28-02-13

Integratiedebat: van blanke vlucht tot gekleurde jobs

Enkele dagen geleden stond in De Morgen een reportage onder de titel Blanken vluchten weg uit Londen. Tussen 2001 en 2011 verlieten ruim 600.000 Londenaren de stad. Vlak voor de jaarwisseling was het nieuws over het Kanaal: op grond van de tienjaarlijkse volkstelling bleek Londen niet langer een meerderheid aan ‘Witte Britten’ te tellen. En daarmee rondde de City als eerste westerse hoofdstad deze kaap, merkte een demograaf in de Financial Times op. Op Brussel na dan, voegde hij daar aan toe, dat als ‘ambassade-hoofdstad’ een speciaal geval is.

Inderdaad, Brussel, of liever, het Brussels hoofdstedelijk gewest, is een speciaal geval. In het Brussels gewest, leert wat opzoekingswerk, is al meer dan 60 procent van de inwoners vreemdeling of van vreemde herkomst (ter vergelijking: in Antwerpen is bijna vier op tien inwoners van vreemde origine, in Gent een kwart). Brussel kent ook een stadsvlucht, zowel van autochtone Belgen als van allochtone inwoners naar de brede randgebieden buiten het stadscarcan, en tegelijk een immigratiegolf die sterker is dan de emigratie. Vreemd genoeg kan ik me het nieuws over het overschrijden van de kaap van 50% niet-witte Belgen in de hoofdstad van ons land niet herinneren. Voor de beleidsverantwoordelijken was het waarschijnlijk zoiets als een drol op het voetpad: wie hem ziet liggen, loopt eromheen. By the way, zoals Boris Johnson, de populaire burgemeester van Londen.

In de Engelse pers die we daar via internet snel eens op screenden, worden verschillende verklaringen gegeven voor de blanke vlucht. Die zijn vergelijkbaar met verklaringen voor stadsvlucht die zich evengoed voordoen in Brussel of in andere westerse (groot)steden: ruimtegebrek, drukte, veiligheid, gezondheid, problemen op de woningmarkt, tekort aan scholen en speelruimte voor de kinderen, etc. Maar uit meer doorgedreven analyse blijkt de stadsvlucht in Londen vooral de autochtone Engelsen in zijn ban te hebben. En dan duikt in linkse middens al snel het woord racisme op.

We zouden het liever met wat meer nuance samenlevingsproblemen noemen. Samenleven in diversiteit vergt kennis en vaardigheden, wederzijds respect en oefening. Van nieuwkomers en geboren en getogen inwoners. Ook in Londen stelt men vast dat dit niet zo evident is. Het Verenigd Koninkrijk heeft nochtans veel meer ervaring met immigratie, net als met het opleggen van zijn wil natuurlijk. Het land heeft ook al veel langer dan ons land regelgeving inzake burgerschap en integratie.

In Vlaanderen wordt, met vallen en opstaan weliswaar, al anderhalf decennium een beleid gevoerd gericht op integratie, het samenleven in diversiteit. Goedbedoeld, onbezoldigd, gegroeid uit een middenveld van geëngageerde vrijwilligers waar zelfs Kris Peeters deze week de lof van zong. Aan die integratie werd later inburgering toegevoegd, hoewel die er eigenlijk aan voorafgaat. Inburgering is er specifiek op gericht om nieuwkomers wegwijs te maken in de samenleving waarin ze zinnens zijn hun toekomst uit te bouwen. Dit beleid ging in Vlaanderen van start in 2003. Voorzichtig, met rechten en pampers.

Vanaf 2006 moésten nieuwkomers in het hele Vlaamse Gewest cursussen gaan volgen, Nederlands en maatschappelijke oriëntatie. Na de rechten volgden de plichten. In het Vlaams Parlement ligt inmiddels alweer een integratiedecreet ter bespreking dat de inburgering en de integratie op elkaar afstemt. Dat hervormingsdecreet kan, als de meerderheid die er voorstander van is de stap ook effectief durft te zetten, misschien ook echte tests en een grotere kennis van het Nederlands opleggen aan nieuwkomers. Na de rechten en de plichten moeten er straks ook resultaten zijn.

De ingewikkelde Belgische staatsstructuur en Franstalige politieke onwil hebben onze meest diverse en enige kosmopolitische grootstad Brussel een achterstand van vele jaren bezorgd inzake integratie en inburgering. Vanuit de Vlaamse gemeenschap kan de verplichte inburgering in het Brussels hoofdstedelijk gebied niet worden ingevoerd. Zelfs het Vlaams beleid bestaat er nog slechts uit rechten. En dit werd en wordt vaak vanuit de stadhuizen van de 19 Brusselse gemeenten tegengewerkt. Vanuit de Franse gemeenschap, die daartoe de Franstalige gemeenschapscommissie in Brussel (Cocof) machtigde, wordt er geen met Vlaanderen vergelijkbaar integratie- en inburgeringsbeleid gevoerd.

Maar sinds kort lijken aan Franstalige zijde de geesten voor een verplichte inburgering toch te rijpen. Halverwege vorig jaar meldde De Standaard (18/6/2012) dat de Franstaligen in Brussel bereid zijn met de Vlamingen afspraken te maken over de integratie van migranten. Open Vld en CDH dachten daar een Brussels kader voor uit, dat onder meer in Franse en Nederlandse taallessen voorziet.

Het wordt hoog tijd dat in onze hoofdstad, de poort voor één derde van alle migranten die naar België komen, met een effectief inburgeringsbeleid wordt gestart. Beide gemeenschappen kunnen het zelfs verplichtend maken voor nieuwkomers (van buiten de EU) via de gemeenschappelijke gemeenschapscommissie.

Hoe en wanneer dit alles in de praktijk zal worden gebracht, is nog koffiedik kijken. Politiek zal er pas vaart achter komen na de verkiezingen van 2014. Maar het Vlaams Parlement zou in zijn nieuw integratiedecreet wel de opening kunnen laten om een Brusselse regeling na 2014 mee gestalte te geven.

Het zou goed zijn mochten de inburgeraars in Brussel ervoor kunnen kiezen om een gelijkaardig inburgeringstraject te volgen als in Aalst, in Vilvoorde of Mechelen. Omdat veel nieuwkomers in Brussel later doorstromen naar Vlaamse gemeenten. En omdat in de Vlaamse Rand werkvolk te kort is terwijl Brussel kreunt onder de werkloosheid.

Toegegeven, Vlaanderen en Brussel leveren al inspanningen om de vacatures voor laaggeschoold personeel en knelpuntberoepen in de luchthavenregio in te vullen met Brusselse werklozen. Een van de grote problemen blijft echter dat veel Brusselse werklozen geen Nederlands begrijpen of spreken. Als een inburgeringstraject hen daarbij op weg zou kunnen zetten, als ze de moeite doen om een woordje Nederlands te leren en als ze met werken hun kost willen verdienen, zijn ze overal in de Vlaamse gemeenschap welkom.

De Vlaamse gemeenschap zal in ruil dan wel meer moeten investeren in Brussel. Als nieuwkomers in Brussel de moeite doen om voor een Vlaams inburgeringstraject te kiezen, moet er op de Vlaamse buurtschool of kinderopvang ook een plaatsje zijn voor hun kinderen.

16:27 Gepost door peter in Actualiteit, Brussel, integratie, politiek | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook | | |

22-02-13

Ondergronds Brussel tussen het Centraal Station en de Koloniënstraat

Als je in de lokettenzaal van het Brussels Centraal Station kiest voor uitgang Kantersteen, beland je in een lange onderaardse gang die naar de metro leidt en een bovengrondse uitgang heeft aan de Koloniënstraat. Vroeger stonk die gang naar urine. Vandaag verstoppen hardboard-platen met grote reclameaffiches van Beliris langs één zijmuur de lopende renovatiewerken. Zeker de pendelaars die ’s ochtends vroeg hun overvolle warme trein uitstappen, krijgen indien ze dat wensen nog eventjes, al is dat een relatief begrip in spooromgevingen, de kans om de ontwakende onderkant van een grootstad in ogenschouw te nemen, met echte bedelaars, straatmuzikanten, daklozen en landlopers.

De meeste pendelaars die in de vroegte de machteloze grootstad  binnenstromen en in de avondspits opnieuw ontvluchten houden slechts vanuit een ooghoek bij hun gezwinde onderaardse op- en afmars het leven in de gang in de gaten.  Natuurlijk kijken ze altijd uit naar die Brusselse zalmen die tegen de stroom in zwemmen, slalommend, zoals mensen soms snelsnel nog een trein willen halen die wellicht toch vertraging heeft. Forenzen haasten zich om de haven van hun bureau te bereiken. Een oponthoud als een uitgestoken kartonnen bekertje of de omgekeerde hoed van een aan lager wal geraakte muzikant past niet in hun strakke tijdschema.  Ze zijn voortdurend bedacht voor een storende struikeling,  over een paar onderuit gezakte benen van een tegen de muur geleunde loser, over wat slordig door de fluogroene straatvegers bijeen gekeerd afval,  over smerige daklozen die onder vettige dekens hun roes uitslapen. 

Spijtig. Wie het leven in de gang met wat meer interesse gadeslaat, kan vaststellen dat het vrij goed georganiseerd en gestructureerd verloopt,  een beetje zoals de meeste zaken waar de natuurlijke ordening de kans krijgt zich te zetten zonder inmenging van overheden of ambtenaren.

Het eerste dat opvalt, is dat de gangbewoners vaste plaatsen innemen.  Ze gedragen zich wars van gêne voor de voorbijgangers die hen geen blik waard achten, wars van belangstelling voor een menselijke ondersoort. Als een voorkomende ambassadeur groet aan de ingang een vroegoude man van op zo’n stoel waarop ik als kind in de klas zat de dagelijkse gasten van Brussel. ‘Bonjour!’ klinkt het opgewekt uit zijn door tandenloosheid supermobiele mond, maar alleen voor de passanten die zijn oogcontact niet uit hun blikveld sluiten.  Soms houdt naast hem een zwarte de wacht met een oranje hartjesvormige zonnebril op en het rastakapsel verborgen onder een grote grijze muts.

Verder ligt een vijftal landlopers op een kluitje. De eerste, een langslaper of een slechte opstaander, ligt nog onder een deken met een luipaarddessin.  Soms slapen ook anderen langer, zoals de vettige haardos die onder het smoezelige oranje deken uitsteekt. Drie andere mannen met baarden zitten rustig wakker te worden rond een halfliterblik bier van een Duits merk. Ik wed dat het ook in mijn eigen Aldi wordt verkocht.  Een van hen steekt de half opgerookte peuk van een zelf gerolde sigaret tussen zijn lippen. Hij vraagt een van zijn kompanen vuur. Hun dekens en slaapzakken liggen nog op een hoop. De grillpan met een tefallaag waarin wat kopergeld blinkt is een vreemd lichaam buiten de kring van waaruit ze de pendelaars onverschillig aankijken. Wie kijkt neer op wie?  

Enkele meters dieper in de gang ligt nog een slaper, eenzaam in zijn khaki slaapzak. Ik vermoed dat hij geen habitué is. Naast hem staat recht als een soldaat een keurig donkerblauw reiskoffertje dat  zonder twijfel binnen de afmetingen past die Ryanair eist voor handbagage.  Een toerist?

In een zijgang rechts vertelt een straatveger een mop aan een landloper die zijn hebben en houden in een winkelkarretje heeft verzameld. Na die zijgang slaat een andere haveloze een praatje met twee honden op een deken. Ze houden zich even koest als de twee dwergkonijnen ernaast.

Vanaf dan schettert muziek. Vervelend schelle zigeunermuziek van een accordeon betokkeld door een mistroostige muzikant. Hij staat er elke dag. Als er naast hem een andere straatmuzikant op een viool fiedelt, is de accordeonist al wat opgewekter. Maar pas als hij begeleid is door zijn orkest van een viool, twee klarinetten, een djembe en een bas, lees je op z’n gezicht de glunderende verwachting. Het wordt een goede dag! De laatste dakloze vijf meter hoger in zijn slaapzak, doet koppig alsof hij door het lawaai heen slaapt. 

Na de marteling voor de oren geuren de croissants. De lichte vloer gaat nu over in antracietgrijze tegels die klimmen naar een ruime ondergrondse hal. Vandaar kan je de metro nemen, geld pinnen op één van de vier belfius-automaten in het gelid, een broodje kopen bij de Breakpoint of sigaretten en de Humo in de Relay. Of je kunt de trappen op naar de Koloniënstraat, het daglicht en de verse Brusselse lucht in.

Buiten, boven de mensen onder de grond tussen het Centraal Station en de Koloniënstraat, denk ik aan het prachtige lied This Depression. Ik heb het ontdekt op Wrecking Ball, de jongste cd van Bruce Springsteen. Die heb ik zonder verpinken gekocht van zodra ik hoorde dat The Boss naar TW Classic komt.  Wat er ook gebeurt, welke zotte kosten ik ook moet doen, ik ben vast besloten de warme magie van Springsteen nog eens te ondergaan. En dan kan ik maar beter zijn nieuwe nummers kennen.  

This is my confession, I need your heart in this depression, I need your heart, sleept Springsteen je mee. De beelden van de onderaardse gang zouden de perfecte clip voor het lied vormen. Ik besef, mijn hart kunnen jullie misschien krijgen, gedurende de tijd om die gang door te steken, maar niet mijn aalmoes, oh nee, daar begin ik niet mee, want waar stopt het dan? Ik denk soms als een echte pendelaar.

17-02-13

Drie bananen voor Gusta

Gusta slaat haar hand voor haar mond van het verschieten en alsof ze zich schaamt kijkt ze vertwijfeld weg in de enige richting waar dat mogelijk is, door haar enige raam met uitzicht op de tuin voor twee meter verder een hoge dikke haag het zicht belemmert en ze roept ‘oeioeioei oeioeioei’. Ze wrijft een traan weg, kijkt mijn dochters en mezelf aan en vraagt dan: ‘hoe hedde gelle mij gevonde?’

Met wat hulp, anders was het niet gelukt natuurlijk. Eerst was er de zus van Gusta die me toen ik voorbij fietste van achter haar raam teken deed om te stoppen en naar de deur te komen. Zij had voor ons een doodsbrief van Ward, die inmiddels was gecremeerd in intieme kring, zoals men dat omschrijft alsof het een knusse bedoening is. En ze wist te vertellen dat Gusta niet meer kan lopen na haar operatie en dat de familie een rusthuis voor haar aan het zoeken was.

Enkele dagen later zagen we hoe de zoon en kleinzoon van Gusta het huisje aan het leegmaken waren. Mijn dochter vroeg hen hoe het met Gusta was en ze kreeg van de kleinzoon haar nieuw adres. ‘Het zal Gusta plezier doen je nog eens te zien’, zei hij. In het weekend trokken we dus met z’n drieën naar het woon- en zorgcentrum, een half uur rijden, wat een goede oefening was voor de oudste die leert autorijden.

Het was jaren geleden dat ik nog in een rusthuis was geweest, op bezoek bij mijn oma die op het laatste van haar leven niemand van ons nog herkende.  Meteen prees ik haar nog eens gelukkig dat ze uiteindelijk maar een beperkte tijd in zo’n sterfhuis is opgevangen moeten worden.

Het woon- en zorgcentrum van Gusta zag er gloednieuw uit, comfortabel, modern, vriendelijk zelfs. Het vroor dat het kraakte buiten, maar binnen was het zo warm dat ik er in t-shirt had willen lopen moest ik er eentje aan hebben gehad. Een dame met een witte schort stuurde ons een lange gang van eendere kamertjes door, de meeste met de deuren open. In sommige van die kamertjes zaten ouden van dagen te suffen, naar hun tv te staren of een dutje te doen tussen oude meubeltjes en foto’s die in zo’n modern woon- en zorgcentrum uit de toon vallen.

Gusta woonde op het einde van de gang. Haar kamertje zag er vrij leeg uit. Aan de wand boven het ledikant tikt een oude klok met behulp van een secondewijzer de tijd die haar rest minuut per minuut weg. Mijn dochters herkennen een oud houten kastje met een lade dat is meegekomen uit het kleine huisje dat ze met Ward deelde. Er staan enkele postuurtjes op en een fruitschaal met een banaan in. Tegen het raam zit Gusta in een rolstoel. Ze heeft een dikke medische kraag rond haar vogelnekje maar haar witte haar zit keurig vastgespeld. 

‘Ward is dood hé’, zegt ze als ze van de verrassing is bekomen. Ze heeft haar ogen wijd open . ‘Man, man, wat ze mij hebben aangedaan. Ze hebben mij alles afgepakt. Ik heb geen euro, geen twintig centiem meer. Ik heb mijn huis niet meer gezien, ik ben het kwijt, waar zijn al mijn spullen, waar is mijn pensioen, alles is weg, zelfs mijn boekske met telefoonnummers.’ En dan, samenzweerderig tegen mijn oudste, zoals ze vroeger met Ward in haar huisje ook kon doen: ‘Geeft uwen telefoon is, hebt ge een papierke om het nummer op te schrijve? Hebt ge nen bic?’ Zelfs een papiertje en een bic heeft ze niet meer. ‘Ja maar’, wappert ze met haar hand verontschuldigend naar mij, ‘ge wilt da nie meemake zelle.’ En dan ferm, ‘As ge ma wet da ik hie nie blijf. Ik blijf hie nie. Da is zeker.’

Ik denk aan De 100-jarige man die uit het raam klom en verdween, het van levenslust sprankelende en hilarische boek van de Zweed Jonas Jonasson dat ik pas heb gelezen. Ik betwijfel of Gusta zo’n exploot in dit moderne woon- en zorgcentrum voor elkaar zou krijgen. Wellicht kunnen de ramen hier niet eens open. En ze zit in een rolstoel, niet echt een verbetering van haar mobiliteit. Daarmee moet ze om te beginnen door de toegangsdeur geraken.  Om die deur van binnen uit te openen, moet je opeenvolgende handelingen uitvoeren, inclusief een omgekeerde cijfercode invoeren, die bedacht zijn om aspirant-weglopers als Gusta het ontsnappen extra moeilijk te maken.

We rijden Gusta naar de cafetaria om een kopje koffie te drinken. Gusta wil naar de tafel gereden worden waaraan al een ander besje eenzaam in haar rolstoel zit. Het oudje is een praatvaar. Ze vertelt dat ze in het woon-en zorgcentrum is terechtgekomen na een klonter in haar hersenen die haar half heeft verlamd. ‘Gusta en ik komen goed overeen’, verzekert ze. 

Gusta vraagt of ik mijn koekje niet moet hebben. ‘Oh, neem maar’, antwoord ik. Ze eet alle koekjes op. Er komt een man met drie bananen de cafetaria binnen. Hij kijkt rond en stevent op ons af. Mijn dochter kent hem, het is de kleinzoon. ‘Ik had beloofd je wat bananen te brengen’, zegt hij, terwijl hij ons alleen gedag toeknikt. Voor we er erg in hebben, is hij terug weg. Gusta vertelt dat ze zo’n zin had in bananen. Ineens voelt ze zich niet meer op haar gemak. Ze wil terug naar haar kamer. Haar koffie is nog maar half op. Maar misschien geneert ze zich voor de moeite die het kost om het kopje zonder morsen naar haar mond te brengen.

Als we weer op het kleine kale kamertje zitten, fluistert ze dat ze dacht dat haar kleinzoon haar kamer aan het doorzoeken was. Of erger nog, dat hij ons nu op de gang staat af te luisteren. Wie weet, heeft hij zich wel in de badkamer verstopt. Ik trek de deur open. ‘Niemand hoor’, zeg ik. ‘Ja maar’, zucht Gusta, ‘ge kunt niemand nog vertrouwen als ze u dat lappen.’ En zonder overgang bezweert ze mijn dochters: ‘Niet zelf naar mij bellen, want ze luisteren hier alles af.’

Op de fruitschaal liggen nu vier bananen. ‘Uw kleinzoon is speciaal langs gekomen met de bananen, dat is toch lief’, zeg ik. ‘Ja maar, deze middag was het al banaan als dessert’, werpt ze tegen.

Tja, moesten ze mij zoiets lappen, dan zou ik het ook moeilijk hebben nog het moois en goeds rond me te zien. Geen enkele man of vrouw die bij zijn verstand is, vindt het aangenaam als anderen zonder zijn of haar medeweten, zonder overleg, zonder inspraak beslissingen nemen over belangrijke zaken in zijn of haar persoonlijk leven. Geen wonder dat er tegenwoordig boeken verschijnen over honderdjarigen die uit het raam van hun woon- en zorgcentrum klimmen en verdwijnen. Ik vraag me af hoeveel van onze zo onmenselijk warm gepamperde rusthuisbewoners dat voorbeeld wel zouden willen volgen, moesten ze het kunnen.