20-04-13

De laatste nacht van Philippe

-          Was jij niet verkleed in Sinterklaas?

Philippe is terug wakker. De vraag verrast me. Natuurlijk niet, ik lig van op het plooibed gewoon  naar hem te kijken.

-          Ah, dan zal ik dat gedroomd hebben.

Even zwijgen we. Maar ik ben nu wel nieuwsgierig.

-          Wat heb je dan gedroomd?

-          Wel, het was een rare droom, hoor.

Hij slikt even, het praten gaat niet zo gemakkelijk. 

-          Jij was net terug van een geheime diplomatieke missie. Daarom was je verkleed in Sinterklaas. En je moest ergens mensen gaan redden.

Ik glimlach. Wat een verbeelding spreekt uit die woorden.  Philippe trekt zich recht aan de stang boven zijn hoofd. Hij wil drinken. Of gewoon zijn mond spoelen. Ik spring van het plooibed om hem te helpen moest dat nodig zijn.

In het vijfde studiejaar van de nieuwe school in ons nieuwe dorp belandde ik voor het eerst bij Philippe in de klas. We leerden elkaar goed kennen in Don Bosco en vooral bij de scouts.

Philippe is altijd een verkenner gebleven. Hij exploreert als eerste de laatste trendy toestellen. Hij experimenteert met nieuwe computertoepassingen. Maar hij is evengoed verzot op het leren van nieuwe gezelschapsspellen. Hij loopt op van die gekke schoenen met een bolle zool. Hij beslist van de ene op de andere dag macrobiotisch te gaan eten. Hij heeft oog voor het nieuwe waar wij ons verheugen over het bekende. Hij wil proeven van het vreemde als wij teruggrijpen naar het vertrouwde.

Philippe is de man die moet doen wat een man moet doen: hij gaat door het leven zoals hij dat wil. Hij volgt zijn principes in daden en, vaker in zijn eigen jeugd dan als vader, in luide en hoge woorden.  En hij is genereus in alles wat er in het leven echt toe doet:  hij komt aandraven met creatieve cadeaus, baksels, kalenders of verjaardagkaartjes waarvoor hij op geen moeite of tijd kijkt. Hij doet wat in zijn macht ligt als je op hem een beroep doet. Hij rijdt in een sneeuwstorm heen en weer naar Oud-Heverlee om zo toch nog héél de familie rond de kerstboom te krijgen. Hij stelt vragen die van oprechte interesse getuigen. Hij neemt en schenkt tijd voor het diepe leven, en liefst ook nog een goed glas bier.

Ook die laatste nacht komt de verkenner in Philippe naar boven. Als ik om half vier wakker schiet, zit Philippe in de stoel rechtover zijn bed. Hij is al de hele nacht erg rusteloos. Hij kan soms geen ogenblik in dezelfde houding blijven liggen of zitten.

-          Gaat het, Philippe?

Ik krijg geen duidelijk antwoord. Hij zet zich moeizaam recht en sloft met zijn staander niet naar zijn bed maar naar de deur.

-          He, waar ga je naar toe?

Ik spring recht. Philippe loopt de kamer uit en slaat links af. Ik ben bij hem als hij halt houdt aan enkele rolstoelen, drie, vier meter voorbij zijn kamerdeur. Hij wijst er een aan.

-          Wil je daar eens proberen in te zitten?

De vraag is nogal overbodig. Ik plooi de rolstoel open. Ik zet de voetsteunen recht als hij zich heeft laten zakken. Ik peuter de baxter van de staander en hang hem aan de rolstoel.

-          Zijn er geen kuitsteunen aan?

-          Neen.

-          Water?

Wat verder is het fonteintje. Hij wil een gevuld bekertje en een leeg spuugbekertje.

-          Wil je misschien eens een toertje doen door de gang?

Hij knikt.

-          Branddeken.

Eerst denk ik dat ik het niet goed verstaan heb. Waarom heeft hij nu een branddeken nodig? Ik kijk rond of ik de nachtverpleegster ergens zie. Maar die zou ons wel prompt naar de kamer terugsturen, denk ik.  Het ziekenhuis lijkt helemaal verlaten. Maar Philippe wijst rechtdoor. Een beetje verder, om een hoek, zie ik branddekens liggen. Ik rijd hem ernaartoe. Ik neem het bovenste rode deken in mijn handen.

-          Moet je dat hebben?

Hij schudt zijn hoofd en wijst naar de plastieken zakken met moltons die onder het branddeken liggen gestapeld. Ik scheur een zak met moltons open. Hij tracht de doek over zijn benen en buik te draperen. Ik help hem de molton goed te leggen.

-          Gaan we eens wandelen?

-          Ja, goed idee.

Pas nu begrijp ik dat dit al de hele tijd zijn bedoeling was. Hij wijst resoluut de weg. We volgen de pijltjes richting ‘uitgang’.

-          Nemen we de lift?

Een duidelijke knik. We nemen de lift naar de eerste verdieping, waar de uitgang is. We gaan de lange gangen door, blijven de pijlen volgen. Geen levende ziel te bekennen in het hele hospitaal. Het lijkt of we ons in een andere wereld bevinden.  Bijna aan de trappen naar de reusachtige gelijkvloerse onthaalruimte met de hoofdin- en uitgang, stuiten we op een gesloten glazen deur. Ik weet dat die deur dankzij een elektronisch oog opengaat  als je dichterbij komt en zich sluit als je gepasseerd bent. Maar ik weet ook dat als je op dit onchristelijk uur op je schreden terug wil keren, die deur niet meer automatisch openschuift. Dan moet je de trap af naar de nachtwaker om ze manueel te laten openen. Dat is niet verstandig, bedenk ik. Wie weet krijgen we daarmee geen last. Want wat hebben een graatmagere patiënt in een rolstoel en een onbekende bezoeker op dit moment in de onthaalruimte van Gasthuisberg verloren?

-          Ik denk dat we best terugkeren. Want als we die deur doorgaan, kunnen we niet meer terug.’

Philippe protesteert niet. We vatten de terugtocht door de eenzame en lege gangen aan, hij met de twee plastieken bekertjes in zijn handen en de molton op zijn benen. We hebben op onze geheime missie niemand gezien en niemand heeft ons gezien. Zo denken we toch.

Als we elk terug in ons bed liggen, Philippe in het hospitaalbed en ik ernaast in het plooibed, blijven we stil naar het plafond kijken. Hij ademt zwaar door zijn mond. Ik weet dat hij blij is dat hij straks naar huis mag. Was het al maar zover, denkt hij ongetwijfeld. Zijn borst gaat hoog op en neer. 

Zie ons hier liggen, valt me ineens te binnen. Meer dan dertig jaar geleden hebben we zo ook eens samen een vrijwel slapeloze nacht doorgebracht.  We waren als 17-jarige verkenners op tweedaagse in het kleine Franse stadje Rethel, halverwege Reims en Charlesville-Mézières. Onze patrouille had een leegstaande krotwoning uitgekozen als overnachtingsplaats. In het krot stond een beddenbak met een ijzeren vering in maar zonder matras. Philippe en ik palmden dit bed in. We prezen ons gelukkig. Want de anderen moesten het doen met wat vergeelde kranten op de koude tegels. Maar ondanks onze slaapzak konden we op die ongelijke harde ijzeren veren evenmin de slaap vinden. Bovendien rolden we door de put die we met ons gewicht in de vering maakten, voortdurend in elkaars richting. En op zoiets wilden we ons geen van beiden laten betrappen.

Ik hoor Philippe zuchten en draai mijn hoofd opzij.

-          Weet je nog, meer dan dertig jaar geleden, op tweedaagse in Rethel?

-          Rethel? Dat zegt me iets ja.

Ik vertel hem over het bed zonder matras.  Aan zijn reactie hoor ik dat hij er plezier aan beleeft die herinnering op te rakelen.

-          Was dat dan tijdens het kamp van Achet?

-          Ja, ik denk het.

-          En nu kunnen we ook niet slapen.

-          Ja, daarom dacht ik er ineens aan.

Na de middag verslechtert de toestand van Philippe plots. Net vóór de ambulance hem naar huis zou brengen om er in vrede met zicht op de tuin te kunnen sterven, overlijdt hij toch nog onverwacht snel in het ziekenhuis.

Hoe spijtig dat er in deze wereld geen Sinterklaas was om op geheime missie mijn vriend die mijn schoonbroer was, uit de klauwen van de maagkanker te redden.

08:23 Gepost door peter in Liefde, vriendschap | Permalink | Commentaren (6) |  Facebook | | |

04-04-13

De stempel

Er is de jongste weken in de media nogal wat te doen geweest over het principe van de neutraliteit van de openbare dienst. Als ik aan een ambtenaar denk, komt me niet meteen dat volgens sommigen door een hoofddoek overschaduwde principe voor ogen. Dan denk ik eerst en vooral aan het schrikbarende wapen dat de ambtenaar grijpensklaar in zijn buurt houdt: een stempel.

Zelf ben ik, sinds kort, van de oude stempel. Misschien doe ik ambtenaren van tegenwoordig wel onrecht aan door hen met een vervaarlijke stempel te associëren. Dat wil ik niet. Wellicht kan ik het zelfs niet. Ik ben nog opgevoed om respect, of sterker nog, ontzag en gehoorzaamheid te betuigen aan ambtenaren. Zij vertegenwoordigen, zoals de champetter in het teloorgegane Vlaanderen van de Paradijsvogels, het wettelijk gezag. Als ik ergens op een openbare dienst iets moet verkrijgen van een ambtenaar, pompt mijn hart het bloed iets sneller door mijn aderen. Zal ik vlot de stempel krijgen?

In mijn oude Brugse familiekring behoort het verhaal tot de meubelen hoe ik als kleuter met mijn jongvolwassen nonkel mee mocht: naar de bakker, naar de post, naar het stempellokaal, naar de apotheker.  Nadat we eindelijk aan zegels waren geraakt, bezorgde ik mijn oom rode kaken door in het bomvolle postkantoor ongeduldig en onbevangen uit te roepen: ‘en dan nu eindelijk naar den dop hé nonkel!’ Want daar moest wie werkloos was elke dag zijn stempel van schaamte halen.

Een hedendaagse overheid met een moderne bestuurscultuur laat er zich veel aan gelegen haar onderdanen te behandelen als klanten die, zoals bij de bakker om de hoek, daar al in mijn kleuterjaren koning waren. En stempels? Ze verdwijnen stilaan als het wapen van de ambtenaar, dankzij de informatisering, de beeldschermen, de elektronische handtekeningen.

Maar niet overal. Deze week las ik in het Jaarverslag 2012 van Vlaams Ombudsman Bart Weekers enkele laconieke lijnen over de Excalibur onder de stempels, de apostille van Den Haag. Ik moet me bedwingen om apostille niet zoals het mythische zwaard uit de Arthurlegende met een hoofdletter te schrijven. Deze superstempel heb je nodig wanneer je de echtheid van een document, zoals een diploma, officieel wil laten bevestigen voor buitenlands gebruik. Het Verdrag van Den Haag bedacht daarvoor  die  apostille, een zegel die door de verdragspartijen wordt erkend en gebezigd als waarmerk voor een document uit een ander land.

De Ombudsman had een klager over de vloer gekregen die zich afvroeg waarom hij, nadat zijn diploma was geattesteerd door de bevoegde Vlaamse dienst, nog naar Buitenlandse Zaken moest om die apostille. Want alleen de Dienst Legalisatie van Buitenlandse Zaken, gevestigd in de Karmelietenstraat in Brussel, is bevoegd om de apostille van Den Haag te zetten die in België uitgereikte documenten internationale erkenning verlenen.

Tussen haakjes: zo’n apostille kost € 15 per document. Wie een apostille wil moet daarvoor naar de Karmelietenstraat en er, volgens de website van Buitenlandse Zaken, nul tot 48 uur nagelbijten vooraleer het verlossende zegel verrijst. Of hij moet zijn document opsturen en er tot tien werkdagen op wachten vooraleer het gestempeld terug in zijn bus valt.

Ik begrijp dat onze meer dan gemiddeld intelligente Ombudsman een opportuniteit zag om die gang van zaken wat efficiënter te organiseren. Zeker toen een kleine rondvraag hem leerde dat de superstempel in verschillende landen wel decentraal wordt gezet. Dus waarom zou een Vlaamse overheidsdienaar de apostille niet met een even eerbiedige zwaai op een Vlaams document kunnen mikken als de stempelaars van de Karmelietenstraat?   

De Vlaamse overheid agendeerde de zaak op de Interministeriële Conferentie Buitenlands Beleid, een overlegorgaan tussen de federale overheid en de deelstaten waar soortgelijke aangelegenheden van staatsbelang worden besproken. Een argeloze overheidsklant zou denken, goed idee en hupsakee, alweer een nuttige administratieve vereenvoudiging!

Helaas. Ik besluit met de woorden van de Ombudsman: ‘De Conferentie beslist om een werkgroep op te richten met vertegenwoordigers van de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten. Begin 2013 was die werkgroep nog niet samengekomen. Het blijft afwachten wanneer we kunnen rapporteren dat de Vlaamse overheid die apostille zelf zet.’

De stempel, het blijft een machtig wapen dat geen overheid zonder slag of stoot uit handen geeft. Uit goede bron weet ik dat de regering zich in het Vlaams Parlement aan vragen mag verwachten. Maar het zou me verbazen als er vóór de verkiezingen van 2014 al op andere plaatsen dan in de Karmelietenstraat apostilles worden gezet.