30-03-12

Een magneet voor gelukzoekers

Onlangs maakte Eurostat, de Europese dienst voor statistieken, bekend hoeveel mensen in 2011 in de hele Europese Unie (27 lidstaten) asiel hebben aangevraagd. Het waren er 301.000, een stijging met 40.000 tegenover 2010. Het hoogste aantal asielzoekers werd geregistreerd in Frankrijk, Duitsland en Italië. Als een van de kleine landen eindigde België toch vierde, met 31.900 asielzoekers.

België scoorde ook de vierde plaats in de relatieve rangschikking (aantal asielzoekers in verhouding tot de bevolking), logisch gesproken na andere landen met weinig inwoners als Malta, Luxemburg en Zweden. In 2011 werden in België 2.925 asielzoekers per miljoen inwoners geteld. Het gemiddelde voor de EU is 600 per miljoen inwoners. In onze buurlanden Nederland (875), Frankrijk (865), Duitsland (650) en het Verenigd Koninkrijk (425) is de instroom in verhouding tot het aantal inwoners vele malen kleiner. Die hoge cijfers voor België zijn onmogelijk nog normaal te noemen.

Vorig jaar, zo leert Eurostat nog, heeft België voor 19.825 asielaanvragen een beslissing genomen. Het ging in 14.750 gevallen om een afwijzing (74,4%).  Een afwijzing betekent nog niet een uitwijzing, zo zal inmiddels iedereen in België wel weten.  Op grond van de instroom aan asielzoekers blijkt ons land (opnieuw) een magneet voor gelukzoekers te zijn.

Ik bedoel dat niet smalend, ik heb het grootste begrip voor elk individu, voor elk gezin dat wil ontsnappen aan een onleefbare toekomst in een land waar geen werk is of waar je van werken amper kunt overleven, waar geen of nauwelijks sociale zekerheid bestaat, waar het onderwijs onbetaalbaar is of alleszins je kinderen niet voorbereidt op een betere toekomst. En dan zwijg ik nog over de echte redenen die asielzoekers kunnen hebben om hun land te ontvluchten: schendingen van mensenrechten, oorlog en geweld, dictatuur en vervolging omwille van meningen, geloof, seksuele aard, etc. Ik geef iedereen, alle ouders die kans zien om een uitzichtloze omgeving te ontvluchten naar een betere toekomst in wat vanuit hun perspectief een land van melk en honing lijkt, gelijk. Ik acht het waarschijnlijk dat ik in hun plaats hetzelfde zou doen.

Oorzaken

Dat België in sommige streken hoog staat aangeschreven als zo’n land van melk en honing, heeft verschillende oorzaken. De regularisatiegolf van 2009, die nieuwe gelukzoekers hoop geeft om na enkele jaren in de illegaliteit aan papieren te kunnen geraken. Het stopzetten van een effectief uitwijzingsbeleid. Filières die erin lukken snel en efficiënt grote aantallen gelukzoekers te verzetten (de drie grootste herkomstlanden van asielzoekers waren vorig jaar bijvoorbeeld Afghanistan, Rusland en Guinee). De vertrouwdheid van zo’n filières met enkele gaten in de wetgeving die het bijvoorbeeld mogelijk maken hier snel aan een uitkering te geraken.

En er is ook de hulp van binnenuit: een krachtige lobby van medestanders allerhande (politici en militanten van partijen met een sterke tiersmondistische reflex, OCMW-medewerkers, vzw’s specifiek voor vluchtelingenwerk, geëngageerde vrijwilligers en professionelen uit de brede integratiesector, breeddenkende studenten, publicisten, advocaten, artsen en gezondheidswerkers,… deze zuil zou eens in kaart moeten worden gebracht) neemt het niet enkel op voor asielzoekers maar ook voor arme sloebers uit nieuwe EU-lidstaten die van het vrij verkeer van personen genieten of voor illegalen en hongerstakers.  

De asielpoort is immers niet de enige waarlangs immigratiedruk op ons land wordt uitgeoefend. Asielzoekers zijn dankzij die asielaanvraag gekend en geregistreerd. Het aantal illegalen niet. Velen komen het land in zonder asiel aan te vragen. Of blijven in het land als hun aanvraag wordt afgewezen, zelfs als ze helemaal uitgeprocedeerd zijn leggen ze vaak een uitwijzingsbevel naast zich neer.

Een andere grote poort is de gezinsvorming en gezinshereniging. Het gaat jaarlijks om zo’n 30.000 nieuwkomers. Uit onderzoek blijkt dat nog steeds veel te veel vreemdelingen die bij ons verblijven of Belgen van bijvoorbeeld Marokkaanse of Turkse origine hun partner (en daaropvolgend zijn of haar familie) in het herkomstland halen. Door het huwelijk met een Belg kunnen deze nieuwkomers meteen ook Belg worden en verdwijnen ze uit de statistieken als vreemdeling. Deze volgmigratie heeft op de integratie het effect van een processie van Echternach.   

Uit bovenstaande mag duidelijk zijn dat België aan een sneltempo en onomkeerbaar verkleurt.  Deze week zette De Standaard op haar voorpagina dat in Vlaanderen één op vier kinderen tussen 0 en 5 jaar van vreemde afkomst is. Massale immigratiegolven in een relatief korte tijdsspanne vormen enorme uitdagingen en leveren ook grote problemen op: problemen van vervreemding en verdringing, van gettovorming, van discriminatie en racisme,  integratieproblemen, capaciteits- en draagkrachtproblemen voor de welvaartsstaat waarin we leven.  Het beleid volgt een immigratiegolf slechts schoorvoetend. Gewoonlijk duurt het enkele jaren vooraleer het de overheid lukt zich af te stellen op nieuwe, dringende actie vragende maatschappelijke ontwikkelingen.

Verschillende visies

Vooral de Vlaamse overheid leverde de voorbije jaren inspanningen die door de Franstalige overheden tot nog toe nagelaten werden, gewoon omdat zij anders tegen de zaak aankijken.  Als lid van de internationale francofonie heeft Franstalig België al wat immigratievarkentjes in een assimilatiebad gewassen: de massale immigratie van enkele honderdduizenden Vlamingen in de bloeitijd van de Waalse industriële centra liet in Wallonië vandaag weinig meer Vlaamse sporen overeind dan de familienamen. Sedert het ontstaan van het officieel Franstalige België werd ook de Vlaamse meerderheid in de hoofdstad Brussel in minder dan 200 jaar een (weliswaar beschermde) nog steeds slinkende minderheid.  Voor Franstaligen stond integratie lange tijd gelijk aan assimilatie en verfransing in die superieur gewaande taal en cultuur. Met de recente immigratiegolven lukt dit niet zo goed meer. Het Frans verliest er de jongste jaren ook steeds verder terrein.

In Vlaanderen domineert, ook om historische redenen, een andere visie op immigratie. Vlaanderen heeft  een beleid in de steigers gezet dat  gericht is op integratie. Zij het alvast uitgaand van een premisse die normaliter enkel  onafhankelijke staten aankleven:  nieuwe groepen inwijkelingen moeten bereid zijn de lingua franca van het grondgebied aan te leren en zelfredzaam worden.  Om historische redenen staan de bescherming van het Nederlandstalig karakter van Vlaanderen  (in het bijzonder in de Vlaamse Rand rond Brussel en langsheen de taalgrens) en het overeind houden van het Nederlands in Brussel al lang hoog op de Vlaamse politieke agenda.  Weinig sectoren boomden de voorbije jaren zo als die van de Nederlandse taallessen voor anderstaligen.

Enkele voorbeelden van Vlaams integratiebeleid dat de jongste jaren gestalte kreeg :  decretale regels om alle kinderen gelijke onderwijskansen te waarborgen (dankzij de liberale onderwijsminister Marleen Vanderpoorten), maatregelen om nieuwkomers in te werken op de arbeidsmarkt, de taalbereidheid in de sociale huisvesting, de inspanningen om de leefbaarheid van concentratiewijken te verbeteren en het samenleven in diversiteit, eerst in de steden maar stilaan ook in de kleinste dorpen, te vergemakkelijken.

Maar de basispijler van dit beleid is het gestructureerde,  gedecentraliseerde en kosteloze  inburgerings- en integratiebeleid. De beleidssteen die de loop van de rivier heeft gewijzigd,  door de verplichte toepassing op nieuwkomers van buiten de EU en op wie zich via gezinsvorming en gezinshereniging met een Belg permanent in Vlaanderen vestigt, werd door minister Marino Keulen gelegd.  Ook EU-onderdanen hebben recht op zo’n gratis inburgering. België herbergt immers met Brussel de hoofdstad van de EU en de Navo-zetel en trekt daardoor ook heel wat bemiddelde EU-onderdanen aan die zich hier tijdelijk of permanent vestigen.

Tussen haakjes: in Brussel bracht de som van deze al jaren durende legale en illegale immigratie via de verschillende poorten, zowel van buiten als van binnen de EU, recent een ware bevolkingsexplosie aan het licht. Die zorgt niet enkel meer voor diversiteits- en samenlevingsproblemen maar voor problemen op alle denkbare terreinen binnen de hoofdstedelijke regio en, zo wordt met de dag duidelijker, door de verhuizing van toenemende aantallen bewoners van vreemde origine uit Brussel naar de brede Rand, ook tot ver daarbuiten.

Onvoldoende resultaten

Doet Vlaanderen genoeg? Levert dit beleid resultaten op? Onvoldoende.  Statistieken wijzen op het tegendeel, recente nieuwsfeiten waren evenzovele alarmkreten.  Het beleid van vandaag is onvoldoende opgewassen tegen de kracht waarmee de ongecontroleerde immigratie op Vlaanderen inbeukt. Uit statistieken blijkt dat achterstandskenmerken niet weggewerkt geraken. Het Loonkloofrapport reveleerde dat slechts vier op tien inwoners met de nationaliteit van een land buiten de EU werken. Dit cijfer is de voorbije jaren nog gezakt in plaats van gestegen. Nog problematischer is dat bij de vrouwelijke vreemdelingen slechts 26 procent een job heeft.

Tegelijk doen zich grote capaciteits- en andere problemen voor.  Dat is in Vlaanderen vooral duidelijk in het onderwijs: we hebben scholen en leerkrachten te weinig en ontzettend veel jongeren (vooral van vreemde origine) verlaten de school zonder diploma. In Brussel is de toestand van het Nederlands onderwijs dramatisch, die van het Franstalig onderwijs zo mogelijk nog erger. Werkloosheid en kansarmoede zijn vooral in onze grootste steden schering en inslag, met schrikbarende aantallen mensen van allochtone origine die beroep doen op een leefloon.  Met vaak overlast, crimineel of ander niet aanvaardbaar gedrag als homobashing, of het lastig vallen van vrouwen en meisjes die zich niet sluieren of te “onzedig” zijn uitgedost. Met gevangenissen die vol zitten met misdadigers van allochtone origine.

De media belichten bepaalde van die uitwassen misschien in overdreven mate.  De aandacht die een in de ogen van vele moslims onbetekenende splintergroep als Sharia4Belgium bijvoorbeeld krijgt, voedt de vrees bij een bepaalde autochtone publieke opinie voor een islam op Europese veroveringstocht.  Ook nieuwsberichten over homobashing of over een fanatiek debat over (voor of tegen) de hoofddoek creëren de perceptie dat een groeiende minderheid zich niet wil integreren maar de wet wil dicteren. Dat de baas van de staatsveiligheid het nodig vond publiek te maken dat hij de salafistische sharia4belgium wil verbieden, bevestigt het beeld dat alle moslims te vrezen zijn, hoe terecht de vrees ook is die hij uitte n.a.v. de terreur van de moslimextremist van Algerijnse origine Mohammed Merah, dat de salafisten (minder dan 0,2% van de moslims in België) de grootste bedreiging vormen voor de democratie in West-Europa.  Het helpt de strijd tegen racisme en discriminatie niet.

Diepe kloof

Het is evident dat de grote instroom van migranten in België en dus ook in Vlaanderen mede zijn verklaring vindt in de versnippering van de bevoegdheden over asiel-, migratie- en inburgeringspolitiek in ons land. Daarbovenop hebben de verschillende visies van de Vlaamse en de meeste Franstalige politieke partijen (PS, CDH, Ecolo), de totstandkoming van een kordaat, snel en coherent beleid op federaal vlak jarenlang  parten gespeeld. Tekenend is dat in een periode van lopende zaken in het federaal parlement verstrengingen werden doorgevoerd van de regels op de gezinshereniging, die onder een met volle bevoegdheid besturende regering voorheen politiek onhaalbaar waren.

Hoe diep de kloof tussen deze Franstalige partijen en de Vlaamse is, werd geïllustreerd door de bemoeienis van een PS-senator aan boord van een vliegtuig met de uitwijzing van een illegaal naar Marokko.  De Vlamingen zullen niet licht vergeten dat de eerste Franstalige premier van het land sinds decennia  in eerste instantie weigerde afstand te nemen van zijn partijgenote.  Pas toen bekend raakte dat de senator het opgenomen had voor een beroepsmisdadiger die al 16 jaar illegaal in België verbleef, in die periode 42 keer was opgepakt onder acht verschillende valse namen en 20 bevelschriften om het grondgebied te verlaten naast zich had neergelegd, werd Di Rupo bereid gevonden een persmededeling uit te sturen waarin hij beklemtoonde “dat er met uiterst strenge hand moet opgetreden worden tegen misdadigers die illegaal in ons land verblijven en voor wie geen plaats is in België”.  

Maar ondanks aandringen van de Vlaamse partijen in de Kamer, slaagde hij erin met geen woord over zijn partijgenote te reppen. Dat uit de sociale media intussen blijkt hoe PS-senator Fatiha Saïdi in Franstalig België glorieert als verzetsheldin voor de Franstalige verdraagzaamheid en tegen het Vlaamse racisme, illustreert nog eens de afgrond die vele Vlamingen en vele Franstaligen in België tussen elkaar voelen gapen. Maar de aangelegenheid illustreert evengoed het gebrek aan inzicht bij de leidende Franstalige politieke klasse dat ze met die houding het land nog verder uit elkaar aan het drijven is.

Draagkracht

Hoewel dit ook in Vlaamse politieke partijen nog als een taboe geldt, kunnen we niet lang meer de ogen blijven sluiten voor de Europese vergelijkingen, binnenlandse statistieken en de toenemende alarmkreten over capaciteitsproblemen in tal van sectoren die aantonen dat de draagkracht van de Belgische en Vlaamse samenleving voor een immigratie aan dit tempo overschreden is.

Net als de gezondmaking van de publieke financiën, de hervorming van onze federatie of de terugdringing van het overheidsbeslag, hoort de federale regering ook het dalen van de immigratiecijfers naar het niveau van het Europees gemiddelde te beschouwen als een absolute prioriteit. Het asiel- en immigratiebeleid is voor de Vlaamse partijen die de gok hebben gewaagd om als Vlaamse minderheid in de regering van de Franstalige PS-premier te stappen, evengoed als de drie andere een thema waarop in 2014 effectieve resultaten moeten kunnen worden voorgelegd als ze niet het risico willen lopen verder gekannibaliseerd te worden.  

Gelukkig heeft de leiding van Open Vld dit ingezien. Door de portefeuille van asiel en migratie op te eisen en aan de liberale Maggie De Block toe te vertrouwen, heeft de partij tot 2014 de tijd om een betekenisvolle kentering in het asiel- en migratiebeleid te bewerkstelligen. Deze week keurde de ministerraad alvast haar ambitieuze plan goed waarmee op een structurele wijze de instroom van asielzoekers moet dalen en de uitstroom moet stijgen.

Tegen racisme

Vlaanderen zal de komende jaren verder moeten leren leven met een immigratiegolf die zich in heel Europa voordoet.  Vlaanderen kan niet homogeen Vlaams blijven zoals het ook al lang niet meer homogeen katholiek is, maar zal nog diverser en kleurrijker worden dan vandaag. Veel Vlamingen zijn hiervan nog altijd niet doordrongen.  Ze beschouwen de intrede van de diverse samenleving als een omkeerbaar verschijnsel dat we eerst nog een tijdje zullen moeten uitzweten.

Deze week vertelde een bestuurder van een huisvestingsmaatschappij me dat autochtone kandidaat-huurders meer en meer bezwaar maken tegen de toewijzing van een woning in een straat waar al veel allochtonen wonen. Of dat autochtonen die in een sociale woning tussen veel allochtonen wonen, om een verhuizing naar een “witte wijk” verzoeken.  De bestuurder, niet meer van de jongste, krabde zich al in het haar bij de problemen die hij voorspelt eens “de vreemden ook een beroep zullen willen doen op onze rusthuizen”.

De Vlaamse overheid en de Vlaamse politici staan aan de vooravond van lokale verkiezingen. Ze hebben nog een grote sensibliseringsopdracht te volbrengen en een actieve strijd tegen racisme en discriminatie te voeren.  En daarnaast zit er in Vlaanderen niets anders op dan dat de Vlaamse regering op alle terreinen meer capaciteit, daadkracht en middelen opbrengt om van de nieuwkomers nieuwe Vlamingen te maken, die Nederlands spreken, een diploma halen, een job uitoefenen en aangemoedigd worden om mee te doen met hun buren, collega’s, vrienden en kennissen aan de Vlaamse gemeenschap. 

14:05 Gepost door peter in Actualiteit, integratie | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook | | |

27-03-12

Over de scheidingstaks, fervente democraten en de noodzaak van belastingen

‘Mensen die uit de echt scheiden, moeten meestal een moeilijke en harde periode doorstaan. (…) Wanneer de woning in eigendom is van de beide (ex-)partners, is de verdeling ervan een bijzonder netelige kwestie. Naast de emotionele geladenheid die een dergelijke verdeling met zich meebrengt, heeft ze ook een financieel gevolg dat niet te onderschatten is en dat voor extra problemen kan zorgen. Die financiële component (…) wordt nog eens verzwaard door de belasting van 1 procent registratierechten die wordt geheven bij een verdeling van onroerende goederen.’

Met deze woorden lichtten zes Vlaams volksvertegenwoordigers van CD&V in februari 2004 een voorstel van decreet toe waarmee ze het zogenaamde verdeelrecht wilden hervormen. Eigenlijk haalden ze hun mosterd in een brochure waarmee het toenmalige kartel Sp.a-Spirit zichzelf als “Ideeënfabriek” in de markt trachtte te zetten. Onder de titel ‘Geen extra belastingen op je huis als je uit elkaar gaat’ noemde de toenmalige voorzitter van Sp.a dit verdeelrecht ‘een belasting op tegenspoed. Op zo’n moment spuwt de overheid de mensen in het gezicht. Zelfs de meest  fervente democraat, overtuigd van de noodzaak van belastingen, slaat dan aan het twijfelen.’ (Knack, 4 februari 2004)

De CD&V-parlementsleden konden het daar toen slechts mee eens zijn. Daarom stelden ze in hun voorstel van decreet voor om het tarief bij de verdeling van onroerende goederen naar aanleiding van een echtscheiding, te wijzigen van 1% naar 0%.

Vandaag ligt in het Vlaams Parlement over dit onderwerp het “Ontwerp van decreet houdende wijziging van het tarief op het recht op verdelingen en gelijkstaande overdrachten” ter bespreking. De inhoud ervan is in één zin samen te vatten: de Vlaamse regering van CD&V, Sp.a en N-VA  brengt het verdeelrecht van 1% naar 2%. Zelfs al bent u de meest fervente democraat, twijfel niet aan uw ogen of verstandelijke vermogens, die 2 is geen tikfout voor 0.

Al bij het debat over de begrotingscontrole van februari was immers duidelijk dat de Vlaamse regering met deze verdubbeling van het verdeelrecht een bijkomende belasting oplegt waarvoor ze al dit jaar op 30 miljoen euro nieuwe inkomsten rekent. Om begrijpelijke redenen waren minister-president Kris Peeters noch minister van Financiën Philippe Muyters in het parlementair debat erg spraakzaam over deze belastingverhoging. Peeters verstopte zijn uitleg in een jargon waar weinig parlementsleden en journalisten in thuis zijn. Hij verdedigde de maatregel “als een verdere modernisering van de registratierechten in de brede betekenis”.

Het verdeelrecht is een belasting die inderdaad niet enkel wordt toegepast wanneer onroerend goed moet worden verdeeld bij een echtscheiding. De belasting is ook verschuldigd wanneer na een erfenis een van de erfgenamen het onroerend goed, bijvoorbeeld het ouderlijk huis, wenst te behouden. Tenslotte moet verdeelrecht worden betaald wanneer een onroerend goed uit een vennootschap wordt onttrokken.  Vooral in de eerste twee gevallen, bij echtscheiding en bij erfenis, voelen veel getroffenen het aan zoals CD&V en Sp.a-Spirit dit in 2004 erkenden, alsof de overheid hen in het gezicht spuwt.

Het ontwerp van decreet dat deze week wordt besproken en dat de verdubbeling van het verdeelrecht invoert, bevat niet eens een algemene toelichting. Dat zou wel eens een primeur kunnen zijn. Verschillende anciens kunnen zich niet herinneren dat een regeringsontwerp ooit in het Vlaams Parlement is ingediend zonder toelichting.

U begrijpt ongetwijfeld waarom de regering liefst zo weinig mogelijk woorden vuil maakt aan deze belastingverhoging:  CD&V en socialisten pakken immers uit met een verdubbeling in plaats van een afschaffing van de scheidingstaks. Ze doen krek het tegenovergestelde van wat ze hadden voorgesteld. De Vlaamse regering schaamt zich daarvoor, schaamt zich diep, maar heeft toch beslist zo snel mogelijk en met zo weinig mogelijk schade over die schaamte heen te stappen en over te gaan tot de orde van de dag.

Want waar moet de regering anders die 30 miljoen bijeen sprokkelen? En bij wie kan Peeters II makkelijker 30 miljoen, op kruissnelheid zelfs 40 miljoen euro inpikken dan bij mensen (ter attentie van N-VA: in overwegende mate wellicht hardwerkende Vlamingen die de Vlaamse regering eerder al de jobkorting heeft afgepakt) die daar op het moment van de gênante beslissing nog over in het ongewisse zijn?  

En al de gescheidenen die nog dit jaar worden gepluimd om die dertig miljoen extra inkomsten in de Vlaamse schatkist te krijgen, hebben als het zover is wel wat anders aan hun hoofd. Dat leert bijvoorbeeld een andere passage uit de Toelichting van het oude voorstel van decreet van CD&V: ‘Mensen die uit de echt scheiden, moeten meestal een moeilijke en harde periode doorstaan. Op allerlei terreinen moeten er oplossingen worden gevonden: de administratieve rompslomp moet gebeuren, kinderen, ouders, familie en vrienden moeten worden ingelicht, verhuisplannen moeten worden gemaakt, enzovoort.’

Inderdaad, enzovoort.

15:01 Gepost door peter in Actualiteit | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook | | |

09-03-12

Bulgaarse bouwvakkers

Ik weet het wel, bij de liberalen is “optimism a moral duty”. Toch kan ik me niet onttrekken aan een gevoel van onbehagen in deze tijden van financieel-economische crisis, crisis van de euro, globalisering en vrij verkeer van mensen en goederen.  Gisteren die reportage gezien op Terzake over Belgische transportfirma’s die Slowaakse vrachtwagenchauffeurs inhuren omdat die veel goedkoper zijn dan hun Belgische collega’s? Het is volslagen wettelijk.

Een tijdje geleden stuurde een voormalige collega me een brief door waarin een koppelaar ervaren Bulgaarse bouwvakkers aanprijst aan Vlaamse bouwbedrijven, “om uw vacatures op een gezonde, concurrentiële manier te helpen invullen”, met name aan 17 euro per uur all in.

Bij ons rekenen bouwbedrijven hun klanten voor de best geschoolde schrijnwerkers bijvoorbeeld uurlonen van 48 euro aan. Van die lonen houden de arbeiders zelf slechts 25 tot 30 procent over. Het brutoloon dat een ongeschoolde bouwarbeider zelf ontvangt bedraagt 12,5 euro per uur. Daarvan houdt hij (of zij) netto zowat de helft over, zonder extra’s als vakantiegeld, bijzondere premies of maaltijdcheques.    

Volgens de koppelaar zijn Bulgaarse arbeiders gekend voor hun uitmuntende werklust, hun goede opleiding en juiste spirit. Hij weet ook dat Bulgaren graag overuren maken. De briefschrijver  meldt verder dat de Confederatie Bouw gratis advies geeft over zijn voorstel en contracten. Want “het spreekt vanzelf dat alles verloopt conform de Europese en Belgische wetgeving ter zake.” Het slot van de brief wil ik u ook niet onthouden: “Bulgaarse arbeiders staan klaar voor u! Bent u klaar voor Bulgaarse arbeiders?”

Onbehagen dus. Misschien ben ik wel niet klaar voor Bulgaarse arbeiders  als die in ons Europa van vrij verkeer van goederen en personen voor dumpingprijzen het personeelsbestand van onze bouwsector zouden domineren. En Slowaken dat van onze transportsector. En andere niet-Belgen onze onderhoudssector en zorgsector. En nu we bezig zijn: is het toegestaan te betreuren dat Vlaamse industriële bedrijven verhuizen naar lageloonlanden?

De concurrentie is immers Europees, zelfs mondiaal. Wat wil je daartegen doen? En je hoort ook wel eens zeggen dat de Belgen geen zwaar of vuil werk meer willen doen. En dat we hier al veel te lang boven onze stand leven. Ik prijs me gelukkig dat ik geen zwaar of vuil werk hoef te doen. En voor u het vraagt, ja hoor, ik ben zeker bereid om langer te werken!

Maar dan moet ik toch weer denken aan de nieuwsberichten over het leven van gewone mensen vandaag in Spanje, Griekenland of Ierland, bakermatten van de Europese cultuur die zoveel Vlamingen jarenlang als toeristen hebben mogen verwelkomen.

Onbehagen, ja. Zijn dat die verenigde staten van Europa die we willen? Waar blijft het Europese politieke antwoord dat hoop geeft? En wie geraakt verder dan slagzinnen?

12:12 Gepost door peter in Actualiteit | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook | | |

01-03-12

Er bestaat geen bond voor gepluimde gescheidenen

Blijkbaar was er een partij in de Vlaamse regering die eiste dat er ook verse inkomsten, nieuwe belastingen dus, werden gevonden om het gat in de begroting te vullen. Ik zie de ministers daar zitten, in hun brede lederen zetels in het zaaltje van de ministerraad op het Martelaarsplein, slurpend van een kopje verse koffie: wie heeft een idee? Eerst komen bij elke partij de taboes bovendrijven. Hoe lang de palaver duurde, weten we niet, maar hij leverde wel een pracht van een nieuwe belasting op. Minister-president Kris Peeters kondigde bijna fier aan dat op jaarbasis 40 miljoen bijkomende inkomsten zullen binnenstromen door de taks op het verdeelrecht, een registratierecht dat moet worden betaald om uit onverdeeldheid te treden, te verdubbelen, van 1 procent tot 2 procent.

 

Het lijkt peanuts, maar ik vind dat deze prachtige nieuwe belasting, verkocht als "een verdere modernisering van de registratierechten in de brede betekenis", getuigt van een ontstellend gebrek aan consideratie, aan mededogen zelfs. Want de Vlaamse regering treft er voornamelijk en keihard een doelgroep mee waarvan ze maar al te goed weet dat ze zwak is en nauwelijks georganiseerde belangenverdedigers telt: koppels die uit elkaar gaan en gedwongen worden om hun huis te verkopen.

 

Door de verhoging van het verdeelrecht met één procent berooft de Vlaamse regering mensen die zich al in moeilijke omstandigheden bevinden, in de meeste gevallen van meer dan een maandloon. Reken even mee: een gemiddelde woning in Vlaanderen is al snel 250.000 euro waard. De verhoging van het verdeelrecht met één procent kost wie het moet betalen dus 2.500 euro extra.

 

Ik ken niemand die gescheiden is en die daar niet onder geleden heeft: verdriet, gevoelens van mislukking, woede, frustratie, ongeluk. De Vlaamse regering voegt daar nu een extra financiële straf aan toe als er een huis verkocht moet worden. Een huis waarvan ze op de aankoopprijs eerst al eens 10 procent registratierechten heeft geïnd.

 

Kris Peeters trachtte de maatregel in het Vlaams Parlement te verdedigen door te wijzen op "het te grote verschil tussen het algemene overdrachtrecht van 10% (bij de aankoop van het huis) en het bijzondere overdrachtrecht dat het verdeelrecht is", dat daarom dus van 1 naar 2% wordt gebracht. Twee procent is toch nog heel wat minder dan 10 procent? En bovendien ontvangen de verkopers toch de verkoopwaarde van hun woning? Ik ruik veel macchiavellisme in die nieuwe belasting.

 

Ik ben niet gespecialiseerd in het onderwerp, maar een snelle zoekopdracht op internet levert massaal de wetenschappelijke bewijzen en schrijnende getuigenissen dat echtscheiding de kans op armoede verhoogt. Twee voorbeelden: de Universiteit Antwerpen toonde aan dat gescheiden moeders met jonge kinderen meer in de armoede belanden dan het gemiddelde gezin. Een Nederlands onderzoek stelt dat in 16 procent van de gevallen het inkomen na een scheiding onder de armoedegrens zakt, terwijl van de stabiele echtparen in een jaar maar twee procent arm wordt.

 

De Vlaamse regering telt naar het schijnt ook een minister die bevoegd is voor Armoedebestrijding. Het is dezelfde minister die bevoegd is voor Media. Was ze misschien te gepreoccupeerd bezig met het afschermen van een taboe, de oprichting van haar derde net voor de VRT? Vlamingen in de Wetstraat noemen de VRT wel eens het enige Vlaamse medium met de macht om politici te maken en te kraken. Een bond voor gepluimde gescheidenen hebben we nog geen acties horen aankondigen. De kinderen van gescheiden jonge moeders zullen misschien wat minder brood hebben, ze krijgen wel een fonkelnieuwe kinderzender.

10:49 Gepost door peter in Actualiteit | Permalink | Commentaren (1) |  Facebook | | |

13-10-11

N-VA blijft

 

Vanmorgen hoorde ik Jan Callebaut op Radio 1 uitleggen waarom het nieuws dat N-VA in de Vlaamse regering blijft, ondanks haar forse kritiek op het Vlinderakkoord, zo belangrijk is: de partij wil zich verder profileren als beleidspartij. Dat klopt natuurlijk. Maar het is niet het hele verhaal.

 

Het Vlaams Blok, van wie N-VA nu het electoraat aan het oppeuzelen is (nog zo’n 8% te gaan volgens de laatste peiling), werd door het cordon sanitaire sinds haar electorale doorbraak eind de jaren tachtig altijd in de oppositie gehouden. Door het cordon maar ook door eigen foute strategische keuzen bleef het een partij van schreeuwers aan de zijlijn. Met het N-VA-alternatief op rechts lijkt ze daar nu ten onder te zullen gaan. Onder meer uit de fouten van  het VB heeft Bart De Wever geleerd.

 

Om in de Vlaamse regering te kunnen blijven zitten, moest de voorzitter van N-VA in het Vlaams Parlement wel toegeven dat het Vlinderakkoord niet strijdig is met de Octopusnota uit het Vlaams regeerakkoord. Wat impliceert dat de balans van het Vlinderakkoord dus eigenlijk niet zo slecht is als sommige N-VA’ers over onderdelen ervan hadden uitgeroepen.

 

Het Vlinderakkoord kwam er omdat N-VA de onderhandelingstafel had afgewezen. Toen ging een zucht van verlichting door Franstalig België. De Franstalige partijen rond de tafel stelden zich plots begripsvoller en coulanter op tegenover de Vlaamse partijen die al ja of ja maar hadden gezegd vóór het neen van N-VA. Het fijne van wie daar toen wie rolde, moet nog ontrafeld worden.

 

Maar de afwezigheid van N-VA maakte het paradoxaal genoeg ook makkelijker voor de kleinere Vlaamse partijen rond de tafel. Ze beseften dat ze enkel mochten instemmen met een compromis dat de bandbreedte van de nota die De Wever zelf had opgesteld, niet flagrant mocht overschrijden. Ze moesten ervoor zorgen dat het compromis in mainstream Vlaanderen (het niet uiterst rechtse of separatistische electoraat) verkoopbaar zou blijven.

 

De maximale consolidatie van die kiezers uit mainstream Vlaanderen is meteen ook de reden waarom N-VA in de Vlaamse regering blijft. Deze kiezers vroegen bij de jongste verkiezingen geen Vlaamse staat maar een minimum aan respect voor de Vlamingen en voor wat Vlaanderen al jaren verlangt: een deftig bestuur in hun regio en dus ook in hun land België, want het een ging eigenlijk al jaren niet goed meer zonder het ander.

 

De Vlaamse regering blijft inmiddels nog altijd de regering waar je als partij die beleid wil voeren, beter in zit dan niet. In vergelijking met de federale regering heeft Vlaanderen, zoals we met de jongste septemberverklaring hebben gezien, nog altijd ruimte voor cadeautjes. De Vlaamse bevoegdheden lenen zich ook veel beter dan de federale voor een politiek van weldoenerschap (zoals subsidies uitdelen aan verenigingen, bedrijven en instellingen, geld steken in dingen die echt onze toekomst bepalen zoals onderwijs, onderzoek, kinderen, dingen verhelpen of verbeteren die de mensen echt ergeren zoals slechte wegen, gevaar in het verkeer, files, sociaal zijn voor wie kansarm is via een gamma van instrumenten als sociale woningen, renovatiepremies, maar ook de hele enorm groeiende welzijnssector).

 

Het Vlaamse weldoenerschap van het Martelaarsplein maakt de mensen duidelijk wat de politiek vermag te verwezenlijken, ook al lukt het niet altijd zo goed om de wensen van iedereen te verzoenen. Het Martelaarsplein gelijkt in die zin meer op een Dorpsstraat dan op de Wetstraat. En iedereen die aan gemeentepolitiek doet, weet: in de gemeentepolitiek zit je beter in het college dan in de oppositie.

 

Voor de uitbouw en consolidatie van N-VA als grootste Vlaamse politieke factor is de aanwezigheid in de Vlaamse regering om nog andere redenen handig. Besturen is een vaardigheid waarvoor je mensen met kennis van zaken nodig hebt, bekwame krachten die het klappen van de politieke zweep kennen en loyaal zijn. Alle partijen en zeker snelgroeiers als N-VA proberen niet enkel politieke talenten aan te trekken, ze moeten ze ook kunnen houden, laten kiemen en ontbolsteren. Een ministerieel kabinet is daar een uitstekende kweekvijver voor, in alle beleidspartijen zie je dat trouwens enkele jaren later aan de parlementaire fracties.

 

Bovendien zijn er volgend jaar gemeenteverkiezingen. Ook daarvoor is de Vlaamse regering nuttig. Geert Bourgeois mag die verkiezingen in Vlaanderen als minister van Binnenlands Bestuur organiseren. Hij zal er ongetwijfeld mee in de kijker lopen. Elke woordvoerder weet verder dat je makkelijker in de media komt als je partij ministers telt. Dat is evident. De slimsten slagen er à la Crevits ook nog in om alleen met positieve en constructieve verhaaltjes op tv te verschijnen.

 

Minder algemeen geweten is dat ministers ook voor het lokale en middenkader van een partij van onschatbare waarde zijn. Ministers zijn per dag makkelijk zestien uur of langer in het getouw. In tegenstelling tot wat Jan Publiek denkt, werken ze niet enkel voor het algemeen belang, maar ook voor het belang van hun partij. De Vlaamse ministers gaan weldoend en vriendelijk de Vlaamse dorpen en steden rond. Ze plaatsen hier een woordje bij een receptie, knippen daar een lintje door, zetten tussendoor mensen in de bloemetjes of overhandigen lachend een cheque. ’s Avonds spreken ze een serviceclub toe bij een deftig diner of treden ze op als publiekstrekker voor een net opgerichte partij-afdeling. Ze verzamelen goodwill bij de plaatselijke stakeholders, opiniemakers en partijmandatarissen. Ze krijgen meer volk op de been dan parlementairen. Ze maken de lokale militanten enthousiast. Ze zorgen voor uitstraling ten voordele van de partij in heel de wijk, buurt, dorp of stad, met nog wat afstraling in de lokale media bovenop.

 

En dan is er nog een reden waarom de keuze van N-VA om te blijven zitten in de Vlaamse regering niet zo dwaas is. Ze werd in het debat in het Vlaams Parlement aangevoerd door Filip De Winter: zo kan N-VA in Vlaanderen als regeringspartner intern wat oppositie voeren. De partij kan coalitiepartners wat irriteren, spektakel gegarandeerd, door overal wat lastig te doen. Bijvoorbeeld over een bijdrage in de sanering van het geheel van de staatsfinanciën kan N-VA zich blijven opstellen als de waakhond van een nu al gedateerd regeerakkoord uit 2009, want België en Europa hebben de jongste maanden op financieel-economisch vlak eigenlijk zoiets als een copernicaanse hervorming ondergaan, zij het niet in de zin van het Vlaams regeerakkoord.

 

Als de regering Di Rupo ooit het levenslicht ziet, kunnen de machtige  N-VA-fracties in het federale parlement als grootste oppositiepartij keihard van leer trekken tegen al wie in een tot grote soberheid en besparingen gedwongen meerderheid maar de kleinste vinger opheft naar de hardwerkende Vlaming. Neen, wie gedacht had dat alleen het afsluiten van een communautair akkoord N-VA de wind uit de zeilen zou nemen, stopt beter nog even met dromen.

 

14:20 Gepost door peter in Actualiteit | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook | | |

10-10-11

Over liberalisme en nationalisme

De opinie “Liberalen gruwen van nationalisme” van mijn partijgenoot Mathias De Clercq, die op 10 oktober gepubliceerd werd in De Standaard, heeft me onaangenaam getroffen. De vrije tribune van het Open Vld-kamerlid was een reactie op een opiniebijdrage van N-VA-voorzitter Bart De Wever op 8 oktober in dezelfde krant. Wat ik van die laatste bijdrage heb onthouden, is dat Bart De Wever het zou betreuren indien de karikatuur die sommige liberalen vandaag van het nationalisme maken, het partijpolitiek liberalisme en het nationalisme in Vlaanderen op een ideologische ramkoers zou brengen.

 

De titel boven het artikel van Mathias De Clercq bevestigt de ramkoers. Ofschoon het jonge liberale boegbeeld uit Gent er de grootste filosofen en auteurs bijroept als Immanuel Kant, Paul Cliteur, Fernando Savater, Amartya Sen, Mario Vargas Llosa of György Konrad (hij dropt ongeveer één naam per alinea), slaagt hij er niet in de karikatuur van het nationalisme te overstijgen. “Het liberalisme sluit de mens niet op in één identiteit of één gemeenschap zoals nationalisten doen”, schrijft De Clercq. Nationalisten leggen een identiteit op aan anderen, terwijl liberalen daar net van gruwen. De liberaal is er echter gerust op. “Mensen zullen steeds meer inzien dat het discours van N-VA gericht is op het verdelen van de samenleving in ‘goede’ en ‘slechte’ mensen. Nationalisten opteren finaal voor het ‘eigen volk eerst’, en dat staat haaks op het liberale mens- en wereldbeeld.” En hij besluit: “Nationalisme is een gif dat de rede verlamt en gevoelens van afkeer voor de andere stimuleert. Liberalisme staat dus wel degelijk haaks op nationalisme.”

 

Ik heb grote bewondering voor Mathias De Clercq. Het is niet makkelijk om als kleinzoon van een grote liberale staatsman een eigen politieke familienaam te verwerven. En al zeker niet in Oost-Vlaanderen. Uit al wat Mathias doet en schrijft, lijkt een enorm engagement naar voren te springen, een oprechte gedrevenheid, de roekeloze passie van een kruisvaarder, de onstuitbare bekeringsdrift van een jezuïet, het vrome geloof van een broeder. Politici die vanuit zo’n edele beweegredenen het mandaat van hun kiezers invullen, verdienen respect.

 

Het toeval wil dat ik inzake liberalisme en nationalisme tot een andere conclusie kom. Niet op grond van de geciteerde auteurs, die ik nochtans allen heel erg waardeer, de meesten omdat ik ze zelf heb verslonden, de anderen omdat ik ze ken uit de geschriften van een ander alom gerespecteerd liberaal kompas, Dirk Verhofstadt.

 

Mijn eigen verblijf in nationalistische kringen heeft me de nationalistische medemens anders leren kennen dan Mathias De Clercq hem gelooft te kennen. Van het einde van de jaren tachtig tot halverwege de jaren negentig werkte ik voor het Vlaams-nationaal weekblad WIJ, het krantje van de Volksunie. Ik heb daar linkse en rechtse nationalisten leren kennen, vrijzinnige en katholieke, progressieve en conservatieve, open geesten en ja, ook bekrompen geesten, diehards en romantische dromers. Ik heb er zwart en wit leren kennen, begrijpen en respecteren.

 

Ik heb vastgesteld hoe de lokroep van de Partij van de Burger van Guy Verhofstadt onweerstaanbaar was voor vele vrienden en kennissen die tot vandaag actief zijn in Open Vld, omdat de burgerdemocratie van Verhofstadt het liberalisme opnieuw verzoenbaar maakte met een verdraagzaam en volks nationalisme. Ik draag nu al een jaar of tien zelf een liberale stempel. Ik ben zelfs bestuurslid in een lokale afdeling van Open Vld. Maar ik bewaar evengoed nog altijd mooie herinneringen aan VU’ers die vandaag N-VA’er zijn. In de zowat 18-jarige broer van Bruno, de professor die de geschiedenis van de Vlaamse collaboratie uit de hagiografie heeft bevrijd, herkende ik destijds niet de raspoliticus Bart De Wever die vandaag als “nationaal-liberaal” het hele Vlaamse politieke landschap van uiterst tot centrumrechts in zijn voortbestaan bedreigt.

 

Volgens Mathias De Clercq pleiten liberalen voor individualisme, dat hij fundamenteel tegengesteld noemt aan nationalisme en omschrijft als het recht op zelfbeschikking: dat elke man en elke vrouw zelf mag beslissen over zijn of haar leven, of en met wie men trouwt, of men kinderen wil, welk beroep men kiest, waar men gaat wonen, met wie men vriendschap sluit. Ik ben ook voor zelfbeschikking.

 

Maar ik zie rond me veel mensen die niet de middelen of de gelegenheid hebben om hun leven te kunnen bepalen; die kinderen willen en er toch geen krijgen; die geen keuze hadden over een huwelijk, of niet met wie; die al blij zijn dat ze werk hebben maar hun werk niet hebben gekozen… Voor die mensen probeer ik mededogen op te brengen. Uit mededogen kan je engagement puren, in tal van vormen. Mensen met engagement voor andere mensen kunnen zich organiseren, actie voeren. Zo ontstaan kringen van solidariteit, zo ontstaat een kostbaar weefsel, gemeenschap.

 

Mededogen lijkt me een edeler grondslag voor politiek engagement dan individualisme. Daarmee zeg ik niet dat dit laatste niet tot gemeenschap kan leiden. Zoals de plichtenleer ‘Du kannst, denn du sollst’ van Kant. Maar als ik me een gemeenschap tracht voor te stellen die uit individualisme voortspruit, komen me taferelen voor de geest van woedende aandeelhouders van Fortis. Toegegeven, vandaag geen al te beste vergelijking.       

16:29 Gepost door peter in Actualiteit | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook | | |

23-04-10

De draad van Linda De Win

Hieronder plaats ik een tekst die mijn gewezen collega Boudewijn Vanpeteghem heeft geschreven, over het mediacircus van Villa Politica, gisteren 22 april in de kamer:

De draad van Linda De Win    

 

Chaos in het parlement. Verschillende redacties sturen het nieuws de wereld in. Live. Alleen vertellen ze er niet bij dat het de perslui zelf zijn die de chaos veroorzaken en organiseren. En politici geven voor de micro’s en camera’s elk hun waarheid, die onderling zo sterk verschilt dat niemand nog weet wat echt is gebeurd.

 

De sfeer van de grote dagen. De adrenaline stroomt snel in de aderen van politici en journalisten. Verscheidene van hen gaan in overdrive. Het samenspel van hen die we gekozen hebben om de staatszaken voor ons te regelen en zij die ons daarover moeten inlichten, doet de democratie geen goed. Het geeft steeds meer kijkers en luisteraars een naar gevoelen.

 

Het werk van Linda De Win, frontvrouw van Villa Politica, kan daar als voorbeeld van worden beschouwd. Het heeft aanvankelijk iets sympathieks dat de journaliste, die klein van gestalte is, zich overal tussenwringt. Ze slaagt erin om de politici die er toe doen en niet toe doen, er is zendtijd te vullen, voor haar camera te halen.

 

Gaandeweg gaat haar optreden irriteren. Ze wordt zelf het voorwerp van een reportage onder de titel: de draad van Linda De Win, op www.deredactie.be. Het is niet goed als dat met journalisten gebeurd. Net zoals het niet goed is om een politieke crisis te behandelen als een soap en er een slechte thriller van te maken.

 

Het spektakel verplaatst zich in de vooravond naar de studio’s van radio en televisie. Toppolitici en mindere goden aan het politieke firmament komen er elkaar tegen in de schminkkamers van televisiezenders. Opiniemakers van diverse pluimage zijn er ook. Het tempo van de speciale journaals ligt hoog. Politici vertellen hun verhaal en vertrekken dan spoorslags naar hun zoveelste mediaoptreden.

 

Elk kent zijn tekst uit het hoofd en debiteert die waar het maar kan. Een journalist verwondert er zich over dat MR-voorzitter Didier Reynders al de hele dag hetzelfde vertelt. Wat had die dan verwacht?

 

Weinigen zullen de bladzijden en bladzijden crisisbijlagen van de kranten gelezen krijgen. En de aandacht van de persgilde is alweer afgeleid. Hij verschuift zich naar seksuele misbruiken in de Kerk. Een bisschop neemt ontslag. Het mediacircus verplaatst zijn tenten.

 

10:35 Gepost door peter in Actualiteit | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook | | |