfredzaamheid: een koe, enkele geiten, wat lapjes bewerkte grond en een stel schriele kippen. Een behulpzame vrouw die ik een stuk in de vijftig schat stelt zichzelf voor als Fatima, moeder van twee kinderen, waarvan er nu eentje op de universiteit van Izmir zit. Ze beweert dat Altinkaya duizend inwoners telt, onder wie ongeveer 300 kinderen. Ze wijst naar een vuil gebouw van twee verdiepingen dat op een reuzenschoendoos lijkt. De roze verf bladdert, de rode Turkse vlag wappert.  Ik heb wat ervaring met te kleine klasjes in het rijke Vlaanderen en bereken snel dat je hier no way 300 leerlingen in krijgt. Het is ook een raadsel waar die 700 andere bewoners zich dan zouden bevinden. Tijdens ons bezoek zien we er hooguit een dertigtal, met ons mee oplopend of rondscharrelend aan krotwoningen her en der verspreid over de Romeinse nalatenschap. Wat kan het nut van die grootspraak zijn, vraag ik me af.

Met wat koeterduits trekt Fatima mijn aandacht op wat ooit het Romeinse stadion was. Het mat 180 op circa 30 meter, zegt ze, en bood plaats aan vijfduizend kijkers. Ik kijk mijn ogen uit, maar zie enkel een lange smalle vlakte met wat men in een welwillende, eufemistische bui zou kunnen omschrijven als enkele volkstuintjes. Bezaaid met teveel oude stenen. Naar het schijnt stonden hier ooit nog tempels voor Zeus en Artemis. En een agora, een zuilengang van meer dan honderd meter, een reusachtige citerne en een aquaduct dat water van de hoger gelegen bergen voerde, een stadsmuur van 3,5 kilometer, met torens om de honderd meter.

Pisidische hoogdagen

Wat een weg heeft deze plaats afgelegd van Selge tot Altinkaya? Het blijft vooral een raadsel. Een snelle strooptocht op het internet legt bloot dat de stichters van Selge wellicht Grieken uit Sparta waren. De lastig toegankelijke stad was moeilijk te veroveren. In de Pisidische hoogdagen zou ze een leger van 20.000 man op de been hebben kunnen brengen, al spreekt een andere bron van 2.000 soldaten. Wat er ook van zij, Selge sloot een vriendschapsverdrag met Alexander de Grote toen die Pisidië bezocht in 333 voor Christus. De stad bezweek een eeuw later pas voor Achaeus na verraad, meldt Wikipedia dan weer, maar ontsnapte aan de vernietiging door een oorlogsschatting te betalen. Paulus heeft Selge wellicht aangedaan op zijn missiereizen en die herinnering houdt de passage van de 600 kilometer lange Sint-Paulus GR nog altijd in ere.  Het was nog een bloeiend plaatsje ten tijde van Hadrianus en Ptolemeus, en weerstond een aanval van de Gothen ergens in de vijfde eeuw.

Van het Byzantijns kerkje op de hoogst omringende heuvel vanwaar God de gelovigen beneden placht te zien en zoals het de Heer past, namelijk te domineren, rest slechts puin. We willen de heuvel toch beklimmen om het gezichtspunt van de Dominus over dit ooit paradijselijke oord te kunnen proeven.  Als we bijna boven zijn, begint het zoetjes te regenen. Onze gids wijst op een naderende wolk en maant ons aan de afdaling aan te vatten. God houdt zijn privileges weer voor zich, sakker ik.

De regen valt in bakken naar beneden als we als bij wonder op een paadje belanden dat naar een afgelegen krotwoning leidt. Vanonder zijn overhangende dak kijkt een oud mannetje ons met verbazing aan. Aan zijn smoezelige grijze broek ontbreken de knopen. Onze gids spreekt hem aan en we mogen mee schuilen. We geven hem een handdruk die hij met links beantwoordt. Verontschuldigend priemt hij naar zijn rechterarm. Daar is iets raars mee aan de hand. Het lijkt of de arm vanaf een extra gewricht ergens tussen de ellenboog en de schouder krachteloos heen en weer bungelt. Het is eigenlijk te krap om met zijn vijven onder het dak uit de regen te blijven. De bejaarde nodigt ons in zijn nederige stulpje uit, mits we onze schoenen uittrekken. Het mannetje wiegelt op kousenvoeten zijn woning in. Beide kousen vertonen grote gaten die zijn smerige hielen blootstellen aan de gezonde lucht.

Kousen met gaten

Ik aarzel om de zes vierkante meter grote kamer waarin we belanden, al te opzichtig te monsteren en ik zie dezelfde reactie bij mijn vrouw en dochter. De kamer is geheel bedekt met een zacht tapijt. Aan twee tegenoverliggende wanden liggen groezelige dekbedden opgerold. Het mannetje gaat op zijn achterste zitten, onhandig omdat hij maar één arm kan gebruiken.  Een klein kacheltje en een wandrek met blikken eetgerei zijn de enige meubelen in de ruimte. Onze gids start een gesprek in het Turks en vertelt ons dat de man in deze kamer woont met zijn vrouw en zijn dertigjarige dochter. Die zijn in de bergen de koe aan het hoeden.

Wat heeft hij aan zijn arm, vraagt mijn vrouw.  Hij is uit een boom gevallen, vertaalt Ahmed. Onze gastheer brak daarbij zijn arm. Hij heeft lang in het ziekenhuis gelegen. Maar de dokters kregen de breuk niet meer genezen, omdat hij al te oud is. Er bekruipt me twijfel of Ahmed alles wel juist vertaalt. Lijdt hij veel pijn? Ja, de grimas op het gezicht van de ouderling spreekt boekdelen. Het gesprek stokt. Buiten gutst de regen.

Ahmed spreekt de oude man opnieuw aan. Onze gids blijkt gevraagd te hebben of er soms geen schattenjagers in Selge opdagen. Er zit misschien nog wel edel metaal van de Romeinen of latere bewoners van de antieke stad in de bodem. Dat is zo. Soms dagen goudzoekers op met computers en geavanceerde metaaldetectoren. Iets opgraven mag echter zomaar niet van de overheid. Dat dit in weerwil daarvan gebeurt, verbaast geen zoogdier dat bekend is met de mens. En het is al meerdere keren voorgevallen dat de dorpelingen in het holst van de nacht wakker schrikken omdat enkele schattenjagers als waren ze special forces op een geheime opdracht, het dorp binnenvallen in jeeps met zoeklichten, op een hun vooraf al gekende plaats beginnen graven en beladen met de buit die ze zochten terug verdwijnen zonder sporen na te laten.  Omdat heel Selge vol stenen ligt, gebruiken de hit-and-run-rovers volgens de opa zelfs zware graafwerktuigen en drilboren.

De zon priemt door de wolken. Tijd om te gaan. Kunnen we onze vriendelijke gastheer niet met iets plezier doen, vraagt mijn vrouw aan Ahmed. Geld, of misschien een croissant? Ze haalt een plastic zakje croissants uit de rugzak, die ochtend bij elkaar heb getjoept op het royale ontbijtbuffet van ons all in-hotel. Ja, dat wil opa wel. Gretig grijpt hij het zakje beet en koestert het als een schat. Daar gaat mijn lunchpakket. Mijn dochter oppert of we van de oude man geen foto mogen maken. Hij heeft geen bezwaar. Ga er maar naast zitten, zeg ik tegen mijn dochter. Zonder aarzelen gaat ze zitten, de oude man slaat meteen zijn goede arm om haar hals.

Heet café

Vooraleer de terugtocht naar Belek aan te vatten besluiten we nog iets te drinken in het café van het dorp, op het pleintje voor de school. Onderweg worden we opgeschrikt door de oproep voor het gebed die plots uit de luidsprekers aan de minaret schalt. Kip noch kraai lijken gehaast te gaan bidden. Wie buiten is doet gewoon verder waarmee hij bezig was. De onzichtbare imam had zich de moeite wel kunnen besparen.

Het terras van het café is een beetje te fris, vinden wij. Maar het café lijkt niets meer dan dit terras en een piepklein winkeltje te omvatten. We mogen gelukkig het ernaast gelegen privévertrek van de kastelein binnen, opnieuw schoenen uit eerst. Deze keer geen ontblote hielen. Binnen slaat een geweldige hitte op ons neer, afkomstig van een gloeiende houtkachel. Alweer zo’n met tapijten belegde ruimte, maar hier liggen toch twee dunne matrasjes. Op één ervan ligt een gerimpelde vrouw. Ze ontwaakt dwaas van onze blijde inkomst. In de kamer staat alleen een ladenkastje met een joekel van een televisie op, en enkele foto’s. De vrouw is 85 jaar oud, ze brengt de dag soezend en wakend door om haar zware hoofdpijn te bezweren. De dokter kan haar wel pijnstillers voorschrijven, legt Achmed uit, maar die wil ze niet. En daarbij, weet  Achmed, het is ook niet gezond om voortdurend pilletjes te moeten slikken.

De theepot wordt op de stoof gezet. In afwachting voert Ahmed een geanimeerd gesprek met de cafébaas. Af en toe vertaalt hij wat. De cafébaas laat een foto van op het kastje aan Ahmed zien. Hij kijkt uit naar het trouwfeest van zijn zoon, die geëmigreerd is naar Duitsland en die hij in de zomer gaat bezoeken, als God het wil. Ahmed en de man hebben plots heel wat te bepraten. Ook Ahmed heeft in Duitsland gewoond. Vijftien jaar heeft hij er gewerkt, hij krijgt zelfs een Duits pensioen hoewel hij in Turkije nog lang niet denkt aan stoppen met werken. Na de scheiding van zijn vrouw is Ahmed teruggekeerd naar zijn vaderland, wereldwijs, een kenner van de Duitse taal en zeden, onmisbare eigenschappen voor wie het in de toeristische sector aan de Turkse rivièra wil maken. Ahmed heeft in Duitsland drie tienerjongens achtergelaten van 15, 16 en 17 jaar die bij zijn ex-vrouw leven. Het is zeven jaar geleden dat hij hen gezien heeft. Maar misschien komen ze wel deze zomer, hoopt hij. In afwachting is er gelukkig facebook. Dat geluk valt het café van Altinkaya niet te beurt.

De baas klaagt over het teruglopend aantal toeristen dat Selge bezoekt. De boosdoener zijn de rafting-programma’s die tal van reisbureaus organiseren aan de Koprulu-canyon. Ze hebben voor de avontuurlijk aangelegde toerist een moeilijk te weerstaan aanbod:  je wordt opgehaald aan je hotel en over een afstand van Antalya tot Side naar de canyon in het natuurpark gevoerd. Daar krijg je al het nodige materiaal om de rivier veilig af te dalen in stevige rubberboten. Een lunch ’s middags is inbegrepen, net als een verzekering en desgewenst een zwempartijtje. ’s Avonds word je terug aan je hotel afgezet. En dat allemaal voor 20 euro. Het is een succesformule die voor trafiek zorgt langs de canyon, avontuur op het bulderende water en verteer in de restaurants, picknickplaatsen en winkeltjes die aan de canyon de jongste jaren zijn opgeschoten, want de drankjes zijn niet inbegrepen. In het rafting-pakket zit evenmin een bezoek aan Selge. En de ondervinding van de cafébaas leert dat toeristen die de canyon per boot zijn afgedaald, tijdens hun vakantie niet opnieuw het park intrekken voor een bezoek aan Selge. Als ze Romeinse ruïnes en amfitheaters willen zien, lijkt de site van het beter bewaarde Aspendos in de kustvlakte voor het Taurusgebergte daarentegen wel de nieuwste hit. Ook al is de toegang in tegenstelling tot Selge betalend.

Toch hebben wij hier van een unieke ervaring genoten, zeg ik tegen Ahmed. Een ware cultuurschok was het, nu ik er wat langer over heb nagedacht. Niet enkel omdat het onvoorstelbaar is dat hier op deze onherbergzame hoogte meer dan tweeduizend jaar geleden een stad heeft gebloeid.  Ik kan er nog altijd moeilijk bij dat het ruïneuze amfitheater met een capaciteit van tienduizend toeschouwers vaker moet zijn volgelopen voor cultureel hoogstaande voorstellingen dan het oud is. En daar bovenop kwam Altinkaya, waar de tijd is blijven stilstaan. Het is niet meer de Byzantijnse God die neerkijkt op de kudde, maar Allah die vanop de minaret zijn gelovigen aan hun plichten herinnert.  De mensen die hier wonen en hier willen blijven leven, overleven in stille afwachting van hun sterven.  

Ik denk dat de confrontatie met Altinkaya ook Ahmed even van zijn stuk heeft gebracht. Dat het land en de streek in volle opbouw waarin hij zijn brood verdient, achter de kustlijn bulkt van de achtergebleven gebieden is natuurlijk geen geheim.  Maar Ahmed is bezeten van die vooruitgang, droomt ervan zijn zaak verder uit te bouwen, zijn levensstandaard te verhogen, aan de toekomst te werken, ook voor zijn zonen. Hoog in de bergen kwam hij een ander gezicht van Turkije tegen, niet omdat het arm is, maar omdat het zucht, lijdt en wacht op de dood. Al waren er ook daar lichtpuntjes van herkenning: een zoon studeert in Izmir, de hoop om succesrijke geëmigreerde kinderen in Duitsland te kunnen bezoeken doet oude ogen twinkelen.

Ik daal de berg af, spijtig dat ik die nutteloze houten lepel van Fatima niet gekocht heb, een simpel artisanaal gebruiksvoorwerp dat van Selge tot Altinkaya niet is veranderd.       

19-04-12

DS maakt mijn dag

De Standaard heeft vandaag mijn dag weer eens een heerlijke start gegeven. Een greep uit de krant. Om te beginnen het Moment!  van Bart Dobbelaere, dat ik al niet vaak oversla maar me vandaag als erg herkenbaar treft omdat ik ook tot de kwijnende groep jongens hoor die nog man werden in het leger. Verderop schrijft Veerle Beel opnieuw een schitterende aflevering van Tussen twee huizen, haar reeks over kinderen van gescheiden ouders.  Hoe ze zich inleeft in het wereldje van de 9-jarige Vic, voor wie ‘het niet zo tof is’, mooi om lezen.

Op de opiniepagina’s een gelid van ijzersterke columnisten. Twee van hen hebben het over de stad waar ik werk, waar ik me vaak erger maar waarvan ik hou: Brussel. Luckas Van der Taelen vertelt hoe een Waalse televisiemaker allerlei drek over zich krijgt, vooral van PS-kopstuk Philippe Moureaux en ULB-docent Souhail Chichah, omdat hij een islamofobe reportage zou hebben gemaakt. De ULB-docent bestond het op te roepen tot een betoging van antiracisten voor de poorten van de RTBf. Hij richtte een facebookgroep op, met de naam van de journalist en de toevoeging Légion Wallonne, waarin hij de journalist ‘de zoon van Degrelle’ noemt en hem afbeeldt als Hitler.

Het doet me denken aan het ontslag van die chirurg van het Universitair Ziekenhuis in Brussel, omdat hij in een woedende uitval een joodse assistent neonazistische beledigingen naar het hoofd slingerde. De VUB vond dat dit niet strookte met haar kernwaarden. Ik ben eens benieuwd of de ULB in de strapatsen van haar docent ook een probleem zal zien met diezelfde kernwaarden. 

Wat verder geeft Béatrice Delvaux  ook commentaar op de zaak, in een column met de zware titel Brussel, sociale bom. Mijn respect voor de gewezen hoofdredacteur van Le Soir neemt toe, omdat ze de problemen in Brussel van langsom minder wegmoffelt en er oprecht bewogen over schrijft. Zoals vandaag:  ‘Helaas zijn Franstalige politici in Brussel te vaak geneigd om te minimaliseren, problemen onder de mat te vegen en mensen die lastige vragen stellen, van naïviteit te beschuldigen of te verwijten dat ze de Vlamingen in de kaart spelen. Dat is idioot en vooral onverantwoordelijk.’ Zelden hoor je zoiets van Franstaligen.

En tot slot is er Rik Torfs. Van mijn katholieke opvoeding heb ik onthouden dat je ijdele mensen niet te vaak mag strelen, maar hier toch mijn hoed af voor die intelligente ironie in zijn column Zero tolerance. Ik kan natuurlijk niet alles citeren, maar deze mooie (liberale) zinnen vond ik erg treffend: ‘Ik geloof eerder in de vrijheid dan in de wet. De wet is er om de vrijheid te beschermen, niet om haar te beperken. Als die voorwaarde is vervuld, kunnen we over nultolerantie spreken. Dan is ze wat ze hoort te zijn, een noodzakelijk kwaad, geen morele overwinning.’

Dank u, redactie van De Standaard. Jullie zijn vandaag in een krachttoer geslaagd: me tevreden maken dat de trein alweer eens met een kwartier vertraging in Brussel-Centraal arriveerde.

09:56 Gepost door peter in Actualiteit, Algemeen, integratie, media | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook | | |