28-05-12

Bedenkingen bij het gerommel in Open Vld

Je kon er de voorbije dagen niet aan voorbijgaan: het was weer hommeles in Open Vld. De sociale en massamedia stonden er bol van. Mensen, partijgenoten, militanten en kiezers spreken je erover aan. Natuurlijk is niemand opgetogen over een nieuwe opstoot van een oude kwaal. Het is vooral de onvrede met het gerommel die deze dagen in de vele interne vergaderingen overal in de partij, de bovenhand voert.

Op zo’n vergadering die ik deze week bijwoonde konden sommigen hun ongenoegen over het aanhoudende getwist rond de lijstsamenstelling in Antwerpen niet onder stoelen of banken houden. Het geruzie bij de liberalen in de grootste stad van het Vlaams gewest, waar de peilingen voor de verkiezingen van 14 oktober rampzalig zijn, straalt af op de hele partij, waarschuwden ze. Het moet zo snel mogelijk stoppen. Een dag later opende een voormalig vice-premier een nieuw front. Guy Vanhengel, uit onze grootste stad, die tegelijk hoofdstad is van Vlaanderen, België en de EU, stelde via een interview In Knack dat een ploeg die blijft verliezen, best van coach verandert. Hij verwees naar Anderlecht, waar Ariël Jacobs zelf erkende dat hij volgend seizoen niet meer de juiste man op de juiste plaats is en daarom zijn ploeg overlaat aan een nieuwe trainer. “Dat is typisch aan topsport”, zegt de liberale veteraan, “als de resultaten tegenvallen, is er een wissel van trainers. Soms moet een club van coach veranderen.” Hoewel het interview genuanceerd is en veel interessante beschouwingen bevat, zindert alleen die boodschap na. Een kromme boodschap, als je het mij vraagt, want Anderlecht is net kampioen geworden.

Interne concurrentie

Even terug naar Antwerpen. Een deelnemer aan een vergadering, die de gave bezit om de zaken afstandelijk te bekijken, stelde dat de politieke concurrentie binnen elke politieke partij in een grootstad als Antwerpen veel groter en dus heftiger is dan in de meeste andere steden en gemeenten.

Immers, deze stad van een half miljoen inwoners telt 55 gemeenteraadsleden, het wettelijk maximaal toegelaten aantal, en een college van één burgemeester en acht schepenen. Ter vergelijking: de Limburgse gemeente Maasmechelen heeft met ongeveer 37.500 inwoners een gemeenteraad van 33 raadsleden en ook een college van één burgemeester en acht schepenen, dus evenveel als Antwerpen.

Toegegeven, in Maasmechelen zijn er geen districten, met hun eigen colleges en raden. Antwerpen heeft er negen. Het district Deurne telt bijvoorbeeld voor een dikke 70.000 inwoners een districtsraad van 27 leden en een college van een districtsburgemeester en vier districtsschepenen. Maar anderzijds is het politieke gewicht van de districtsorganen natuurlijk onvergelijkbaar met dat van de gemeenteraad. En is het correct te stellen dat wie zijn zinnen heeft gezet op een lokale politieke loopbaan, veel moeilijker aan de bak komt in Antwerpen dan elders.

En Brussel?

En hoe zit het dan in Brussel, vraag ik me af, een nog grotere stad dan Antwerpen? Het valt te zien hoe je meet. De 19 gemeenten van het Brussels hoofdstedelijk gewest samen tellen inderdaad een pak meer inwoners ( 1.119.000 begin 2011 volgens het Brussels Instituut voor Statistiek en Analyse) dan Antwerpen. Als je ze afzonderlijk telt, zijn het er minder. In 2011 telde de stad Brussel bijvoorbeeld 165.000 inwoners, een gemeenteraad van 49 leden een college van 11 leden (inclusief de burgemeester).

Het aantal gemeenteraadsleden en schepenen van de Nederlandstalige taalrol is in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest vrij beperkt, omdat er nu eenmaal meer niet-Nederlandstaligen stemmen in Brussel dan Nederlandstaligen. In die zin is het voor een Vlaamse Brusselaar met politieke ambitie dus ook bijzonder moeilijk om tot de gemeenteraad, laat staan het college van zijn gemeente door te dringen (tenzij je je als meertalig politicus expliciet richt tot meerdere taalgroepen, desnoods vanop een kartellijst of een Franstalige lijst, zoals bijvoorbeeld de perfect tweetalige Brusselse burgemeester Freddy Thielemans van de PS dit doet).

Waarborgen op gewestniveau

De moeilijkere positie van de Vlaamse Brusselaars op lokaal vlak krijgt wel een compensatie in de sterke waarborgen op gewestniveau. In de 89 leden tellende hoofdstedelijke gewestraad mogen ze 17 zetels bezetten, los van het aantal stemmen dat ze halen. En in de Brusselse gewestregering hebben ze, als pendant voor het evenwicht tussen Franstaligen en Vlamingen in de federale regering, een pariteit gekregen die hen twee ministers en een staatssecretaris oplevert. Daarnaast krijgen de Vlaamse Brusselaars ook nog zes gewaarborgde zetels op 124 in het Vlaams Parlement en een gewaarborgde minister in de Vlaamse regering.

Vanzelfsprekend heeft de stad Antwerpen geen gewaarborgde zetels in het Vlaams Parlement of in de Vlaamse regering. De provinciale kieskring Antwerpen (met circa 1,77 miljoen inwoners) heeft in het Vlaams Parlement 33 verkozenen. Ik denk dat er toch zeker tien afkomstig zijn uit de stad Antwerpen. En de Vlaamse regering telt geen leden uit Antwerpen, wel twee uit de provincie Antwerpen (Kris Peeters en Philippe Muyters).

Anders gezegd, de Brusselse Vlamingen hebben een gewaarborgde toegang tot 23 regionale parlementszetels en vier ministerportefeuilles. Op een bevolking van meer dan een miljoen mensen die in de Vlaamse hoofdstad wonen, is dit vergelijkbaar met het aantal Vlaamse parlementszetels in de provincie Antwerpen.

Maar het is zonder Kamer, Senaat, Europees Parlement en de federale regering geteld. En daar valt voor de Vlaamse Brusselaars in de toekomst niet veel meer te rapen. Ze vrezen dat de splitsing van BHV het hen niet meer mogelijk zal maken om nog een parlementslid af te vaardigen naar de kamer (in de veronderstelling dat de huidige rechtstreeks verkozen senaat tegen dan afgeschaft is).

Dat komt omdat er in dat gewest Brussel, zonder Halle-Vilvoorde, nu eenmaal te weinig mensen op Nederlandstalige kandidaten stemmen. En dat is niet enkel voor de Kamer zo. Het Nederlandstalig electoraat schommelt zo rond de 13 procent en daalde in 2009 zelfs tot 10,7%. Dat stemt overeen met ongeveer 50.000 kiezers (let wel: niet inwoners).

Maar je kan, gezien het belang dat de Vlaamse Gemeenschap terecht aan zijn hoofdstad schenkt, nog een ander getal gebruiken om de Vlaamse vertegenwoordiging uit Brussel te verantwoorden: de 300.000 van de Brusselnorm. Vlaanderen engageert zich om in Brussel een beleid uit te stippelen dat 300.000 mensen bereikt (al lukt dit in de praktijk niet overal en op alle relevante beleidsterreinen).

En wat is nu de moraal van het verhaal?

Even samenvatten: overal te lande bereiden mandatarissen en militanten zich voor op de lokale verkiezingen van 14 oktober. Op dat ogenblik komt Open Vld in het nationale nieuws met ruzie in Antwerpen en een weinig constructieve boodschap uit Brussel. Uit Maasmechelen haalden geen liberalen het nationale nieuws (in tegenstelling tot Aalst en Oostende).

In Antwerpen, waar de politici intern in een grote concurrentiestrijd zitten voor de beschikbare portefeuilles met gewicht, draaide het geruzie over de lijstsamenstelling. Het lijkt vooral een ook in sommige andere gemeenten voorkomende interne twist die daar hoogstens het lokale nieuws of het roddelcircuit haalt.

De kritiek uit Brussel, waar er dankzij gewaarborgde zetels tussen de Vlaamse politici minder interne concurrentie bestaat in de strijd om portefeuilles met gewicht, sloeg niet op de lokale of regionale politiek maar op de figuur van de nationale partijvoorzitter en de nationale partijlijn. Die kritiek lijkt, althans voor zover dat vanop afstand kan worden beoordeeld, minder door persoonlijke belangen ingegeven en de criticus lijkt minder contournable.

Andere politieke partijen haalden deze week ook op een ongunstige wijze het nationaal nieuws: enkele compromissen op de valreep konden de stabiele perceptie van ruziënde, verdeelde en besluiteloze coalitiepartners in Peeters II niet doen wankelen. Verder was er even kritiek op de lokale machtsconcentratie in de handen van een vice-premier, al leidde de hoofdredacteur van de VRT-nieuwsdienst die snel af naar een discussie over de journalistieke deontologie op zijn eigen redactie, dus over zijn eigen vakbekwaamheid.

Maar over de lijstsamenstelling noch over de partijkoers, uit Antwerpen, uit Brussel, noch uit andere gemeenten, kwamen andere partijen dan Open Vld de voorbije week in het nationale nieuws. Kortom, wanneer er verkiezingen in aantocht zijn, is individualisme niet de verstandigste grondslag voor het politiek handelen.

15-05-12

Verplichte euthanasie op moederdag

Moederdag vieren. Duizenden families hebben zich er het voorbije weekend mee geamuseerd. Ongetwijfeld kruidden tal van politieke en maatschappelijke discussies de met taart of ander lekkers gevulde tafels. In mijn familiekring werd een proefballonnetje opgeworpen dat ver van politiek correct was.  Hieronder een verslag. Met een voorafgaande opmerking: omdat ook de toenemende inbreuken op onze privacy in de digitale samenleving even onderwerp van gesprek waren, laat ik de namen van mijn familieleden in het ongewisse.

De aanloop

Iemand haalt een interview met Christine Van Broeckhoven in De Standaard aan. Onze veel gelauwerde Alzheimerspecialiste mag in New York weer een prestigieuze prijs voor haar onderzoek in ontvangst nemen. Enkele disgenoten weiden uit over de achteruitgang van het geheugen die ze tegenwoordig zelf aan den lijve ondervinden.

Inspirerend voor het verdere verloop van het gesprek was echter de uitsmijter van Van Broeckhoven, in de allerlaatste alinea van het interview: Van mij mag de euthanasiewet zelfs uitgebreid worden naar mensen die niet terminaal ziek zijn, maar gewoon vinden dat ze genoeg geleefd hebben. Ook dan heb je recht op die keuze. Want dat vergeten we soms: de zelfmoordcijfers bij oude mensen liggen in ons land bijzonder hoog.

Van de stelling dat veel mensen, bejaard tot hoogbejaard, vinden dat ze lang genoeg geleefd hebben, hoef je onze familie al lang niet meer te overtuigen.  Enkele opgepoetste familieverhalen illustreren dit. Telkens ik bij mijn oma kwam, vroeg ze memeisje heb je me geen koord”, vertelt de jongste schoonzus. Opa en oma hadden toch ook pilletjes liggen die de ene zou innemen als de andere zou sterven, herinnert mama ons aan de laatste dagen van onze grootouders. Mijn moeder zucht ook vaak dat ze wel een pilletje zou willen, vult een schoondochter aan. In Zwitserland bestaat al een kliniek waar je terechtkunt voor vrijwillige euthanasie, toont een van de slimste generalisten rond de tafel zich toeschietelijk.

De steen in de kikkerpoel

En dan werpt een ander familielid de steen in de kikkerpoel:  waarom zou het niet verplicht worden dat mensen op hun 85ste zo’n pilletje moeten nemen?  Verplichte euthanasie op je 85ste dus. Enkele monden vallen open.  Dat is wel erg drastisch. Dat kan je toch niet maken?  klinkt het meerstemmig.  Toch wel, meent ons het meest in staatshuishoudkunde beslagen familielid, die van jongsaf aan al moeilijk af te brengen was van een impulsief uitgesproken en niet steeds doordacht gedacht. Een karaktertrek waarmee hij overigens in de familie geen uitzondering is, geef ik even te zijner verdediging mee.

Zijn argumenten zijn economisch:  we worden met steeds meer mensen alsmaar ouder, door onze hoge levensstandaard en betere gezondheidszorg.  We gaan met pensioen na veertig jaar werken, en velen zelfs vroeger. Dat betekent dat we opschuiven naar het punt waarop we even lang werken als we gepensioneerd zijn, ergo, op kosten van de staat leven, meer zorg-, dokter-  en hulpbehoevend. Zo’n toestand blijft niet betaalbaar.  Vijfentachtig vindt hij een mooie leeftijd om te gaan.  Wie zou er op jonge leeftijd immers niet voor tekenen om 85 te kunnen worden, werpt hij in het midden.  Dan heb je na 40 jaar werken nog een dikke 20 jaar pensioen te goed. Zijn “systeem” heeft het voordeel van de duidelijkheid, meent hij, en van de gelijkheid, en van de rechtvaardigheid: voor iedereen komt het einde op 85, iedereen heeft hetzelfde perspectief, krijgt de gelegenheid op passende wijze afscheid te nemen.  Het kan zelfs een afscheidsfeest worden, voegt hij er nog aan toe. Allé ik heb dus nog iets meer dan tien jaar , breekt mama de ban.

Vragen, vragen

De franke stelling roept vele vragen op, indringende en oppervlakkige, praktische en filosofisch-ideologische. Hoe verandert het leven van mensen als je op voorhand weet wanneer het ten laatste afgelopen is? Is het wel ethisch verantwoord mensen massaal fataal af te schrijven als een perte totale? Vanuit humanitair en humanistisch oogpunt is zo’n maatregel toch een achteruitgang in plaats van een vooruitgang? Gelijkheid en rechtvaardigheid, daar is iets voor te zeggen, maar wat met de individuele vrijheid? Moeten ook mensen die nog kerngezond en levenslustig zijn, het harakiripilletje nemen (lap, daar geeft iemand de verplichte euthanasie al een naam)?  

Kan je onder bepaalde voorwaarden vrijstelling bekomen? Zo ja, wie beslist daarover? Zullen we geen steuncomités of gemediatiseerde cases krijgen voor een lieve oma of onmisbare opa? Ja, zoals de voorbije weken voor Scott Manyo? Hoe garandeer je dat niemand eraan ontsnapt? Waarom wel 85-plussers in aanmerking nemen en niet andere niet meer productieven, zoals zwaar fysiek of mentaal gehandicapten? Hoe kan een verplichte euthanasie efficiënt en praktisch worden georganiseerd? Moeten we misschien verzamelpunten oprichten? En, transport naar afscheidscentra waar de ouderlingen in groepen kunnen worden geëuthanaseerd? Mag je kiezen op welke manier je leven een einde neemt? Of moet ook dat niet best kostenefficiënt worden georganiseerd? Is gas niet goedkoper dan pilletjes? Stilte.

Zo komt een triviaal tafelgesprek op moederdag via enkele freewheelende geesten dus uit in Auschwitz. Zo bedenken keuvelende familieleden na het overhandigen van een cadeau aan hun oude moeder spelenderwijs een nieuwe misdaad tegen de menselijkheid: de geronticide.  

Wie zoals ik sarcastisch genoeg is om dat neologisme eens te googelen, stuit op meer dan 35.000 hits, inclusief een wikipedia-lemma, facebookpagina en een allesomvattend boek.  

Niets, geen vrolijke wreedheid, is een brainstormende mens vreemd.

11-05-12

De spruiten van Geert Bourgeois stinken niet

De Vlaamse minister van Inburgering Geert Bourgeois ligt onder vuur, zo staat te lezen in de media, met zijn starterskit voor nieuwe volgmigranten. Hij is die deze week gaan voorstellen in Marokko. De kit bevat (volgens de pers) een checklist voor papieren die nodig zijn, een dvd met getuigenissen, een woordenboek en een brochure. Het zijn vooral de vele grappige (volgens sommigen beledigende) zinnetjes en voorbeeldjes over Vlamingen die de pennen doen vloeien.

Heel wat politieke tegenstrevers van Bourgeois of van zijn partij genieten ervan om de minister uit te lachen voor zijn bloemkool met witte saus, zijn paraplu die je hier elke dag nodig kunt hebben of het onverwacht bezoek dat onwelkom is. Tot op zekere hoogte is dat inderdaad allemaal erg vermakelijk. En zelfs integratie-bevorderlijk: het kan nooit kwaad dat de gewoonten, normen en zeden van de Vlamingen (en de nieuwe Vlamingen) door Vlamingen én nieuwe Vlamingen in vraag en ter discussie worden gesteld.

Humor is daarvoor een goede geleider: uiteindelijk gaat het in veel van de in de pers geciteerde voorbeelden om karikaturen van de Vlaming, die het voordeel van de bevattelijkheid genieten en, ja, er zit meestal wel een grond van waarheid in: Vlamingen hebben enkele traditionele groentebereidingen als bloemkool in witte saus (die je lust of niet), een paraplu is zeker de voorbije weken een handig ding en heel wat Vlamingen leven nu eenmaal zeer georganiseerd en planmatig, zodat de bel die onverwacht gaat, in veel gezinnen wel eens gevolgd wordt door een vloek of een zucht.

Sommige reacties op het werkstuk van Bourgeois (of is het van de Koning Boudewijnstichting?) zijn vileiner. Een columnist kon zich niet bedwingen om er een collaboratiefiguur als Verschaeve en het Ubervolk bij te halen. Anderen vinden dat de brochure van de minister wemelt van de vooroordelen, over Vlamingen én over allochtonen. Beschamend, belachelijk, bullshit, koloniaal, stigmatiserend,… het kan niet op.

Mijn wedervaren als medewerker van de voorganger van Bourgeois, Marino Keulen (Open Vld), heeft me geleerd dat het voor een politicus niet eenvoudig is in de communicatie over inburgering en integratie concreet te zijn en tegelijk geen controverse op te roepen. De antwoorden op vragen als wat inburgering en integratie inhouden, met welke verschillen in cultuur vaak ongeletterde volgmigranten uit rurale streken in Vlaanderen zullen worden geconfronteerd, hoe de overheid van nieuwkomers verwacht dat zij omgaan met rechten en plichten, met de regels en de wetten die bij ons van toepassing zijn, wat er nodig is om “het samenleven in diversiteit” in Vlaanderen mogelijk te maken, … geven meestal aanleiding tot discussie en debat.

De vraag of de spruitjes van Geert Bourgeois stinken of niet, is naast de kwestie. Veel relevanter vind ik het vast te stellen dat deze N-VA-minister van Inburgering met zijn starterskit aangeeft óók (net als zijn voorganger) te beseffen dat volgmigratie nog een hele tijd voor een belangrijke instroom zal zorgen, omdat het een mensenrecht is. Maar die volgmigratie kan om twee redenen maar beter wat aan banden worden gelegd.

Alleen: dat is een federale bevoegdheid. Gelukkig rijpt op het federale niveau nu ook bij Franstalige partijen de gedachte dat die poort van volgmigratie best wat dichter wordt gemetst. Omdat massale volgmigratie van laaggeschoolden niet in het belang is van onze Belgische samenleving, die de jongste jaren en via verschillende poorten een sterke instroom van legale en illegale en veelal laaggeschoolde nieuwkomers van buiten en van binnen de EU kent. Die instroom naar steden en dorpen in Vlaanderen, Wallonië en in heel Brussel zorgt voor samenlevingsproblemen in bepaalde wijken en voor uitdagingen op het vlak van capaciteit en financies inzake onderwijs, inburgering, beroepsopleiding, OCMW’s, sociale huisvesting,…

Maar een rem op de huwelijksmigratie is vooral in het belang van de ongeletterde en kansarme aspirant-migranten. Daarom is het positief dat ze tenminste een algemeen (en natuurlijk onvolkomen en zelfs karikaturaal) beeld krijgen van de toekomstige uitdagingen en hindernissen die hen in hun nieuwe thuisland wachten. Een inburgeringsinitiatief in het land van oorsprong zelf, naar Nederlands voorbeeld, ware wellicht beter geweest maar bleek in het huidige institutionele België nog geen haalbare kaart. Vandaar dus maar de starterskit, niet als uitwas van een bekrompen nationalisme, maar als een poging tot realpolitiek die alleszins beter is dan bij de pakken blijven zitten en schimpen.

07-05-12

Ik haat voorkruipers

Af en toe moet een man eens over zijn hart strijken en iets tegen zijn goesting doen. Shoppen met vrouw- en dochterlief bijvoorbeeld, naar Luik. The place to be is daar de Primark. Deze van oorsprong Ierse kledinggigant staat bekend voor hippe spotgoedkope spullen waarvan de kwaliteit wel eens te wensen overlaat. Maar ja, dan koop je het jaar nadien toch gewoon een nieuw t-shirt voor € 3? De Orval die ik, beu geshopt en uitgedroogd eindelijk voor me had staan, kostte meer dan de t-shirts die ik had uitgekozen wegens hun felle kleuren.

Winkelen in die die warme, droge en altijd overvolle Primark is voor mij een beproeving.  Al vind ik het leuk dat je er evenveel Frans, Duits, Nederlands als Limburgs hoort, want Luik is een grensstad en de Primark een magneet die tientallen kilometers ver klanten trekt. Volgens mijn dochter is er maar één Primark in België, en telt Europa, op Ierland en het Verenigd Koninkrijk na, alleen nog vestigingen in Spanje. Ik moet haar corrigeren: inmiddels (eind april) zouden er ook 3 Primarks in Nederland, 5 in Portugal en 7 in Duitsland moeten zijn, zegt de company history op www.primark.co.uk.

Wat ergert me nog aan die winkel waar ik toch nooit met lege handen buiten geraak? Het aanschuiven, voor de pashokjes en voor de kassa’s. Er zijn nochtans 20 kassa’s en ze waren allemaal open. En toch nog dik honderd meter wachtrij, tot diep in de winkel. Maar wat ik echt haat, zijn voorkruipers. Mensen die vinden dat zij, om een of andere reden, ervan verschoond zijn in de file te moeten staan.

Twee jongens die dit proberen te flikken pal achter mij, waardoor ik er eigenlijk geen hinder van ondervind, blaf ik af en beveel ik met mijn kwaadste ogen naar de staart van slang. Ze druipen af, gelukkig maar. Als ik iets nog meer haat dan voorkruipers, is het betrokken geraken in een openbaar conflict. Van de oude Waal die achter me stond en dus wel extra tijd zou verliezen door hun vals spel, verwachtte ik steun. Hij schokschoudert. Tien minuten later zie ik de jongens vijftig meter voor mij in de rij opduiken. Verontwaardigd draai ik me om. Kijk nu, wijs ik de man achter me naar de twee sloebers. ‘Ach’, glimlacht hij filosofisch zoals een Waal dat kan, ‘het is een manier zoals een andere.’

Ik daarentegen verbijt mijn woede en frustratie. Ik heb gelukkig mijn ipad bij en voel de haat tegen voorkruipers langzaam wegebben.  Zouden er toch geen omstandigheden kunnen zijn waarin je iemand voor laat gaan die daar eigenlijk geen recht op heeft? Tja. Een trein die je dreigt te missen? Een afspraak bij de tandarts? Je lief gaan afhalen op de luchthaven? Mmm, voor dringende redenen zou ik misschien wel te vermurwen zijn, als de voorkruiper het tenminste vriendelijk vraagt.

15:44 Gepost door peter in Vrije tijd | Permalink | Commentaren (0) | Tags: primark, luik |  Facebook | | |

04-05-12

Het verdriet van de spaarders-vennoten van Arco

Ten laatste half mei moet de regering Di Rupo haar antwoord bezorgen op de bezwaren van de Europese Commissie tegen de waarborgregeling voor de coöperanten van Arco. Deze regeling beschouwt de Arco-coöperanten als spaarders. Ze kan de overheid tot maximaal anderhalf miljard euro kosten. De zowat 800.000 coöperanten van deze financiële instelling van de christelijke arbeidersbeweging volgen de saga met een bang hartje.

De regeling werd door de federale regering Leterme in 2008 toegestaan maar was meteen controversieel. Volgens sommigen zijn de coöperatieve aandeelhouders van Arco, dat na het failliet van Dexia in vereffening is gegaan, échte aandeelhouders. Dus dienen zij zoals de andere aandeelhouders van de over kop gegane bank hun verlies maar te incasseren. Om dit via juridische weg af te dwingen, stapte bijvoorbeeld de Vlaamse Federatie van Beleggers naar de Raad van State. En de Europese Commissie startte een onderzoek.

Vorige maand kwam Europees Commissaris Joaquin Almunia met zijn bikkelharde kritiek.  Wantrouwen wordt bij veel Arco-spaarders stilaan wanhoop. De Standaard  schreef op 14 april: De Arco-coöperanten moeten beginnen vrezen dat ze hun geld nooit of slechts gedeeltelijk zullen terugzien.

Leterme, meldde de krant verder,  verklaarde dat hij niet verbaasd was door het standpunt van Europa, al verdedigt hij wel de regeringsbeslissing met het argument dat een “run on the bank” moest worden vermeden. De ACW-minister van Financiën, Steven Vanackere, wilde niet veel commentaar kwijt. Al citeerde de krant wel zijn woordvoerder, die slechts woorden van begrip voor de positie van zijn minister aanvoerde: geen gemakkelijke klus, want de commissie heeft een duidelijk antwoord geveld. Bij het ACW kon niemand op enige reactie worden betrapt.  

Worden de Arcopar-spaarders-vennoten, onder wie ikzelf en mijn gezin van vier coöperanten, in de steek gelaten? Daar heeft het veel van weg, al zal het nog een jaar of twee, drie duren vooraleer het doek over Arco helemaal is gevallen. Eerlijk gezegd, ik was verrast te vernemen dat Arco in vereffening ging omwille van de ondergang van Dexia en meer nog, dat die oude Arcopars, waar al jarenlang geen stortingen meer op kunnen worden gedaan,  wel eens volslagen waardeloos zouden kunnen zijn.

Een liberale Arcopar-vennoot?

Eerst een woordje uitleg over hoe een liberaal in deze nest is verzeild. Het woord nest is een sleutelwoord.  In 1963 werd ik als oudste van vier geboren in een katholiek gezin zoals er toen nog zovele waren. Mijn moeder was erg actief in de lokale afdeling van de KAV, de katholieke arbeidersvrouwen. De gouden jaren zestig hebben de arbeidersgezinnen, meestal nog met één kostwinner, welvaart, welzijn en emancipatie gebracht. Ik herinner me de intrede van een reusachtige wasmachine, een diepvries, de kleurentelevisie. Ik voelde me de koning te rijk met een tweedehandse koersfiets, ook al sloeg het stuur altijd scheef, wat het me onmogelijk maakte om zoals Eddy Merckx beide handen in de lucht te steken als ik eens eerst over de streep reed. Er waren ruime sociale voorzieningen die nog openstonden voor de middenklasse, zoals sociale huisvesting of studiebeurzen. Ik heb mijn KUL-diploma aan zo’n beurs te danken.

De hogere levensstandaard van mijn ouders maakte me ook eigenaar van een spaarboekje bij de BAC, de coöperatieve bank van de christelijke arbeidersbeweging. In mijn kinderjaren fietste ik samen met mijn moeder naar Jean, om het nieuwjaarsgeld op het spaarboekje te storten.  Het bankkantoor van Jean was niet meer dan een kast en een tafel in de woonkamer van het rijhuis waar hij woonde. BAC evolueerde nadien wel tot een volbloed bank, Bacob, met zelfs een filiaal in ons dorp.

Tijdens mijn legerdienst had ik een zichtrekening nodig. Daar ontsnapte ik aan de zuil en koos voor de ASLK, omdat die bank letterlijk het meest nabij was. Een nieuwe bankkaap dient zich aan als je een hypothecaire lening moet afsluiten voor de aankoop van een woning. Mijn vader raadde me aan banken te vergelijken. ‘En ga ook eens bij Pieter op de Bacob langs’, zei mijn moeder.

De bank van Pieter won het (commerciële) pleit. Eerlijk gezegd, tot tevredenheid van mezelf en mijn vrouw, want we kenden Pieter en we vertrouwden hem. Mijn vrouw was ook uit een katholiek nest gekropen. Ze had bovendien als monitrice op de jeugdkampen van de CM (Christelijke Mutualiteiten) haar boezemvriendin Geneviève ontmoet, die bij een Bacob-kantoor in de buurt aan de slag was gegaan. Ter attentie van sommige papenvreters die de christelijke arbeidersbeweging verwarren met een broeinest van samenzweringen, nooit deed iemand er moeilijk over dat ik niet van hun gedacht was, zoals heel het dorp aan de verkiezingslijsten had gezien. De rekeningen waarop onze lonen werden gestort, moesten wel verhuizen.

Beste appeltje voor de dorst

Ergens in 1986 was ik in het bezit geraakt van de eerste coöperatieve aandelen, toen nog van Groep C.  Ze werden door Bacob verkocht als een spaarboekje met een hogere opbrengst dan een gewoon spaarboekje en veel voordelen als “coöperateur”, in die tijd voor mij een nieuw woord. Er waren aan dat coöperateurschap wel beperkingen verbonden. Je kan het gespaarde geld niet zomaar wanneer je wil terug afhalen. Je kan ook niet zomaar geld bijstorten. Elk gezinslid kan wel afzonderlijk coöperateur worden. En het dividend is beperkt tot maximaal 6 procent.

Zo lijfden Pieter, en later Veerle en Luc ons hele gezin in bij wat  nu Arco is. Vanuit een naburig Bacob-kantoor verzekerde Geneviève met een doorslaggevend argument dat de Arco’s voor ons de best mogelijke spaaroptie op langere termijn waren: wij hebben ze ook. We zagen de Arcopars als ons appeltje voor de dorst. Bruikbaar als de kinderen zouden verder studeren aan een hogeschool of universiteit. Veiliger dan een belegging in normale aandelen, want aandelen, dat vonden we een te hoog risico. Je kan er meer mee winnen, maar je kan er ook snel je zuurverdiend spaargeld mee verliezen. Wij hadden geen zin om die aandelenkoersen permanent in de gaten te moeten houden.

Concreet bezitten we Arcopar-aandelen van het type C. Of correcter: Arco-boekjes met een jaarlijks “uittreksel uit het vennotenregister”, want de Arcopars zijn geen “fysieke” aandelen. Volgens de website van Arcopar hebben ze een nominale waarden van € 49, is de onderschrijvingsperiode al verstreken sedert begin maart 2001, en kan je maximaal 35 van die aandelen bezitten. Het laatste dividend dat werd uitgekeerd, bedroeg 3% (boekjaar 2010-2011). Volgens het laatste uittreksel (van 1 april 2011, echt waar) is mijn Arco-boekje  € 3.042,36 waard. De Arcopars van mijn vrouw hebben een vergelijkbare waarde, die van de kinderen ongeveer 400 euro minder. Samen ruim € 11.000.

Vertrouwensbreuk

Ik ben kwaad op de leiding van het ACW. Die drong via Arco aan de tafel van Dexia voortdurend aan op zo hoog mogelijke dividenden en stimuleerde zo de waanzinnige risicocultuur die de laatste jaren het handelsmerk van Dexia werd, schreef Johan Van Overtveldt in Knack (25 april). De bittere waarheid zou er wel eens op kunnen uitdraaien dat onder meer de Arco-vertegenwoordigers in Dexia het zuurverdiende zogenaamd veilige spaargeld van de Arco-vennoten hebben weggespeculeerd . Dat deze vennoten stuk voor stuk piepkleine spaarders zijn, grote bedragen kon je immers niet kwijt in Arcopars, maakt het nog erger.

De Arcopar-coöperanten zijn vooral werkmensen die lang geleden via de vakbond ACV, het ziekenfonds CM, de al genoemde KAV of haar mannelijke tegenvoeter KWB, de christelijke gepensioneerdenbond of andere sociaal-christelijke verenigingen in het zakelijk web van de christelijke arbeidersbeweging verstrikt geraakten, of zich welgevallig lieten verstrikken.  Ik veronderstel dat voor deze loyale werkmensen de kortingen en voordelen bij andere zuilorganisaties die ze als Arcopar-vennoot kregen een grotere rol speelden dan bij mijzelf. Ik was al als jongvolwassene een vreemde eend in de beweging geworden en koos mijn lidmaatschappen enkel op grond van objectieve (service, kostprijs en kwaliteit) overwegingen. Op dat van CM na dan, waarvoor de emotionele binding van mijn vrouw als monitrice de doorslag gaf.

Toch voel ik me niet echt een uitzondering. Van die 800.000 coöperanten ben ik zeker niet de enige die in het stemhokje de weg naar de CVP of CD&V verloren is (eerlijk gezegd, ondanks mijn groot respect voor het engagement van vele politici van ACW-signatuur ben ik die ook nooit ingeslagen).

Revanchisme ongepast

Daarom vind ik het revanchisme en de stemmingmakerij tegen de Arco-deal die bij de concurrenten van CD&V vandaag wel eens oprispen, ongepast. Natuurlijk hebben die concurrenten bij stembusslagen, bij sociale conflicten, bij regeringsonderhandelingen of in het bestuur op elk niveau jarenlang moeten sakkeren en opboksen tegen de macht van de vertegenwoordigers van de christelijke arbeidersbeweging.  Ook nu drijft niet enkel in de politiek maar ook in de media de kritiek boven dat de waarborgregeling beklonken is in een sfeer van gekonkelfoes tussen de zuil en zijn ministers in de regering, een deal waarbij de zuil op kosten van de hele samenleving de reddingsboei kreeg voor haar eigen coöperanten. Groepsegoïsme dus.

Op grond van mijn eigen verhaal meen ik dat leedvermaak of wraakgevoelens misplaatst zijn en zelfs tegen het algemeen belang indruisen. De Arcopar-aandeelhouders bezitten die boekjes, zoals hierboven gesteld, al jaren (ikzelf sedert 1986), er kan al jaren niet meer op ingetekend worden (bij mij al niet meer sedert 2001) en de opbrengst is al jaren beperkt tot een opgespaard dividend. Ik denk dat het aantal kiezers van CVP en later van CD&V bij die 800.000 Arco-vennoten jaar na jaar is afgenomen, recht evenredig met de neergang van de Vlaamse christendemocraten in het gehele Vlaamse electoraat.

Wie dus, zoals Jan Jambon (N-VA), bij het bekendraken van de onrustwekkende mare van Almunia uitroept dat dit “goed nieuws is voor de Belgische belastingbetalers” (aangezien ze, indien de commissaris gelijk krijgt, verlost zouden zijn van de waarborg ter waarde van maximaal 1,5 miljard euro), schoffeert waarschijnlijk een flink deel van zijn eigen kiezers.

En er is nog iets: de reden die Leterme aanhaalde om de waarborgregeling toe te staan, een “run on the bank” Dexia vermijden, staat vandaag nog evengoed overeind ten aanzien van haar opvolger, de staatsbank Belfius. Het geschokt vertrouwen van de Arco-vennoten in de Arco-leiding, dus het ACW, zou wel eens kunnen uitmonden in een financiële wraak die Belfius treft. De Arco-coöperanten zouden volgens ramingen immers een kwart van het spaargeld van de gewezen Dexia Bank bezitten.  Zou het goed nieuws zijn voor de belastingbetalers indien de bedrogen Arco-spaarders-coöperanten massaal hun spaarrekeningen bij Belfius opzeggen? Nog altijd vrezen de werknemers van Belfius, die zoals zovelen in de banksector al wat herstructureringen te verwerken hebben gekregen, voor hun job.

Vertrouwen in de instellingen, zoals je bank, is een kostbaar en zeldzaam goed geworden in onze democratische samenleving die in Brussel de Europese keizers van vandaag herbergt.  De vruchtbare grond waarop de Europeanen sinds decennia vaste voet meenden te hebben, is aan het schuiven. Terwijl de wereld in een ijltempo verandert, groeien ook in Vlaanderen het onbehagen en het  wantrouwen. En wijkt het mededogen, zoals de middenklasse uit de sociale woningen. De arbeiders en hun kinderen die zich hebben opgewerkt, geëmancipeerd en ontwikkeld, dankzij een politiek die veelal gegrondvest was op de idealen en de mobilisatiekracht van de christelijke arbeidersbeweging, stellen vast dat de toekomst niet meer lacht en de leiding honteus zwijgt. Welk verhaaltje moeten Pieter, Veerle, Luc en Geneviève vandaag vertellen?