03-07-12

De vernielde hoop van Timboektoe

Wat is er niet allemaal slechter en lelijker geworden sedert 1999! Neem nu Timboektoe.

Deze mythische woestijnstad in Mali is vandaag het slachtoffer van de islamistische groepering Ansar Dine. Met militaire precisie vernielen deze fundamentalistische moslims het karakteristieke culturele erfgoed van Timboektoe. Ansar Dine beweert dat de islamitische wetgeving bepaalt dat graven niet langer mogen zijn dan vijftien centimeter, leer ik uit De Tijd. Daarom maakt Ansar Dine unieke graven en mausolea wat beter met de grond gelijk. Timboektoe is (zoals Brugge) Unesco-werelderfgoed, sedert 1988. En omdat de burgeroorlog die sedert enkele maanden in Mali woedt de behartigers van werelderfgoed zorgen baarde, erkende de Unesco Timboektoe vorige week nog als “bedreigd werelderfgoed”. Het maakte blijkbaar weinig indruk. Of de actie van Unesco zorgde net voor wat meer ijver bij de afbraakwerkers.

Toppunt is dat Timboektoe, vermoedelijk in de 12de eeuw gesticht door de Toearegs, niet enkel een historisch handelsknooppunt en pleisterplaats was voor woestijnkaravanen, maar ook het centrum voor de verspreiding van de islam in Afrika. De stad met zijn typische lemen constructies telt prachtige moskeeën uit de vijftiende en zestiende eeuw en bracht in de zestiende en zeventiende eeuw toonaangevende islamitische geleerden voort.

Wat heeft dit dan te maken met 1999?

In de jaren negentig was het Afrikaanse Mali een baken van hoop in Afrika. Het land was onder de leiding van president Alpha Oumar Konare de motor van een coalitie van zestien West-Afrikaanse landen die ijverden voor ontwapening – de regio was toen vergeven van naar schatting 15 miljoen “kleine wapens” zoals men kalasjnivkovs of FAL-geweren omschrijft. Uit mijn militaire dienst weet ik nog dat je met zo’n Belgische FAL van FN op 200 meter iemands arm los van zijn lijf knalt. Konare sloot een vredesakkoord met opstandige Toearegs in het noorden van Mali, hij stelde een gedragscode in tussen leger en civiele maatschappij in Mali en hij voerde actieve diplomatieke strijd tegen het ronselen van kindsoldaten.

Bij het vredesakkoord met de Toearegs in ’95 werden in Timboektoe in plaats van mausolea en moskeeën nog drieduizend lichte wapens feestelijk in de as gelegd. Dit vreugdevuur werd jarenlang herdacht. Maar vooral met het “Mali-moratorium” sprak Konare tot de verbeelding. Tot in België. Daar was op dat moment een zekere Réginald Moreels als staatssecretaris bevoegd voor Ontwikkelingssamenwerking. Deze merkwaardige man die ik hoogacht, is niet in één zin te portretteren. Laat me volstaan te melden dat de voormalige Arts zonder Grenzen, bezield was van pacifisme, van ontwapening voor ontwikkeling, zoals Konare, die er als president op stond de Belgische staatssecretaris lange tijd in audiëntie te ontvangen.

Voor een blitzbezoek in het kader van dit “Mali-moratorium” trok Moreels einde maart 1999 naar Timboektoe. Met mij als buitenland-journalist van De Standaard in zijn zog. Zoals tientallen ministers en ambassadeurs plantte Moreels in Timboektoe een vredesboom in wat een vredesbos moest worden. Wat zou er nog van overschieten?

Zoals het een westerse messias betaamt, had Moreels een cheque mee van omgerekend een half miljoen euro. Voor projecten die in de praktijk van ontwapening naar ontwikkeling moesten leiden. Welke resultaten zouden die projecten opgeleverd hebben?

De tegenkrachten oorlog en vernieling blijken deze dagen alleszins weer sterker. De hoop op een betere wereld die op het eind van vorige eeuw hoog opflakkerde in La Flamme de la Paix in Timboektoe en bloeide in het vredesbos in de woestijn is gevlucht voor puinhopen, barbarij en kogels van FN-geweren.

De commentaren zijn gesloten.