22-05-13

Ik kan geen onmens zijn

Op pinkstermaandag brachten we een bezoek aan Kazerne Dossin in Mechelen, het nieuwe museum over de holocaust en de mensenrechten. Het onderwerp houdt me al jaren bezig.  Met haar lange zijde ligt de Dossinkazerne langs de Mechelse vest. Het witte museum werd pal rechtover de korte zijde met de ingangspoort neergepoot. Hoewel het nog maar enkele maanden geleden officieel open ging, zijn de maneblussers nu al fier op dit landmark. En ik eigenlijk ook. In een mum van tijd kreeg Kazerne Dossin 50.000 bezoekers over de vloer.

Druk discussiërend met mijn vrouw was ik uit het oog verloren dat je vanaf de vest niet langer de Goswin de Stassartstraat mag inrijden, de straat tussen de historische kazerne en het massieve museumgebouw. Ik kon me wel voor het hoofd slaan. Noodgedwongen voortrijdend op de Edgard Tinellaan had ik twee mogelijkheden: rechtdoor naar de parking op het Rode Kruisplein, of linksaf de Sint-Katelijnestraat in. Behoorlijk opgenaaid om mijn eigen onoplettendheid, koos ik voor de tweede optie. Het licht sprong op groen en ik sorteerde voor om linksaf de stad in te rijden. De wagen voor me stond op het kruispunt te pinken en verleende vanzelfsprekend het uit de tegenoverliggende richting komend verkeer voorrang. Zo zag ik me plots geblokkeerd staan, pal op het zebrapad. Voor de voetgangers was het licht ook op groen gesprongen. Twee kinderen staken in het gezelschap van een vrouw met een zwarte hoofddoek de straat over. De vrouw, op wiens bovenlip ik minstens de schaduw van een snor meende te zien, zocht oogcontact en jammerde luid in het Mechels Marokkaans.

‘Hela, gij staat hier wel op het zebrapad hé! Hoe moeten wij nu oversteken?’

Haar donkere karbonkels vlamden. Ik verloor mijn zelfbeheersing. Kwaad liet ik mijn elektrisch raampje zakken zodat ze me goed zou horen. ‘Ja zeg, loop toch gewoon rond de auto zoals iedereen!’, beet ik terug. Haar ogen vielen haast uit hun kassen.  Ze was intussen al bijna de straat over en op dat moment kon ik eindelijk veilig de Sint-Katelijnestraat indraaien. Gelukkig maar. Terwijl ik harder dan nodig optrok en het raampje sloot, hoorde ik haar verder tieren.

‘Waar was dat nu voor nodig?’, vroeg mijn vrouw. ‘Jij was in fout. En je kon er niet tegen dat zij daar iets over zei.’ Mijn vrouw had gelijk. De waarheid was nog erger: ik had me zonder het te beseffen laten meeslepen door mijn woede. Natuurlijk was ik in fout. Ik besefte dat ik had kunnen vermijden geblokkeerd te staan op het zebrapad. In Brussel erger ik me haast dagelijks aan zulke hufters van chauffeurs. Voor die vrouw was ik nu de hufter.

‘Maar ik begin niet onmiddellijk te schelden’, antwoordde ik om mijn gedrag te verontschuldigen. Meestal toch niet, dacht ik. En een minuut geleden had ik me niet kunnen inhouden om die vreemde vrouw lik op stuk te geven. Omdat ik, door omstandigheden al geprikkeld, het niet pikte terechtgewezen te worden door een Marokkaanse met een sjaal op haar kop. Ik ging me in Mechelen door zo’n kijvende Xanthippe van vreemde origine de les niet laten lezen!

Enkele minuten later bekeken we in Kazerne Dossin de film waarmee het parcours in het museum begint. Over mensenrechten. Alles begint met het recht van elke mens om zijn eigen zelve te zijn, ongeacht zijn huidskleur, ras, geloof, seksuele geaardheid, politieke of filosofische overtuiging. Alles begint met het recht van elke mens om met respect te worden behandeld. Meer info in Kazerne Dossin. En als je terug buiten bent, denk dit dan niet, probeer het althans nooit te denken: ik kan geen onmens zijn.

 

13-05-13

Wriemelende valkjes

Vanochtend moest ik een dringende boodschap doen in hartje Brussel. Bij het passeren van de Sint-Michielskathedraal zag ik een werfkeet langs de kant van de weg staan. Een oude man stapte er van zijn fiets en leek ingespannen door het venster van het houten hok te gluren.  Toen begreep ik het. De man keek gebiologeerd naar een nest wriemelende slechtvalkjes. Ik herinnerde me het bericht in de krant over de geboorte van de eerste valkjes van deze Brusselse lente, in hun nest hoog in een van de twee torens van de kathedraal.

Ornithologen van het Museum voor Natuurwetenschappen hebben twee camera’s geplaatst die beelden van het broeden, het uitkomen van de eieren, het leven op en rond het nest, tot het uitvliegen doorsturen naar de televisieschermen achter de vensters van de keet (en online op www.slechtvalken.be). Een prachtig spektakel, die vijf valkjes wriemelend vijftig meter boven hun toeschouwers.

De slechtvalk boert goed in Vlaanderen. In 1973 was de roofvogel officieel uitgestorven.  Vorig jaar werden er 105 jongen geteld, een recordjaar. De stad blijkt voor de slechtvalk, die enkel op vliegende prooien jaagt, een feestdis. Steden pakken tegenwoordig de overlast van stadsduiven diervriendelijk en kosteloos aan, door een slechtvalkkast te plaatsen. In Antwerpen alleen broedden 24 paren slechtvalken in kasten.

Met een kinderlijke verwondering op zijn gezicht draait de oude man zich om. ‘Hoe mooi he, die kleine valkjes’, lacht hij. Ja, beaam ik. Terug op weg naar mijn dringende afspraak bedenk ik dat de technologie ons de gelegenheid geeft om tot in het hart van onze hoofdstad te genieten van nooit zo efficiënt in beeld gebrachte natuurwonderen.  En dat terwijl  de mens met het verstrijken van de jaren nochtans overal de natuur verder terugdringt.

De slechtvalk is, zoals ook de kerkuil trouwens,  in Vlaanderen verrezen dankzij de nestkasten van Vogelbescherming Vlaanderen. De mens is niet langer meer enkel in het diepst van zijn gedachten een God. Hij werkt op een gezapig tempo verder aan de Apocalyps en schrijft tegelijk scheppingsverhalen die in geen kerk meer worden beluisterd. Gelukkig heeft hij voor het ene meer tijd nodig als voor het andere.

10-05-13

Mensen toch, waarom hebben wij dat gedaan?

Wij mensen, zoogdieren met een flink stel hersens, zijn wrede wezens. Moedwillig kwaadspreken, pesten, folteren, moorden, niets is onze zoogdierensoort vreemd. Zelfs voor een massamoord meer of minder draaien we onze hand niet om. We hebben een genocide ontketend op de joden en op nog ruim twintig anderen volkeren. We hebben een atoombom ontwikkeld en er meteen ongeveer 275.000 inwoners van Hiroshima en Nagasaki mee om het leven gebracht. We hebben brandbommen op prachtige Duitse steden laten vallen die in Dresden een vuurstorm veroorzaakten waardoor we zo’n 135.000 ouderen, vrouwen en kinderen tot as verpulverden.  We lieten meer bommen op Vietnam vallen dan op heel Europa en Japan tijdens de Tweede Wereldoorlog. We hebben vijf miljoen Russische boeren gedood en tien miljoen anderen in goelags gestopt.

Waarom hebben wij, mensen, zo’n wrede massamoorden begaan, eraan meegewerkt, rechtstreeks of onrechtstreeks, of de andere kant op gekeken? Het is de centrale vraag uit Het hart van de duisternis. Psychologie van de menselijke wreedheid van Jan de Laender. In dat boek uit 1996 probeert de inmiddels al negen jaar overleden hoogleraar in de psychologie de omstandigheden en de mechanismen te begrijpen die mensen ertoe brengen wreedheden te begaan. Het boek choqueert omdat het onomwonden poneert dat in ieder van ons een potentiële wreedaard schuilt, die dit waarschijnlijk in alle toonaarden zal ontkennen en, wanneer hij toch met z’n eigen wreedheden wordt geconfronteerd, allerlei vaak onterechte excuses  zal vinden waarom hij toch gedaan heeft wat hij eerst dacht nooit te zullen of kunnen doen.  Dit boek wemelt van de waarheden die ongepast klinken.

Twee basisstellingen uit de psychologie vormen het uitgangspunt van de auteur: dat het vermogen tot wreedheid in elke mens aanwezig is, zoals herhaaldelijk proefondervindelijk is aangetoond; en dat de wreedheid op grote schaal ten tonele kan verschijnen met het ontstaan van hiërarchische groepen. Als zij macht verwerven, kunnen ze folteren en moorden terwijl hun leden zich persoonlijk toch onschuldig blijven voelen.

De Laender haalt twee beroemde psychologische experimenten aan die deze stellingen illustreren. Stanley Milgram toonde aan hoe bijna twee op de drie proefpersonen in een experiment waarin zogezegd het effect van straffen op leerprocessen werd onderzocht, zonder al te veel druk de opdracht uitvoerden om steeds zwaardere nep-elektroshocks toe te dienen aan een andere nep-proefpersoon die de foute antwoorden opeenstapelde. De uitkomst van dit experiment was destijds ronduit onthutsend.  Zelfs voor psychologen en psychiaters, die voorspeld hadden dat slechts één procent of minder van de proefpersonen bereid zou zijn elektroschokken van 450 volt toe te dienen aan een medemens die ze niet kenden.  Wat meteen aantoonde dat zelfs deze deskundigen verbazend weinig inzicht hadden in hoe mensen zich gedragen.

Het experiment leerde ook dat mensen niet in staat zijn hun eigen gedrag te voorspellen in situaties die ze nooit eerder hebben meegemaakt. Mensen zijn geneigd hun goedheid, hun zin voor rechtvaardigheid, hun morele kwaliteiten te overschatten. In tegenstelling tot wat ze van zichzelf denken, zijn ze wel degelijk in staat en bereid om medemensen te folteren zonder daarvoor over een morele verantwoordingsgrond te beschikken. En achteraf grijpen ze naar een hele reeks rationalisaties om hun wreedaardig gedrag te verschonen.

Milgram verfijnde zijn experiment om factoren te detecteren die het foltergedrag zouden verminderen of versterken.  Hij ontdekte dat de proefpersonen minder geneigd zijn om te folteren als de confrontatie met het leed van het slachtoffer scherper wordt en omgekeerd, dat ze meer folteren als ze het leed dat ze aanrichten niet rechtstreeks zien. De proefpersonen probeerden ook meer onder het folteren uit te komen als de proefleider dit mogelijk maakte door minder sociale controle uit te oefenen. Als de verantwoordelijkheid voor het folteren impliciet wordt (doordat de proefpersoon enkel de vragen stelt waarop het “slachtoffer” de antwoorden moet geven maar waar een tweede nep-proefpersoon de schokken toedient bij een fout antwoord) lieten meer dan negen op tien proefpersonen zonder protest of zonder hun medewerking aan het experiment stop te zetten het slachtoffer de hele “lijdensweg” tot 450 volt uitzitten.

Philip Zimbardo zette een ander experiment op touw waarin hij van een groep studenten na een hele reeks psychologische test de 21 meest evenwichtige als proefpersonen overhield. In een rollenspel kregen 11 van hen de rol van cipier en de andere 10 die van gevangene. Alles werd met behulp van de lokale politie zo realistisch mogelijk geënsceneerd.  De gevangenen werden anoniem gemaakt door een gevangenisplunje en kort geschoren haar. Ze kregen een nylonkous over het hoofd en werden enkel nog met hun gevangenisnummer aangesproken. De cipiers kregen een uniform, een gummistok, een fluitje, handboeien en een sleutelbos. Een reflecterende zonnebril maakte hun ogen onzichtbaar. Hun opdracht was vaag gehouden: de orde in de gevangenis handhaven, volgens eigen inzicht. Al gauw stelde Zimbardo vast dat de bewakers de gevangenen begonnen te zien als lastig, minderwaardig, gevaarlijk. En de gevangen zagen de bewakers als dwingelanden en sadisten. De cipiers pestten de gevangenen met bijkomende regels en vervelende, zinloze karweien. Ze maakten hun ’s nachts wakker om hen wat te sarren, lieten hen de toiletten met hun handen kuisen, dwongen met fysieke kracht voedsel in hun mond als ze niet wilden eten. De gevangen voelden zich getergd en vernederd, maar stelden zich niet onderling solidair op. Integendeel, elke gevangene scheen het misprijzen van de bewakers voor zijn medegevangenen te delen. Een van de gevangenen zag er na vijf dagen zo emotioneel ontredderd uit dat Zimbardo hem uit het experiment verloste. Verrast door de snelheid en het gemak waarmee hun op psychologisch evenwicht geselecteerde cipiers zich te buiten gingen aan sadistisch gedrag zagen Zimbardo en zijn medewerkers zich na zes dagen genoodzaakt het experiment stop te zetten.

Deze experimenten geven een beeld over hoe mensen tot wreedheden kunnen overgaan en welke factoren deze wreedheid versterken of milderen. Hoe wat experimenteel vastgesteld werd al eerder in de praktijk werd gebracht in een totalitaire staat in totale oorlog, vertelt De Laender in het hoofdstuk over de beulen van Jozefow.  Dit is het verhaal van het Reservebataljon 101 van de Ordnungspolizei (Orpo), een Duits politiebataljon van 500 mannen van middelbare leeftijd, te oud om nog in het leger te dienen, dat tijdens de Tweede Wereldoorlog ingedeeld werd bij een Einsatzgruppe. Op een zomerochtend in juli 1942 werd het voor het eerst ingezet. Het kreeg de opdracht 1.800 joden te elimineren in het Poolse dorpje Jozefow. Op grond van de naoorlogse processen-verbaal tegen 210 van de manschappen reconstrueerde de Amerikaanse historicus Christopher Browning de geschiedenis van deze gewone mannen en hun bevelhebber, de vijftiger majoor Trapp. De mannen waren voornamelijk laaggeschoolde arbeiders. Ze noemden hun goedmoedige bevelhebber  Papa Trapp. Op die zomerochtend verzamelde een bleke en zenuwachtige Trapp zijn mannen om hen de opdracht te geven die hij naar eigen zeggen zelf verafschuwde, maar ja, in Duitsland regende het ook elke dag bommen die vrouwen en kinderen doodden. Hij legde uit dat ze eerst de joden moesten verzamelen. De jonge en gezonde mannen onder de 1.800 joden moesten worden overgebracht naar werkkampen en de rest moest worden doodgeschoten.  Daarvoor zouden ze per vrachtwagen naar een bosrand gevoerd worden.  De politiemannen moesten dan elk telkens een jood meenemen naar het bos en hem daar doodschieten, totdat alle joden op de jonge, gezonde mannen na, geëxecuteerd waren. Trapp deed zijn mannen een uitzonderlijk voorstel: wie meende dat hij tegen die taak niet opgewassen was, mocht beschikken en hoefde niet mee te doen. Van de 500 aangetreden politiemannen verlieten er slechts 12 de rangen. De Laender gaat vervolgens dieper in op de gruwelijke en bloedige chaos van dit detail in de geschiedenis van de holocaust, aangericht door de stunteligheid van de huisvaders die voorheen nog nooit een mens hadden doodgeschoten.  Door de gewenning, de groepsdruk, liters alcohol en enkele ingrepen van de leiding zoals de inzet van Oost-Europese hulptroepen en  maatregelen om de slachtoffers vreemder, verachtelijker en anoniemer (naakt en met een spreekverbod) te maken, werd moorden gaandeweg ook voor hen een klus die ze moesten uitvoeren, voor sommigen zelfs een spelletje waar ze konden in opgaan. 

De Laender citeert in zijn boek leiders, gehoorzamers, beulen en meelopers die zich voor hun rol in de helse machinerie van de holocaust niet schuldig hebben gevoeld. Ambtenaren en machinisten lieten toch alleen maar de treinen zo goed mogelijk rijden? Fabrieken stelden toch alleen goedkope arbeidsjoden te werk, produceerden toch enkel de benodigdheden om de genocide uit te voeren? Franz Stangel, het hoofd van het uitroeiingskamp Treblinka, zag de joden die hij liet vergassen na verloop van tijd als cargo. Maar ook hij beweerde dat hij binnen de krijtlijnen van zijn taken zo menselijk mogelijk bleef. En ook hij hield vol dat hij zich uit schrik voor de gevolgen voor hem en zijn gezin aan zijn opdracht niet durfde te onttrekken.  

Decennialang konden we ons troosten met de gedachte dat de schuld en de verantwoordelijkheid voor al die misdaden tegen de mensheid bij duivelse misdadigers lag als Hitler, Himmler of Stalin. De Laender breekt ook die mythe van de verpersoonlijking van het absolute kwaad af. Hij laat zien hoe Hitler, Himmler en Stalin oprecht warme, meevoelende personen konden zijn, geliefd door velen. Hij citeert een van de dochters van Stangel die alles wat er over haar vader na de oorlog is verschenen heeft gelezen maar toch getuigt dat niets op aarde haar ervan kan overtuigen dat haar vader ooit kwaad heeft gedaan.

In een vergelijking van de politieke klim naar de macht van Churchill en Hitler illustreert De Laender hoe de bijna heilig verklaarde Engelse staatsman frappante overeenkomsten vertoonde met de nazi-dictator. Churchill blijkt in de oorlogsjaren ook totalitaire trekken te hebben vertoond bij het leiden van zijn land. Hij was de stuwende kracht achter de stelselmatige terreurbombardementen op Duitse steden, eufemistisch omschreven als area bombing. De Britten en Amerikanen trachtten met die bombardementen het Duitse moreel te breken. Ze brachten ongeveer 630.000 burgers om. Pas na de internationale kritiek op de vernietiging van het onverdedigde en van vluchtelingen overstromende Dresden, in februari 1945 notabene, na drie Engelse en Amerikaanse bombardementsgolven gespreid over zestien uur die een vuurgloed veroorzaakten die zichtbaar was tot op 300 kilometer afstand, wendde Churchill het roer en distantieerde hij zich van deze wanpraktijken.

Ook bij de ontwikkeling van de atoombom in Los Alamos deden zich grote morele dilemma’s voor, vooral eens de wetenschappers en ingenieurs ten volle beseften welke vernietigingskracht het wapen had dat ze aan het fabriceren waren. Die discussies onder wetenschappers, militairen en politici hebben niet verhinderd dat de bom gebouwd werd. Ze hebben ook niet verhinderd dat ze toen ze klaar was, meteen zonder voorafgaande waarschuwing werd gebruikt. Ze hebben niet verhinderd dat Hiroshima als doelwit werd uitgekozen omdat dit een stad was die nog intact was en men zo het verwoestend effect van de bom beter kon meten. En toen de Amerikaanse verantwoordelijken dat effect goed hadden kunnen inschatten, hebben de discussies over dit inzicht er niet toe geleid dat Nagasaki gespaard bleef.

Een goede vriend raadde me dit bijzondere boek aan. Het relaas van enkele ophefmakende experimenten uit de sociale psychologie in combinatie met de psychologische benadering van leiders en bevelvoerders, gehoorzamers en uitvoerders bij historische gebeurtenissen als de holocaust, de ontwikkeling en het gebruik van de atoombom, de terreurbombardementen op Duitse steden en de Vietnamoorlog,  leert veel over het gedrag van mensen als ze zich in ongewone, extreme en nieuwe situaties bevinden, hoe ze daaraan wennen en trachten te overleven. Ik beveel het boek op mijn beurt iedereen aan. Het bevordert bescheidenheid, nuance en mededogen in de oordelen waar we allemaal elke dag zo snel mee klaar staan. 

 

Jan de Laender. Het hart van de duisternis. Psychologie van de menselijke wreedheid. Davidsfonds, 2004.