29-08-12

Kamperen aan de Semois

Niets heerlijkers dan een paar dagen comfortloos kamperen aan de Semois met mijn jongste om de vakantie af te sluiten. In de diepe Ardennen wanen we ons in een buitenland dat helemaal anders is dan het drukke, dichtbevolkte en overgereglementeerde Vlaanderen. Het plekje waar ons gezinnetje van oudsher zijn tentje opslaat, heet Herbeumont, aan de oevers van de Semois. Dwars over de langgerekte kampeerweide beneden in het dal strekt zich van heuvelrug naar heuvelrug een oude bakstenen spoorbrug uit. Vandaag bezorgt ze wandelaars, mountainbikers en joggers ontspanning en drukt ze haar romantische stempel op de camping. Vroeger zorgde de spoorbedding dankzij een kilometerlange tunnel ook nog voor gezellig gegriezel met de kinderen, maar de treinpijp op enkele steenworpen van de brug is al enkele jaren geleden om veiligheidsredenen afgesloten.

De wijde omgeving is ongerepte natuur zoals je die in het vlakke Vlaanderen mist. Op onze langste wandeling dwaalden we er vijftien kilometer in rond en kwamen enkel op het laatste stuk drie mensen tegen, toen de weg al verhard was. Voor een prikje huurden we kajaks waarmee we de rivier afdaalden in het prachtige decor, met af en toe een visser en een reiger die ons nieuwsgierig met brede klapwieken vooropvloog. Waar in Vlaanderen valt  honderd meter verder een rode wouw uit de lucht om naar de flits van een forel te duiken?  Of word je nog koud gepakt zoals aan de barrage aan de Rocher du Chat, die de neus van de kajak diep in de rivier duwt en de bodem van boot en mens onder water zet?

Op de camping leven zoals altijd de meest verscheiden mensen op een kluitje bij elkaar. Opgedeeld per tent, camper of caravan ontsteken ze ’s avonds op een langgerekt rijtje langs de oever hun eigen houtvuur, zonder zich zoals in Vlaanderen zorgen te maken over de CO2-uitstoot. Een groepje jongeren met hanenkammen, piercings en tatoeages  zont, zwemt en feest het weekend door en slaapt zijn roes uit in smijt- en gooitentjes.

Waalse marginalen luieren de dag door, stappen plots in een gammele berlingo en komen terug met blikjes bier en kratjes duvel. Maar pas op voor het cliché: je herkent ze ook in volle concentratie over een spelletje schaak, op het terras van de taverne bij een Orval. Ze hebben een radio waarop alleen rockmuziek van de jaren zeventig te horen is. Ze geloven dat het hun opdracht is dj te spelen voor de hele camping. Af en toe zingen ze uit volle borst mee. Nights in white satin, A whiter shade of pale.

Ook Vlaamse marginalen zijn er vaste klant. Op krukken en met een zaag trekt er een het bos in, zogezegd om sprokkelhout, dat ze wat later aan hun caravan met een elektrische kettingzaag op maat van hun vuurkorf zagen. Zo kunnen ze tot een stuk in de nacht onder de magistrale maar koude Waalse sterrenhemel behaaglijk uno spelen, elk met een lamp op hun hoofd. Van kou rillend in onze oude aldi-slaapzakken horen we hen vloeken en lachen.

Nederlanders slagen er ondanks hun luxueuze uitrusting maar amper in de vlam in hun kampvuur te krijgen. Als ik ’s morgens vroeg zorgelijk naar de wolkenhemel sta te kijken, verzekert onze buur me met zijn Hollandse arrogantie dat de buienradar de hele dag droog weer geeft. Om het te kunnen bewijzen heeft hij zijn ipad in de hand, maar ik ontneem hem zijn glorie door hem voetstoots te geloven. ‘Ik kan wel niet garanderen dat de zon zal schijnen, dat vertelt de buienradar niet’, lacht hij. Als het een kwartier later pijpenstelen regent schuilt superman in zijn caravan.

Regen of geen regen, een jonge Duitser staat de hele dag met heuplaarzen in de Semois ingespannen te vliegvissen, zonder iets te vangen. ‘Het is een passie’, verzekert hij. Een Waals gezin met drie jengelende kinderen denkt dat de hele camping hun terrein is. Af en toe komen hun ouders, welwillend bonjour zeggend, ze terug wegplukken van de kampeertafel achter onze tent. Die staat, toegegeven, uitgerekend aan het meest kindvriendelijke dammetje met de meeste wilde eenden opgesteld.

De gasten vinden de camping van Arno geweldig. Ik ken Arno al zo’n dertien jaar, ongeveer van toen hij met de camping begon. In die tijd kwamen er op zijn camping een vrouw en kinderen bij, een taverne en een frituur en een sanitaire blok die er intussen alweer verloederd bijligt, net als zijn bureau, zijn materiaalhok, de afvalcontainerhoek,... laat het ons voor de welvoeglijkheid hier bij houden. Maar het Nederlands van Arno is over de jaren fel verbeterd terwijl mijn Frans nog is verslechterd.

Als hij ons in zijn jeep met een trailer kajaks erachter naar de vertrekplaats voor de kajakvaart brengt, klaagt Arno steen en been over de toenemende stroom aan Waalse reglementeringen waar hij zich moet naar trachten te schikken. Ik frons. Hij krijgt regelmatig inspectie van de bevoegde Waalse gewestdiensten. Er scheelt altijd wel iets maar wat er dan precies moet veranderen, daar hebben de inspecteurs nooit een concreet antwoord op, zo beweert hij althans. 

‘Stel je voor, nu willen ze dat ik meer groen aanplant. Maar mijn camping ligt te midden van het groen, als je vanuit de diepte van dit dal rond je kijkt zie je niets anders dan bossen, bijna tot aan de hemel.’ Volgende week komt de  inspectie terug langs. Hij moet tegen dan zijn standplaatsen afgebakend hebben met bordjes. ‘Mais je m’en fous’,  klopt hij zich op de borst.  ‘Als ik daarmee begin, verander ik het karakter van mijn camping, met veel doortrekkers en waar de vrijheid regeert.’ Dat is waar, denk ik, met alle voor- en nadelen.

Maar wat als ze je vergunning intrekken, vraag ik hem. ‘Oh, on verra, on verra.’ Hij trekt zijn handrem op omdat er enkele koeien over de weg lopen en toetert hen luid terug de wei in. Als hij mijn vragende blik ziet, lacht hij. ‘Oh ja, mijn rem is kapot en in de garage konden ze hem niet onmiddellijk repareren. Dus rem ik maar met de handrem.’ Wat een vrij land van plantrekkers is dit toch, zo anders dan Vlaanderen en toch zo vertrouwd. 

19:51 Gepost door peter in reizen, Vrije tijd | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook | | |

20-08-12

Rood rockt!

Mijn vrouw leest in de krant meestal de helft die ik oversla en omgekeerd.  Goed gemaakt, inderdaad, De Standaard, want beide geslachten komen gelijk aan hun trekken. Maar zo komt het dat de advertentie voor een actie van Liefmans die mijn echtgenote uit de dikke weekendkrant had geknipt en voor mijn neus heen en weer wapperde terwijl ik in de schaduw net aan het genieten was van het schitterende About a boy van Nick Hornby, me volslagen onbekend voorkwam.

Het was in feite een advertentie voor een facebook-actie voor een gratis Liefmans rocks of zo van de kriekbierbrouwer. Ik haat commerciële facebook-acties. Als je eraan deelneemt, maak je je gewoonlijk onbeschrijfelijk belachelijk vind ik, want dan verschijnt er van alles op je startpagina waarmee je je helemaal niet wil vereenzelvigen.  Ik kan het af en toe niet laten mijn goede vrienden die zich voor zo’n fb-gat hebben laten vangen, virtueel uit te lachen.

Ik leg dat mijn vrouw uit, maar ik wist al op voorhand dat ik hier het onderspit zou delven. Zij zit namelijk niet op facebook (waarvoor ik me dikwijls gelukkig prijs). En ik schrijf dit toch hoewel ik nu al weet dat minstens één van mijn goede fb-vriendinnen haar wel prompt zal melden dat ik weer over haar geblogd heb. Mijn blogs bij mijn vrienden, collega’s en fans kunnen aankondigen, en pas met vertraging bij mijn vrouw, dat is nu eens een voordeel dat facebook mij biedt.

De krantenadvertentie voor een gratis Liefmans vraagt te surfen naar een website en die dan op facebook te liken. Wedden dat dan al mijn vrienden op fb zich een kriek zullen lachen omdat ik me door Liefmans heb laten vangen, probeer ik nog. Moest het nu nog Orval, Omer of Duvel zijn! Maar nee dus. Sinds gisteren prijkt Liefmans on the rocks tot tweemaal toe op mijn startpagina als iets dat ik leuk vind.

Vrienden, niet geloven dus!!!

Om een gratis Liefmans-drankje te krijgen moet je je dan nog naar een drankgelegenheid begeven waar ze Liefmans schenken (en vermits ik geen kriekliefhebber ben, weet ik er zo direct geen), en moet je een codezin tegen de barman roepen, want in een café hoort een barman je anders zelden. En hoe denk je dat die codezin luidt? Rood rocks.

Rood rocks! Kan je je dat voorstellen! En kan je je inbeelden dat ik, die door het leven ga als een blauwe woordvoerder, in het café moet beginnen roepen hoe leuk ik de roden vind om aan een drankje te geraken dat ik eigenlijk van in het begin nooit heb gewild? No way dus. Bovendien wil ik niet ontslagen worden, vandaar deze blog om me alvast bij mijn bazen en hun spionnen op facebook te verontschuldigen voor alle rood rocks-meldingen die nog op mijn startpagina zouden kunnen opduiken.

Maar bij nader toezien, wat een oenen zijn dat toch bij Liefmans? Wie haalt het nu in zijn hoofd om zo politiek kleur te bekennen?  En dan nog tijdens Pukkelpop, waar niet enkel een overdosis hete zon het publiek martelde, maar ook een hoop roden, aangevoerd door Chokri, Lieten en Hilde Claes, die van alle beschikbare schermen in koele huiskamers misbruik maken om te doen alsof ze cool zijn door in die hitte op een wei in Hasselt rond te struinen.

Tenslotte, het verbaast me met de dag minder en minder dat facebook het op de beurs zo slecht doet.

16:20 Gepost door peter in literatuur, media, Muziek, Vrije tijd | Permalink | Commentaren (0) | Tags: liefmans, pukkelpop, facebook |  Facebook | | |

18-08-12

De plage of de plas?

Een samenloop van omstandigheden bracht ons de voorbije dagen zowel in Hofstade Plage als de Plas van Rotselaar. Deze zwemgelegenheden hebben tegenwoordig andere namen maar ik hou eraan de namen uit mijn jeugd in ere te houden. Vandaag kom je er niet meer gratis binnen, tenzij je inwoner bent van de gemeente of andere manieren weet om de ingangsprijs van 5 euro te ontlopen. In Hofstade vragen ijverige medewerkers van Securitas aan de strandingang zelfs je identiteitskaart. ‘Ga maar door’, zei de Securitas-agent, ‘ik zie ze al zitten’, toen ik mijn portefeuille opensloeg. Het gaf me een ongemakkelijk gevoel. Ofwel controleer je, en dan controleer je iedereen, ofwel controleer je niet. Vóór mij mochten allochtonen niet zo makkelijk door. Op de plage hoorden we veel Frans, Arabische en Slavische klanken, opvallend meer dan aan de Plas.

Hofstade was zover mijn herinnering reikt een badplaats die veel weg had van de zee en een meer waarrond we vader en moeder en vaak zelfs ook nonkels en tantes met neefjes en nichtjes moesten uitlaten vooraleer we naar de speeltuin mochten of in het zand en water mochten spelen. Hofstade had vroeger een luxueus openluchtzwembad, vandaag een parkkanker. Ik heb daar nog in gezwommen, vertelde ik mijn dochter. Toen ik een jaar of tien was fietsten we er die kleine tien kilometer met de welpen heen, zoals we ’s winters ook naar de schaatsbaan van Heist-op-den-Berg fietsten. Voor de scouts van tegenwoordig lijken dat onoverbrugbare afstanden, tenzij met oudervervoer.

Van onder de parasol op de plage, veilig achter mijn zonnebrilglazen tuurde ik dromerig naar de mooie, jonge meisjes in bikini, toen me een kinderherinnering te binnen schoot. Het viel in die zwoele jaren zeventig al voor dat meisjes op een badhanddoek lagen te zonnebaden langs dat luxueus openluchtzwembad van Hofstade, met een  half oog gericht op de jonge mannenlijven die hen vanop de duiktoren trachtten te imponeren. Een van de welpen, ik ben zijn naam vergeten,  had in het zwembadwater een verdronken muis opgevist. Het kadavertje was al wat heen en weer gevlogen, tot onze leider Baloe, hij moet toen een universiteitsstudent zijn geweest realiseer ik me vandaag, de horde tot de orde riep. Hij fluisterde ons in twee mooie meisjes op hun handdoek te besluipen en de muis op hun zachtgebruinde ruggetje te deponeren. Baloe was in die tijd wel voor meer van die geweldige geintjes te vinden. Als jurist maakte hij later carrière in de bankwereld, maar ik hoorde enkele jaren terug dat hij, ontevreden over zijn bedroevend soortelijk geluk in die sector, Europa aan het rondstruinen was als vrachtwagenchauffeur. Respect. Voor een scout loert het avontuur overal maar zelden in een kantoor.

Mijn eerste herinneringen aan de Plas van Rotselaar zijn wat jonger. Het meer van het buurdorpje van het wereldberoemde Werchter werd geschapen in de lang vervlogen tijd dat in Vlaanderen nog grote infrastructuurwerken werden uitgevoerd, zoals de bouw van een autoweg van Brussel via Leuven naar het verre Limburg. Het meer lag er op zekere dag en niemand deed er aanvankelijk iets mee. Er was geen strand die naam waardig, er lag enkel een pad rond.

Dat pad maakte het mogelijk met een eendagslief de eenzaamheid van de verre oevers te gaan opzoeken voor een privé zwempartijtje en wat gefriemel op het zachte gras tussen de rietkragen. Of ’s nachts te gaan skinny dippen, een kampvuur aan te steken en een bachanaal aan te richten waar niemand nog van wakker lag. Vandaag moet je een fles rosé voorbij de toegangscontrole smokkelen want alcohol is verboden in de afgebakende zwemzone.  Ik kan het de bewakers maar eerlijk bekennen: zelfs autochtone veertigers schrikken daar tegenwoordig niet voor terug. Maar je kan nu wel echt naar het toilet, echt douchen, echt een ijsje eten of buiten de strandzone een terrasje doen waar je dan wel een biertje mag drinken. En als je dreigt te verdrinken mag je hopen dat een echte redder je opvist voor je een kadaver bent. Binnen de werkuren weliswaar.

19:10 Gepost door peter | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook | | |

07-08-12

Vannacht kwam Raf langs…

Vannacht kwam Raf langs. Het was ergens in een café zonder naam waar ik aan het praten was met mensen die er niet toe doen. Ik herkende hem al van ver aan zijn manier van gaan. Hij zag me zitten en hij stak zijn hand op. Ik sprong recht en liep op hem af. Ik viel hem in de armen. ‘Raf, hoe is dit mogelijk?’

 

Meer dan dertig jaar geleden leerde ik Raf kennen bij de scouts. Hij liep al lang in de groep rond, maar omdat hij enkele jaren jonger was dan mij, had ik niet zoveel contact met hem. Dat veranderde toen we samen leiding gaven aan de welpen. Ik zie hem nog altijd slungelachtig komen aanwandelen, de linkerhand in zijn broekzak, in zijn rechter een sigaret, met die verlegen, verontschuldigende lach op zijn gezicht. Zou het kunnen dat hij te laat was?

 

We beleefden heerlijke jaren. Maar hij ergerde me ook af en toe: ik kon niet altijd op hem rekenen, hij kwam vaak te laat, daagde soms al eens niet op, en gsm’s bestonden nog niet. Pas veel later vertelde hij me over de nesten waarin hij in die periode, ver buiten de veilige haven van de scouts, verzeild was. Ik ben blij dat ik Raf niet heb losgelaten, dat ik probeerde om hem bij de groep te houden, bij mij, ook de vele jaren na het passeren van het warme scoutsstation. Want ergens wist ik dat er op Raf natuurlijk wel te rekenen valt. En ik kreeg gelijk. Hij is uitgegroeid tot een steunpilaar voor de welpen. En in zijn verdere leven voor zoveel mensen. Ook voor mij.

 

We hadden bij de welpen een jaar lang een gehandicapte jongen, Jeroen. Hij kon amper lopen en zat in een driewieler. Hoe betrek je zo’n jongen in een dagtocht? Hoe laat je hem mee genieten van een bosspel? Hoe zorg je ervoor dat de andere jongens hem niet altijd zien als het lastpak dat de groep hindert of ophoudt? Hoe breng je de andere jongens ertoe ook voor hem respect en af en toe eens bewondering op te brengen? Dat was allemaal niet zo evident.

 

We zagen het als een grote uitdaging om het toch te proberen. Het was vooral Raf die daar zijn schouders onder zette. Om te beginnen letterlijk. Kilometers lang heeft hij Jeroen op zijn rug gedragen. Hij nam Jeroen bij zich op een post, hij bedacht opdrachtjes die ook Jeroen een aandeel in het spel gaven, hij zorgde ervoor dat Jeroen hardop mee joelde als zijn ploeg won, en dat hij mee kwaad en ontgoocheld was omdat zijn ploeg verloor.  

 

We namen Jeroen mee op kerstweekend naar de Kluis in Sint-Joris-Weert. Het sneeuwde en het was bar koud. Ik zie Jeroen nog zitten rillen op Rafs rug, diep ingeduffeld met zijn muts aan, zijn sjaal, zijn wanten, zijn dikke trui, zijn winterjas. Jeroen rilde voortdurend van de kou. Maar hij rilde ook van geluk. Jeroens mama stuurde ons na het kerstweekend een ontroerend dankuwelkaartje. Raf ontving van Jeroen zelf een briefje waarin hij schreef hoe leuk hij het bij de welpen vond.

 

Ergens vorig jaar liep ik Jeroens jongere broer Michiel op het lijf. Hij zei dat Jeroen het goed maakt in de instelling, want zijn handicap maakt het niet mogelijk om zelfstandig te leven. En dan vroeg Michiel me hoe het met Raf was, en hij vertelde dat Jeroen het nog vaak over Raf had en over zijn tijd bij de welpen, al die jaren geleden. Raf had van Jeroen een echte welp gemaakt onder de welpen. Hij was er in geslaagd Jeroen te laten vergeten wat hem zo anders maakte.

 

Toen ik na 2 jaar naar een andere scoutstak overstapte, werd Raf de Akela van onze welpengroep. Hij was daar fier op en ik ook. Na de scouts bleven we elkaar opzoeken. Sommige jaren zagen we elkaar maar één keer, soms twee keer. Niet meer. De laatste jaren zagen of hoorden we elkaar weer meer. Als het een maand of twee geleden was, begon het te kriebelen. Dan voelden we dat het weer hoog tijd werd om ons een avond en een stuk van de nacht af te zonderen, met onze heilige Bob Dylan op de achtergrond en een fles goede wijn of twee op de voorgrond. We leerden elkaar doorheen die lange jaren de geweldigste boeken kennen. Ik dank het aan Raf dat José Saramago en vooral Mario Vargas Llosa nu al jaren mijn leven verrijken. Van zodra ik Llosa’s laatste boek, De droom van de Ier, uit had, heb ik Raf gesmst dat de Mario zich weer overtroffen heeft.   

 

Wat een bevredigende gesprekken voerden we toch telkens opnieuw. Over onszelf, over onze vele stommiteiten, over de familie en onze naasten, over de wereld en de politiek, over het leven. Raf en ik verschilden enorm: in onze familiale achtergrond, in de milieus waarin we vertoefden, in onze denkbeelden. We waren het dus vaak oneens. Gloeiend, niet alleen over futiliteiten maar over de meest fundamentele levensvragen. Maar op het einde van de avond waren we altijd weer gelukkig omdat we elkaar beter hadden begrepen, zonder dat we het over alles eens moesten zijn. We voelden ons rijker omdat we onszelf dankzij elkaar hadden gerelativeerd. We voelden ons wijzer omdat we onze meningen wat beter konden nuanceren.

 

Zo werd Raf mijn beste vriend terwijl ik toch slechts een klein schuifje in de grote ladenkast van zijn leven was. Een schuifje dat maar af en toe openging. Maar ik durf wedden dat de schuiven van die kast barstensvol mensen zitten die Raf hun beste vriend noemen.

 

‘Alles is toch mogelijk?’, antwoordde Raf gibberend. Maar dat is niet waar. Ik herinner me dat ik dacht, neen, dit kan niet, jij bent toch dood, en dat ik hem dat om een of andere reden niet wilde verklappen. In die levensechte droom waarin Raf me vannacht bezocht, iets langer dan een jaar na zijn plotse dood, stelde hij me aan iemand voor. Een jongen, zo ongeveer van de leeftijd van Jeroen. ‘Dat is mijn zoon’, zei hij fier. Ja, onmiskenbaar, ik herkende de trekken van Raf. In zijn leven heeft Raf nooit een zoon of kinderen gehad. Maar voor de meisjes die met hun moeder bij Raf hebben geleefd, was hij wel een schitterende papa. Dat is zeker waar.

10:14 Gepost door peter | Permalink | Commentaren (5) |  Facebook | | |