12-10-12

Mia en andere weldaden van het feminisme

In Boortmeerbeek stappen ’s ochtends vier dames op de drukke piekuurtrein die van Leuven over Mechelen naar Brussel rijdt. Af en toe zijn ze met vijf, ze werken immers niet allemaal voltijds, of toch niet volgens hetzelfde uurschema. En al wisselt de samenstelling van het kwartet daardoor al eens, ze proberen elke keer bij elkaar te zitten. Ten laatste in het station van Mechelen, waar veel reizigers afstappen vooraleer er nieuwe opstappen, lukt de gezellige vereniging. Soms help ik hen door een plaatsje op te schuiven of zo.

Ze hebben elkaar altijd veel te vertellen. Af en toe vang ik wat op. Zo kom ik aan de weet dat een van hen een weekendje is gaan shoppen in Londen, het bewijs trots aan de voeten. Of ik verneem dat er op het werk van een andere een nieuwe collega is aangeworven, waarmee het lastig opschieten is. Ik leef mee met de jonge moeder, die in paniek schiet als iemand vertelt dat het kleuterschooltje in het dorp bijna vol zit en ze zich realiseert dat het tegenwoordig nodig is om je kind tijdig in te schrijven.

Merkwaardig hoe je op grond van niet meer dan een sporadische, zij het herhaalde blootstelling aan mensen op een trein toch diep kan doordringen in hun levens. En in hun karakters. Want het vrouwenclubje van Boortmeerbeek is diverser dan je zou denken. Het rimpeligste lid heeft een aardige wipneus en een eeuwige glimlach. Ze is altijd rustig, praat stil en luistert met grote empathie. Dan flikkeren haar ogen gretig. Ze roepen de herinnering op aan een aantrekkingskracht die voor praatvaren van mannen vroeger moeilijk te weerstaan moet zijn geweest.

De melkmuil is juf in een Nederlandstalige school in Brussel. Ze draagt haar platinablond haar, dat wegens tijdgebrek ’s morgens geen borstel lijkt te hebben gevoeld, met een eenvoudig elastiekje in een paardenstaart. Ze heeft meestal een nauwsluitende jeansbroek en een blauwe regenjas aan. Ze flipflopt de ene vrolijke anekdote na de andere en lacht schattige kuiltjes in haar wangen.

De derde is ook nog jong en wisselt paardenstaarten af met het haar los. Zij is introverter, een beetje meer het dromerige type dan de spring in ’t veld, met haar donkere melancholische ogen en de iets te forse benen om met succes aan missverkiezingen te kunnen deelnemen.

De vierde is wat molliger geworden met het rijpen naar de middelbare leeftijd. Zij straalt het zelfvertrouwen uit van een vriendelijke directiesecretaresse die er haar hand niet voor omdraait om gendarm te spelen als ze de baas of bazin voor beuzelarijen meent te moeten behoeden. Het is meestal zij die eerst opstapt en bepaalt waar het gezelschap zo dicht mogelijk in elkaars buurt neerstrijkt.

De laatste is ook jonger dan ikzelf. Ze compenseert haar door een dik omlijste rechthoekige bril nog geaccentueerde strenge uiterlijk met frivole laarsjes en stijlvolle mantelpakjes. Ook aan de flair waarmee ze parmantig met haar neus een tikje teveel in de lucht over het perron loopt, zie ik bij haar de ambitie branden van het creatieve en commerciële talent dat dringend hogerop moet.

Het gekwebbel van dit zelfbewuste vrouwelijke treingezelschap stemt me goedgezind, zelfs als ik me stil, met mijn hoofdtelefoon op om door de koffieklets zonder koffie niet afgeleid te worden, blijf verdiepen in de romans die ik tijdens mijn gependel verslind. De weldaden van het feminisme geven ook mannen veel vreugde, besef ik. Dertig jaar geleden telde de vroege piekuurtrein veel minder vrouwvolk.

De eerste vrouw van het gezelschap stapt af in Vilvoorde. En daar doet zich een wijziging in de tableau vivant voor. Er schuift schuchter een muisje van een vrouwtje de wagon in die haar plaats inneemt. De nieuwkomer begroet steevast uitgebreid, overvriendelijk en eerst de vrouw die ik als “directiesecretaresse” heb getypeerd. In het Frans. En dat is het sein waarmee de taal van de gesprekken die voor alle oren in de club zijn bestemd, verandert. Tot het einde van de reis, in Brussel-Noord, waar er nog twee (of drie) afstappen, en uiteindelijk tot Brussel-Centraal, waar de nieuwkomer alleen overblijft met de juf en haar hobbelige kennis van het Frans.

En daarom denk ik aan Mia. De zelfbewuste en feministische grande dame die ik jaren geleden als journalist bij De Standaard heb leren kennen. Niemand zal de kosmopolitische barones, als redactrice en buitenlands correspondente begiftigd met een uitmuntende gave voor het gesproken, geschreven en getoonzet woord en experte op zowat elk internationaal en nationaal terrein dat ze betrad, vandaag nog van N-VA-sympathieën verdenken, wellicht eerder het tegendeel.

Mia Doornaert is fier op haar moedertaal die ze met grote liefde spreekt. Ik zag haar vorige week nog aan het werk in Terzake, waar ze Kathleen Cools terechtwees omdat ze Vlaams verwarde met Nederlands. Mia staat erop Nederlands te spreken in Brussel, vindt het maar logisch dat nieuwkomers in Vlaanderen Nederlands leren en is diep doordrongen van het besef dat de Vlamingen van de Franstaligen in België pas respect voor hun taal zullen krijgen als ze dit ook afdwingen.

Waarom niet beginnen op de trein, dames?

De commentaren zijn gesloten.