10-06-12

Schrik van de moslims?

Het was de VRT die met de primeur kwam: Fouad Belkacem is bij hem thuis opgepakt. Voor wie net van mars komt: Fouad is het gezicht van de radicale moslimbeweging Sharia4Belgium. Hij was in België al eens veroordeeld, wegens het aanzetten tot haat tegen niet-moslims. Er lopen nog onderzoeken tegen hem en hij was ook in Marokko al veroordeeld.

Belkacem wordt beschouwd als de aanstoker van de rellen van vorige week in Sint-Jans-Molenbeek. Die rellen volgden op de arrestatie van een weerspannige vrouw in nikab, een kledingstuk waarmee je je in ons land niet in het openbaar mag vertonen omdat het je gezicht zo extreem bedekt dat het je onherkenbaar maakt. De vrouw in kwestie diende later klacht in tegen de politie. Ze beschuldigt de politiemannen ervan haar slagen en verwondingen te hebben toegediend en haar eerbaarheid te hebben aangerand.

Een van de collega’s waarmee ik ’s middags naar het VRT-journaal keek, zei bij het fragment over de arrestatie van Fouad meteen: ‘terecht’. Ik dacht: is dat zo? Is er voldoende grond?

Deze week struikelden politici , deskundigen en journalisten over elkaar in hun haast om Sharia4Belgium te veroordelen. Gisteren haalde premier Elio Di Rupo de voorpagina van Het Laatste Nieuws onder de kop: ‘Ook Di Rupo wil Shariah4Belgium verbieden’. Eerder deze week al viseerde minister van Binnenlandse Zaken Joëlle Milquet de organisatie. De SP.A was de minister voor: ze diende meteen een oud wetsvoorstel opnieuw in om ondemocratische groeperingen zoals Sharia4Belgium, maar ook neonazisten als Blood & Honour, te verbieden.

Bart De Wever vond natuurlijk al twee dagen geleden dat het allemaal al veel te lang duurt. De ministers Milquet en haar collega van Justitie Annemie Turtelboom moesten hun positief injunctierecht gebruiken om Belkacem achter slot en grendel te stoppen, zei de N-VA-voorzitter. De Wever heeft het al eens aan de stok gehad met enkele van die ‘gevaarlijke zotten’ die bij Sharia4Belgium zitten. ‘Bescherm mij voor deze gek’, luidde de kop in De Standaard.

En dan krijg ik Het Laatste Nieuws onder ogen. Op de voorpagina prijkt, in volle glorie met sensuele lippen, een wipneusje en ogen als een gazelle, omrand door een keurige zwarte coupe carré maar met strepen over het zwart-witte gezicht alsof het een ingescande paspoortfoto betreft, dat nikab-meisje zonder sluier. Zou ze toestemming hebben gegeven voor de publicatie, vraag ik me af. Het zou me verwonderen. En indien niet, hoe zou ze zich voelen bij het zien van de foto? En zou er een discussie ontstaan zoals met de publicatie van de foto’s van de slachtoffertjes van het dramatische busongeval in Zwitserland?

Ook de weinige omgevende tekstregels rond de foto op de voorpagina zijn om van te snoepen. De foto blijkt afkomstig uit Le Soir Magazine. De 24-jarige bekeerlinge militeert niet alleen voor Sharia4Belgium maar opereert ook als één van de minnaressen van die gevaarlijke Fouad. De nikab doet ze niet enkel uit om met hem te slapen, maar ook om te gaan werken (ze werkt dus!). Ze kleedt zich dan om in het busje dat haar komt ophalen, vertelt een buurman die bovendien weet dat ze eronder een bloesje en jeans draagt. De journalist stelt de lezers tenslotte gerust dat ze voordien niet bekendstond bij het gerecht. Maar haar moeder wel, als prostituee.

Als van links tot rechts, van boven tot onder en van de eerste tot de vierde macht eenzelfde ijver en daadkracht aan de dag wordt gelegd, krijg ik een ongemakkelijk gevoel. Argwaan bekruipt me bij zoveel exposure in de media, doortastendheid bij politie en gerecht en stoere taal in de Wetstraat. Gelukkig luiden er in onze media nog andere klokken, weliswaar op enkele opiniepagina’s, en zijn er ook politici die kanttekeningen plaatsen.

Volgens Belga verklaarde Turtelboom dat alles in het werk zal worden gesteld om een sterk dossier op te stellen tegen Fouad Belkacem, zodat zijn Belgische nationaliteit kan worden afgenomen en dat door België ingegaan kan worden op de Marokkaanse vraag om de man uit te leveren. Mijn aanvankelijke twijfel of de aanhouding terecht was, smolt weg. De minister vroeg zich ook af of een verbod op de organisatie wel zo’n goed idee is en ze wees erop dat de huidige wetgeving al ver gaat.

In De Standaard vindt Guillaume Van der Stighelen, de bekende ex-reclameman, het verbieden van Sharia4Belgium of een burka geen goed idee. Volgens hem moeten er regels zijn voor een leefbare samenleving, en moet de overheid optreden tegen groeperingen of klederdrachten die die regels overtreden. Ja Guillaume, denk ik, dat is ook makkelijker in een opiniestuk geschreven dan gedaan.

In De Morgen pleit Ayfer Erkul, een buitenlandredactrice van wie de naam een allochtone origine doet vermoeden, voor een kritische, niet hysterische houding tegenover Sharia4Belgium. Laat die clowns zeggen wat ze willen, zolang dat binnen de grenzen van de wet valt. Gaan ze daarover, voor de rechter ermee. Erkul wijst erop dat de overgrote meerderheid van moslims die Sharia4Belgium-kerels en -kerelinnen niet lust. Ze haalt een diepreligieuze en conservatieve moslim uit Brussel aan, die gekke Fouad en zijn volgelingen een bende zotten noemt, die niets van de islam hebben begrepen.

Ik voel me niet geroepen om dit te beamen of te ontkennen. Maar ik vrees dat Erful met haar conclusie wel eens gelijk kan hebben: ‘zolang die zotte Fouad in de spotlichten blijft, kunnen hij en Sharia4Belgium doen waar ze het best in zijn: de islamofobie in het land nog eens goed oppoken.’ En dat zou even contraproductief zijn als Fouad ongemoeid laten.

11-05-12

De spruiten van Geert Bourgeois stinken niet

De Vlaamse minister van Inburgering Geert Bourgeois ligt onder vuur, zo staat te lezen in de media, met zijn starterskit voor nieuwe volgmigranten. Hij is die deze week gaan voorstellen in Marokko. De kit bevat (volgens de pers) een checklist voor papieren die nodig zijn, een dvd met getuigenissen, een woordenboek en een brochure. Het zijn vooral de vele grappige (volgens sommigen beledigende) zinnetjes en voorbeeldjes over Vlamingen die de pennen doen vloeien.

Heel wat politieke tegenstrevers van Bourgeois of van zijn partij genieten ervan om de minister uit te lachen voor zijn bloemkool met witte saus, zijn paraplu die je hier elke dag nodig kunt hebben of het onverwacht bezoek dat onwelkom is. Tot op zekere hoogte is dat inderdaad allemaal erg vermakelijk. En zelfs integratie-bevorderlijk: het kan nooit kwaad dat de gewoonten, normen en zeden van de Vlamingen (en de nieuwe Vlamingen) door Vlamingen én nieuwe Vlamingen in vraag en ter discussie worden gesteld.

Humor is daarvoor een goede geleider: uiteindelijk gaat het in veel van de in de pers geciteerde voorbeelden om karikaturen van de Vlaming, die het voordeel van de bevattelijkheid genieten en, ja, er zit meestal wel een grond van waarheid in: Vlamingen hebben enkele traditionele groentebereidingen als bloemkool in witte saus (die je lust of niet), een paraplu is zeker de voorbije weken een handig ding en heel wat Vlamingen leven nu eenmaal zeer georganiseerd en planmatig, zodat de bel die onverwacht gaat, in veel gezinnen wel eens gevolgd wordt door een vloek of een zucht.

Sommige reacties op het werkstuk van Bourgeois (of is het van de Koning Boudewijnstichting?) zijn vileiner. Een columnist kon zich niet bedwingen om er een collaboratiefiguur als Verschaeve en het Ubervolk bij te halen. Anderen vinden dat de brochure van de minister wemelt van de vooroordelen, over Vlamingen én over allochtonen. Beschamend, belachelijk, bullshit, koloniaal, stigmatiserend,… het kan niet op.

Mijn wedervaren als medewerker van de voorganger van Bourgeois, Marino Keulen (Open Vld), heeft me geleerd dat het voor een politicus niet eenvoudig is in de communicatie over inburgering en integratie concreet te zijn en tegelijk geen controverse op te roepen. De antwoorden op vragen als wat inburgering en integratie inhouden, met welke verschillen in cultuur vaak ongeletterde volgmigranten uit rurale streken in Vlaanderen zullen worden geconfronteerd, hoe de overheid van nieuwkomers verwacht dat zij omgaan met rechten en plichten, met de regels en de wetten die bij ons van toepassing zijn, wat er nodig is om “het samenleven in diversiteit” in Vlaanderen mogelijk te maken, … geven meestal aanleiding tot discussie en debat.

De vraag of de spruitjes van Geert Bourgeois stinken of niet, is naast de kwestie. Veel relevanter vind ik het vast te stellen dat deze N-VA-minister van Inburgering met zijn starterskit aangeeft óók (net als zijn voorganger) te beseffen dat volgmigratie nog een hele tijd voor een belangrijke instroom zal zorgen, omdat het een mensenrecht is. Maar die volgmigratie kan om twee redenen maar beter wat aan banden worden gelegd.

Alleen: dat is een federale bevoegdheid. Gelukkig rijpt op het federale niveau nu ook bij Franstalige partijen de gedachte dat die poort van volgmigratie best wat dichter wordt gemetst. Omdat massale volgmigratie van laaggeschoolden niet in het belang is van onze Belgische samenleving, die de jongste jaren en via verschillende poorten een sterke instroom van legale en illegale en veelal laaggeschoolde nieuwkomers van buiten en van binnen de EU kent. Die instroom naar steden en dorpen in Vlaanderen, Wallonië en in heel Brussel zorgt voor samenlevingsproblemen in bepaalde wijken en voor uitdagingen op het vlak van capaciteit en financies inzake onderwijs, inburgering, beroepsopleiding, OCMW’s, sociale huisvesting,…

Maar een rem op de huwelijksmigratie is vooral in het belang van de ongeletterde en kansarme aspirant-migranten. Daarom is het positief dat ze tenminste een algemeen (en natuurlijk onvolkomen en zelfs karikaturaal) beeld krijgen van de toekomstige uitdagingen en hindernissen die hen in hun nieuwe thuisland wachten. Een inburgeringsinitiatief in het land van oorsprong zelf, naar Nederlands voorbeeld, ware wellicht beter geweest maar bleek in het huidige institutionele België nog geen haalbare kaart. Vandaar dus maar de starterskit, niet als uitwas van een bekrompen nationalisme, maar als een poging tot realpolitiek die alleszins beter is dan bij de pakken blijven zitten en schimpen.

20-04-12

Van Selge naar Altinkaya

Waar haalden ze het in hun hoofd, de anonieme stichters van Selge in Pisidium, om meer dan tweeduizend jaar geleden hun stad te bouwen op duizend meter hoogte in het Turkse Taurusgebergte? Vandaag resten er van de ooit grootste stad van Pisidium enkel ruïnes, waaronder een nog verbazend goed bewaard amfitheater dat plaats bood aan tienduizend (u leest het goed) toeschouwers.

Selge ligt ten noorden van Manavgat als je de snelweg van Antalya naar Alanya langsheen de Turkse rivièra neemt. Van de snelweg af ligt het nog ongeveer 55 kilometer, steeds dieper en hoger de machtige Taurusbergen in. De weg is goed berijdbaar tot aan de Koprulu Canyon in het gelijknamige natuurpark. Mijn dochter vond het opwindend langs die diep uitgesleten kloof in dit ruige natuurpark, waar de beren nog in het wild leven. Over de canyon ligt een smalle stokoude brug, toegeschreven aan de Romeinen, waar maar één auto tegelijk over kan.  Onze Turkse gids-chauffeur Ahmed drijft zijn Honda de brug over, de bergflank op, hotsend in een diepe put zonder zich om de mogelijke schade aan het voertuig te bekommeren.  Van daar is het nog twaalf kilometer naar Selge, over een weg die steeds moeilijker berijdbaar is, behalve door terreinwagens of voor chauffeurs zonder aanziens des wagens. Zoals de onze, die de opdracht van zijn baas uitvoerde met een huurwagen.

Tienduizend toeschouwers

De ruïnes van Selge zijn nauwelijks herkenbaar, op het indrukwekkende theater na dat als een reusachtig hoefijzer op de vlakte tussen de heuvels is gekwakt. De 45 rijen zitplaatsen kan je helemaal tot bovenaan beklimmen. De oude scènemuur is helemaal tot puin vervallen, naar verluidt door een blikseminslag een eeuw of wat geleden.

Zoals alle schaarse bezoekers voor de nog onontgonnen archeologische site krijgen we meteen het gezelschap van enkele oudere vrouwen, behulpzaam in het duiden van de ruïnes en hun eigen armtierige bestaan op een berg ver van de beschaafde wereld. Naast de halskettingen die we ook al in de bazars van het kustplaatsje Belek hadden gezien, verkopen ze producten van hun huisvlijt, zoals schamele houten lepels, met indruk wekkende argumenten die een beroep doen op het medelijden.

Het dorpje Altinkaya heeft zich op de brokstukken van Selge genesteld met een vooral primaire economie van zelfredzaamheid: een koe, enkele geiten, wat lapjes bewerkte grond en een stel schriele kippen. Een behulpzame vrouw die ik een stuk in de vijftig schat stelt zichzelf voor als Fatima, moeder van twee kinderen, waarvan er nu eentje op de universiteit van Izmir zit. Ze beweert dat Altinkaya duizend inwoners telt, onder wie ongeveer 300 kinderen. Ze wijst naar een vuil gebouw van twee verdiepingen dat op een reuzenschoendoos lijkt. De roze verf bladdert, de rode Turkse vlag wappert.  Ik heb wat ervaring met te kleine klasjes in het rijke Vlaanderen en bereken snel dat je hier no way 300 leerlingen in krijgt. Het is ook een raadsel waar die 700 andere bewoners zich dan zouden bevinden. Tijdens ons bezoek zien we er hooguit een dertigtal, met ons mee oplopend of rondscharrelend aan krotwoningen her en der verspreid over de Romeinse nalatenschap. Wat kan het nut van die grootspraak zijn, vraag ik me af.

Met wat koeterduits trekt Fatima mijn aandacht op wat ooit het Romeinse stadion was. Het mat 180 op circa 30 meter, zegt ze, en bood plaats aan vijfduizend kijkers. Ik kijk mijn ogen uit, maar zie enkel een lange smalle vlakte met wat men in een welwillende, eufemistische bui zou kunnen omschrijven als enkele volkstuintjes. Bezaaid met teveel oude stenen. Naar het schijnt stonden hier ooit nog tempels voor Zeus en Artemis. En een agora, een zuilengang van meer dan honderd meter, een reusachtige citerne en een aquaduct dat water van de hoger gelegen bergen voerde, een stadsmuur van 3,5 kilometer, met torens om de honderd meter.

Pisidische hoogdagen

Wat een weg heeft deze plaats afgelegd van Selge tot Altinkaya? Het blijft vooral een raadsel. Een snelle strooptocht op het internet legt bloot dat de stichters van Selge wellicht Grieken uit Sparta waren. De lastig toegankelijke stad was moeilijk te veroveren. In de Pisidische hoogdagen zou ze een leger van 20.000 man op de been hebben kunnen brengen, al spreekt een andere bron van 2.000 soldaten. Wat er ook van zij, Selge sloot een vriendschapsverdrag met Alexander de Grote toen die Pisidië bezocht in 333 voor Christus. De stad bezweek een eeuw later pas voor Achaeus na verraad, meldt Wikipedia dan weer, maar ontsnapte aan de vernietiging door een oorlogsschatting te betalen. Paulus heeft Selge wellicht aangedaan op zijn missiereizen en die herinnering houdt de passage van de 600 kilometer lange Sint-Paulus GR nog altijd in ere.  Het was nog een bloeiend plaatsje ten tijde van Hadrianus en Ptolemeus, en weerstond een aanval van de Gothen ergens in de vijfde eeuw.

Van het Byzantijns kerkje op de hoogst omringende heuvel vanwaar God de gelovigen beneden placht te zien en zoals het de Heer past, namelijk te domineren, rest slechts puin. We willen de heuvel toch beklimmen om het gezichtspunt van de Dominus over dit ooit paradijselijke oord te kunnen proeven.  Als we bijna boven zijn, begint het zoetjes te regenen. Onze gids wijst op een naderende wolk en maant ons aan de afdaling aan te vatten. God houdt zijn privileges weer voor zich, sakker ik.

De regen valt in bakken naar beneden als we als bij wonder op een paadje belanden dat naar een afgelegen krotwoning leidt. Vanonder zijn overhangende dak kijkt een oud mannetje ons met verbazing aan. Aan zijn smoezelige grijze broek ontbreken de knopen. Onze gids spreekt hem aan en we mogen mee schuilen. We geven hem een handdruk die hij met links beantwoordt. Verontschuldigend priemt hij naar zijn rechterarm. Daar is iets raars mee aan de hand. Het lijkt of de arm vanaf een extra gewricht ergens tussen de ellenboog en de schouder krachteloos heen en weer bungelt. Het is eigenlijk te krap om met zijn vijven onder het dak uit de regen te blijven. De bejaarde nodigt ons in zijn nederige stulpje uit, mits we onze schoenen uittrekken. Het mannetje wiegelt op kousenvoeten zijn woning in. Beide kousen vertonen grote gaten die zijn smerige hielen blootstellen aan de gezonde lucht.

Kousen met gaten

Ik aarzel om de zes vierkante meter grote kamer waarin we belanden, al te opzichtig te monsteren en ik zie dezelfde reactie bij mijn vrouw en dochter. De kamer is geheel bedekt met een zacht tapijt. Aan twee tegenoverliggende wanden liggen groezelige dekbedden opgerold. Het mannetje gaat op zijn achterste zitten, onhandig omdat hij maar één arm kan gebruiken.  Een klein kacheltje en een wandrek met blikken eetgerei zijn de enige meubelen in de ruimte. Onze gids start een gesprek in het Turks en vertelt ons dat de man in deze kamer woont met zijn vrouw en zijn dertigjarige dochter. Die zijn in de bergen de koe aan het hoeden.

Wat heeft hij aan zijn arm, vraagt mijn vrouw.  Hij is uit een boom gevallen, vertaalt Ahmed. Onze gastheer brak daarbij zijn arm. Hij heeft lang in het ziekenhuis gelegen. Maar de dokters kregen de breuk niet meer genezen, omdat hij al te oud is. Er bekruipt me twijfel of Ahmed alles wel juist vertaalt. Lijdt hij veel pijn? Ja, de grimas op het gezicht van de ouderling spreekt boekdelen. Het gesprek stokt. Buiten gutst de regen.

Ahmed spreekt de oude man opnieuw aan. Onze gids blijkt gevraagd te hebben of er soms geen schattenjagers in Selge opdagen. Er zit misschien nog wel edel metaal van de Romeinen of latere bewoners van de antieke stad in de bodem. Dat is zo. Soms dagen goudzoekers op met computers en geavanceerde metaaldetectoren. Iets opgraven mag echter zomaar niet van de overheid. Dat dit in weerwil daarvan gebeurt, verbaast geen zoogdier dat bekend is met de mens. En het is al meerdere keren voorgevallen dat de dorpelingen in het holst van de nacht wakker schrikken omdat enkele schattenjagers als waren ze special forces op een geheime opdracht, het dorp binnenvallen in jeeps met zoeklichten, op een hun vooraf al gekende plaats beginnen graven en beladen met de buit die ze zochten terug verdwijnen zonder sporen na te laten.  Omdat heel Selge vol stenen ligt, gebruiken de hit-and-run-rovers volgens de opa zelfs zware graafwerktuigen en drilboren.

De zon priemt door de wolken. Tijd om te gaan. Kunnen we onze vriendelijke gastheer niet met iets plezier doen, vraagt mijn vrouw aan Ahmed. Geld, of misschien een croissant? Ze haalt een plastic zakje croissants uit de rugzak, die ochtend bij elkaar heb getjoept op het royale ontbijtbuffet van ons all in-hotel. Ja, dat wil opa wel. Gretig grijpt hij het zakje beet en koestert het als een schat. Daar gaat mijn lunchpakket. Mijn dochter oppert of we van de oude man geen foto mogen maken. Hij heeft geen bezwaar. Ga er maar naast zitten, zeg ik tegen mijn dochter. Zonder aarzelen gaat ze zitten, de oude man slaat meteen zijn goede arm om haar hals.

Heet café

Vooraleer de terugtocht naar Belek aan te vatten besluiten we nog iets te drinken in het café van het dorp, op het pleintje voor de school. Onderweg worden we opgeschrikt door de oproep voor het gebed die plots uit de luidsprekers aan de minaret schalt. Kip noch kraai lijken gehaast te gaan bidden. Wie buiten is doet gewoon verder waarmee hij bezig was. De onzichtbare imam had zich de moeite wel kunnen besparen.

Het terras van het café is een beetje te fris, vinden wij. Maar het café lijkt niets meer dan dit terras en een piepklein winkeltje te omvatten. We mogen gelukkig het ernaast gelegen privévertrek van de kastelein binnen, opnieuw schoenen uit eerst. Deze keer geen ontblote hielen. Binnen slaat een geweldige hitte op ons neer, afkomstig van een gloeiende houtkachel. Alweer zo’n met tapijten belegde ruimte, maar hier liggen toch twee dunne matrasjes. Op één ervan ligt een gerimpelde vrouw. Ze ontwaakt dwaas van onze blijde inkomst. In de kamer staat alleen een ladenkastje met een joekel van een televisie op, en enkele foto’s. De vrouw is 85 jaar oud, ze brengt de dag soezend en wakend door om haar zware hoofdpijn te bezweren. De dokter kan haar wel pijnstillers voorschrijven, legt Achmed uit, maar die wil ze niet. En daarbij, weet  Achmed, het is ook niet gezond om voortdurend pilletjes te moeten slikken.

De theepot wordt op de stoof gezet. In afwachting voert Ahmed een geanimeerd gesprek met de cafébaas. Af en toe vertaalt hij wat. De cafébaas laat een foto van op het kastje aan Ahmed zien. Hij kijkt uit naar het trouwfeest van zijn zoon, die geëmigreerd is naar Duitsland en die hij in de zomer gaat bezoeken, als God het wil. Ahmed en de man hebben plots heel wat te bepraten. Ook Ahmed heeft in Duitsland gewoond. Vijftien jaar heeft hij er gewerkt, hij krijgt zelfs een Duits pensioen hoewel hij in Turkije nog lang niet denkt aan stoppen met werken. Na de scheiding van zijn vrouw is Ahmed teruggekeerd naar zijn vaderland, wereldwijs, een kenner van de Duitse taal en zeden, onmisbare eigenschappen voor wie het in de toeristische sector aan de Turkse rivièra wil maken. Ahmed heeft in Duitsland drie tienerjongens achtergelaten van 15, 16 en 17 jaar die bij zijn ex-vrouw leven. Het is zeven jaar geleden dat hij hen gezien heeft. Maar misschien komen ze wel deze zomer, hoopt hij. In afwachting is er gelukkig facebook. Dat geluk valt het café van Altinkaya niet te beurt.

De baas klaagt over het teruglopend aantal toeristen dat Selge bezoekt. De boosdoener zijn de rafting-programma’s die tal van reisbureaus organiseren aan de Koprulu-canyon. Ze hebben voor de avontuurlijk aangelegde toerist een moeilijk te weerstaan aanbod:  je wordt opgehaald aan je hotel en over een afstand van Antalya tot Side naar de canyon in het natuurpark gevoerd. Daar krijg je al het nodige materiaal om de rivier veilig af te dalen in stevige rubberboten. Een lunch ’s middags is inbegrepen, net als een verzekering en desgewenst een zwempartijtje. ’s Avonds word je terug aan je hotel afgezet. En dat allemaal voor 20 euro. Het is een succesformule die voor trafiek zorgt langs de canyon, avontuur op het bulderende water en verteer in de restaurants, picknickplaatsen en winkeltjes die aan de canyon de jongste jaren zijn opgeschoten, want de drankjes zijn niet inbegrepen. In het rafting-pakket zit evenmin een bezoek aan Selge. En de ondervinding van de cafébaas leert dat toeristen die de canyon per boot zijn afgedaald, tijdens hun vakantie niet opnieuw het park intrekken voor een bezoek aan Selge. Als ze Romeinse ruïnes en amfitheaters willen zien, lijkt de site van het beter bewaarde Aspendos in de kustvlakte voor het Taurusgebergte daarentegen wel de nieuwste hit. Ook al is de toegang in tegenstelling tot Selge betalend.

Toch hebben wij hier van een unieke ervaring genoten, zeg ik tegen Ahmed. Een ware cultuurschok was het, nu ik er wat langer over heb nagedacht. Niet enkel omdat het onvoorstelbaar is dat hier op deze onherbergzame hoogte meer dan tweeduizend jaar geleden een stad heeft gebloeid.  Ik kan er nog altijd moeilijk bij dat het ruïneuze amfitheater met een capaciteit van tienduizend toeschouwers vaker moet zijn volgelopen voor cultureel hoogstaande voorstellingen dan het oud is. En daar bovenop kwam Altinkaya, waar de tijd is blijven stilstaan. Het is niet meer de Byzantijnse God die neerkijkt op de kudde, maar Allah die vanop de minaret zijn gelovigen aan hun plichten herinnert.  De mensen die hier wonen en hier willen blijven leven, overleven in stille afwachting van hun sterven.  

Ik denk dat de confrontatie met Altinkaya ook Ahmed even van zijn stuk heeft gebracht. Dat het land en de streek in volle opbouw waarin hij zijn brood verdient, achter de kustlijn bulkt van de achtergebleven gebieden is natuurlijk geen geheim.  Maar Ahmed is bezeten van die vooruitgang, droomt ervan zijn zaak verder uit te bouwen, zijn levensstandaard te verhogen, aan de toekomst te werken, ook voor zijn zonen. Hoog in de bergen kwam hij een ander gezicht van Turkije tegen, niet omdat het arm is, maar omdat het zucht, lijdt en wacht op de dood. Al waren er ook daar lichtpuntjes van herkenning: een zoon studeert in Izmir, de hoop om succesrijke geëmigreerde kinderen in Duitsland te kunnen bezoeken doet oude ogen twinkelen.

Ik daal de berg af, spijtig dat ik die nutteloze houten lepel van Fatima niet gekocht heb, een simpel artisanaal gebruiksvoorwerp dat van Selge tot Altinkaya niet is veranderd.       

19-04-12

DS maakt mijn dag

De Standaard heeft vandaag mijn dag weer eens een heerlijke start gegeven. Een greep uit de krant. Om te beginnen het Moment!  van Bart Dobbelaere, dat ik al niet vaak oversla maar me vandaag als erg herkenbaar treft omdat ik ook tot de kwijnende groep jongens hoor die nog man werden in het leger. Verderop schrijft Veerle Beel opnieuw een schitterende aflevering van Tussen twee huizen, haar reeks over kinderen van gescheiden ouders.  Hoe ze zich inleeft in het wereldje van de 9-jarige Vic, voor wie ‘het niet zo tof is’, mooi om lezen.

Op de opiniepagina’s een gelid van ijzersterke columnisten. Twee van hen hebben het over de stad waar ik werk, waar ik me vaak erger maar waarvan ik hou: Brussel. Luckas Van der Taelen vertelt hoe een Waalse televisiemaker allerlei drek over zich krijgt, vooral van PS-kopstuk Philippe Moureaux en ULB-docent Souhail Chichah, omdat hij een islamofobe reportage zou hebben gemaakt. De ULB-docent bestond het op te roepen tot een betoging van antiracisten voor de poorten van de RTBf. Hij richtte een facebookgroep op, met de naam van de journalist en de toevoeging Légion Wallonne, waarin hij de journalist ‘de zoon van Degrelle’ noemt en hem afbeeldt als Hitler.

Het doet me denken aan het ontslag van die chirurg van het Universitair Ziekenhuis in Brussel, omdat hij in een woedende uitval een joodse assistent neonazistische beledigingen naar het hoofd slingerde. De VUB vond dat dit niet strookte met haar kernwaarden. Ik ben eens benieuwd of de ULB in de strapatsen van haar docent ook een probleem zal zien met diezelfde kernwaarden. 

Wat verder geeft Béatrice Delvaux  ook commentaar op de zaak, in een column met de zware titel Brussel, sociale bom. Mijn respect voor de gewezen hoofdredacteur van Le Soir neemt toe, omdat ze de problemen in Brussel van langsom minder wegmoffelt en er oprecht bewogen over schrijft. Zoals vandaag:  ‘Helaas zijn Franstalige politici in Brussel te vaak geneigd om te minimaliseren, problemen onder de mat te vegen en mensen die lastige vragen stellen, van naïviteit te beschuldigen of te verwijten dat ze de Vlamingen in de kaart spelen. Dat is idioot en vooral onverantwoordelijk.’ Zelden hoor je zoiets van Franstaligen.

En tot slot is er Rik Torfs. Van mijn katholieke opvoeding heb ik onthouden dat je ijdele mensen niet te vaak mag strelen, maar hier toch mijn hoed af voor die intelligente ironie in zijn column Zero tolerance. Ik kan natuurlijk niet alles citeren, maar deze mooie (liberale) zinnen vond ik erg treffend: ‘Ik geloof eerder in de vrijheid dan in de wet. De wet is er om de vrijheid te beschermen, niet om haar te beperken. Als die voorwaarde is vervuld, kunnen we over nultolerantie spreken. Dan is ze wat ze hoort te zijn, een noodzakelijk kwaad, geen morele overwinning.’

Dank u, redactie van De Standaard. Jullie zijn vandaag in een krachttoer geslaagd: me tevreden maken dat de trein alweer eens met een kwartier vertraging in Brussel-Centraal arriveerde.

09:56 Gepost door peter in Actualiteit, Algemeen, integratie, media | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook | | |

30-03-12

Een magneet voor gelukzoekers

Onlangs maakte Eurostat, de Europese dienst voor statistieken, bekend hoeveel mensen in 2011 in de hele Europese Unie (27 lidstaten) asiel hebben aangevraagd. Het waren er 301.000, een stijging met 40.000 tegenover 2010. Het hoogste aantal asielzoekers werd geregistreerd in Frankrijk, Duitsland en Italië. Als een van de kleine landen eindigde België toch vierde, met 31.900 asielzoekers.

België scoorde ook de vierde plaats in de relatieve rangschikking (aantal asielzoekers in verhouding tot de bevolking), logisch gesproken na andere landen met weinig inwoners als Malta, Luxemburg en Zweden. In 2011 werden in België 2.925 asielzoekers per miljoen inwoners geteld. Het gemiddelde voor de EU is 600 per miljoen inwoners. In onze buurlanden Nederland (875), Frankrijk (865), Duitsland (650) en het Verenigd Koninkrijk (425) is de instroom in verhouding tot het aantal inwoners vele malen kleiner. Die hoge cijfers voor België zijn onmogelijk nog normaal te noemen.

Vorig jaar, zo leert Eurostat nog, heeft België voor 19.825 asielaanvragen een beslissing genomen. Het ging in 14.750 gevallen om een afwijzing (74,4%).  Een afwijzing betekent nog niet een uitwijzing, zo zal inmiddels iedereen in België wel weten.  Op grond van de instroom aan asielzoekers blijkt ons land (opnieuw) een magneet voor gelukzoekers te zijn.

Ik bedoel dat niet smalend, ik heb het grootste begrip voor elk individu, voor elk gezin dat wil ontsnappen aan een onleefbare toekomst in een land waar geen werk is of waar je van werken amper kunt overleven, waar geen of nauwelijks sociale zekerheid bestaat, waar het onderwijs onbetaalbaar is of alleszins je kinderen niet voorbereidt op een betere toekomst. En dan zwijg ik nog over de echte redenen die asielzoekers kunnen hebben om hun land te ontvluchten: schendingen van mensenrechten, oorlog en geweld, dictatuur en vervolging omwille van meningen, geloof, seksuele aard, etc. Ik geef iedereen, alle ouders die kans zien om een uitzichtloze omgeving te ontvluchten naar een betere toekomst in wat vanuit hun perspectief een land van melk en honing lijkt, gelijk. Ik acht het waarschijnlijk dat ik in hun plaats hetzelfde zou doen.

Oorzaken

Dat België in sommige streken hoog staat aangeschreven als zo’n land van melk en honing, heeft verschillende oorzaken. De regularisatiegolf van 2009, die nieuwe gelukzoekers hoop geeft om na enkele jaren in de illegaliteit aan papieren te kunnen geraken. Het stopzetten van een effectief uitwijzingsbeleid. Filières die erin lukken snel en efficiënt grote aantallen gelukzoekers te verzetten (de drie grootste herkomstlanden van asielzoekers waren vorig jaar bijvoorbeeld Afghanistan, Rusland en Guinee). De vertrouwdheid van zo’n filières met enkele gaten in de wetgeving die het bijvoorbeeld mogelijk maken hier snel aan een uitkering te geraken.

En er is ook de hulp van binnenuit: een krachtige lobby van medestanders allerhande (politici en militanten van partijen met een sterke tiersmondistische reflex, OCMW-medewerkers, vzw’s specifiek voor vluchtelingenwerk, geëngageerde vrijwilligers en professionelen uit de brede integratiesector, breeddenkende studenten, publicisten, advocaten, artsen en gezondheidswerkers,… deze zuil zou eens in kaart moeten worden gebracht) neemt het niet enkel op voor asielzoekers maar ook voor arme sloebers uit nieuwe EU-lidstaten die van het vrij verkeer van personen genieten of voor illegalen en hongerstakers.  

De asielpoort is immers niet de enige waarlangs immigratiedruk op ons land wordt uitgeoefend. Asielzoekers zijn dankzij die asielaanvraag gekend en geregistreerd. Het aantal illegalen niet. Velen komen het land in zonder asiel aan te vragen. Of blijven in het land als hun aanvraag wordt afgewezen, zelfs als ze helemaal uitgeprocedeerd zijn leggen ze vaak een uitwijzingsbevel naast zich neer.

Een andere grote poort is de gezinsvorming en gezinshereniging. Het gaat jaarlijks om zo’n 30.000 nieuwkomers. Uit onderzoek blijkt dat nog steeds veel te veel vreemdelingen die bij ons verblijven of Belgen van bijvoorbeeld Marokkaanse of Turkse origine hun partner (en daaropvolgend zijn of haar familie) in het herkomstland halen. Door het huwelijk met een Belg kunnen deze nieuwkomers meteen ook Belg worden en verdwijnen ze uit de statistieken als vreemdeling. Deze volgmigratie heeft op de integratie het effect van een processie van Echternach.   

Uit bovenstaande mag duidelijk zijn dat België aan een sneltempo en onomkeerbaar verkleurt.  Deze week zette De Standaard op haar voorpagina dat in Vlaanderen één op vier kinderen tussen 0 en 5 jaar van vreemde afkomst is. Massale immigratiegolven in een relatief korte tijdsspanne vormen enorme uitdagingen en leveren ook grote problemen op: problemen van vervreemding en verdringing, van gettovorming, van discriminatie en racisme,  integratieproblemen, capaciteits- en draagkrachtproblemen voor de welvaartsstaat waarin we leven.  Het beleid volgt een immigratiegolf slechts schoorvoetend. Gewoonlijk duurt het enkele jaren vooraleer het de overheid lukt zich af te stellen op nieuwe, dringende actie vragende maatschappelijke ontwikkelingen.

Verschillende visies

Vooral de Vlaamse overheid leverde de voorbije jaren inspanningen die door de Franstalige overheden tot nog toe nagelaten werden, gewoon omdat zij anders tegen de zaak aankijken.  Als lid van de internationale francofonie heeft Franstalig België al wat immigratievarkentjes in een assimilatiebad gewassen: de massale immigratie van enkele honderdduizenden Vlamingen in de bloeitijd van de Waalse industriële centra liet in Wallonië vandaag weinig meer Vlaamse sporen overeind dan de familienamen. Sedert het ontstaan van het officieel Franstalige België werd ook de Vlaamse meerderheid in de hoofdstad Brussel in minder dan 200 jaar een (weliswaar beschermde) nog steeds slinkende minderheid.  Voor Franstaligen stond integratie lange tijd gelijk aan assimilatie en verfransing in die superieur gewaande taal en cultuur. Met de recente immigratiegolven lukt dit niet zo goed meer. Het Frans verliest er de jongste jaren ook steeds verder terrein.

In Vlaanderen domineert, ook om historische redenen, een andere visie op immigratie. Vlaanderen heeft  een beleid in de steigers gezet dat  gericht is op integratie. Zij het alvast uitgaand van een premisse die normaliter enkel  onafhankelijke staten aankleven:  nieuwe groepen inwijkelingen moeten bereid zijn de lingua franca van het grondgebied aan te leren en zelfredzaam worden.  Om historische redenen staan de bescherming van het Nederlandstalig karakter van Vlaanderen  (in het bijzonder in de Vlaamse Rand rond Brussel en langsheen de taalgrens) en het overeind houden van het Nederlands in Brussel al lang hoog op de Vlaamse politieke agenda.  Weinig sectoren boomden de voorbije jaren zo als die van de Nederlandse taallessen voor anderstaligen.

Enkele voorbeelden van Vlaams integratiebeleid dat de jongste jaren gestalte kreeg :  decretale regels om alle kinderen gelijke onderwijskansen te waarborgen (dankzij de liberale onderwijsminister Marleen Vanderpoorten), maatregelen om nieuwkomers in te werken op de arbeidsmarkt, de taalbereidheid in de sociale huisvesting, de inspanningen om de leefbaarheid van concentratiewijken te verbeteren en het samenleven in diversiteit, eerst in de steden maar stilaan ook in de kleinste dorpen, te vergemakkelijken.

Maar de basispijler van dit beleid is het gestructureerde,  gedecentraliseerde en kosteloze  inburgerings- en integratiebeleid. De beleidssteen die de loop van de rivier heeft gewijzigd,  door de verplichte toepassing op nieuwkomers van buiten de EU en op wie zich via gezinsvorming en gezinshereniging met een Belg permanent in Vlaanderen vestigt, werd door minister Marino Keulen gelegd.  Ook EU-onderdanen hebben recht op zo’n gratis inburgering. België herbergt immers met Brussel de hoofdstad van de EU en de Navo-zetel en trekt daardoor ook heel wat bemiddelde EU-onderdanen aan die zich hier tijdelijk of permanent vestigen.

Tussen haakjes: in Brussel bracht de som van deze al jaren durende legale en illegale immigratie via de verschillende poorten, zowel van buiten als van binnen de EU, recent een ware bevolkingsexplosie aan het licht. Die zorgt niet enkel meer voor diversiteits- en samenlevingsproblemen maar voor problemen op alle denkbare terreinen binnen de hoofdstedelijke regio en, zo wordt met de dag duidelijker, door de verhuizing van toenemende aantallen bewoners van vreemde origine uit Brussel naar de brede Rand, ook tot ver daarbuiten.

Onvoldoende resultaten

Doet Vlaanderen genoeg? Levert dit beleid resultaten op? Onvoldoende.  Statistieken wijzen op het tegendeel, recente nieuwsfeiten waren evenzovele alarmkreten.  Het beleid van vandaag is onvoldoende opgewassen tegen de kracht waarmee de ongecontroleerde immigratie op Vlaanderen inbeukt. Uit statistieken blijkt dat achterstandskenmerken niet weggewerkt geraken. Het Loonkloofrapport reveleerde dat slechts vier op tien inwoners met de nationaliteit van een land buiten de EU werken. Dit cijfer is de voorbije jaren nog gezakt in plaats van gestegen. Nog problematischer is dat bij de vrouwelijke vreemdelingen slechts 26 procent een job heeft.

Tegelijk doen zich grote capaciteits- en andere problemen voor.  Dat is in Vlaanderen vooral duidelijk in het onderwijs: we hebben scholen en leerkrachten te weinig en ontzettend veel jongeren (vooral van vreemde origine) verlaten de school zonder diploma. In Brussel is de toestand van het Nederlands onderwijs dramatisch, die van het Franstalig onderwijs zo mogelijk nog erger. Werkloosheid en kansarmoede zijn vooral in onze grootste steden schering en inslag, met schrikbarende aantallen mensen van allochtone origine die beroep doen op een leefloon.  Met vaak overlast, crimineel of ander niet aanvaardbaar gedrag als homobashing, of het lastig vallen van vrouwen en meisjes die zich niet sluieren of te “onzedig” zijn uitgedost. Met gevangenissen die vol zitten met misdadigers van allochtone origine.

De media belichten bepaalde van die uitwassen misschien in overdreven mate.  De aandacht die een in de ogen van vele moslims onbetekenende splintergroep als Sharia4Belgium bijvoorbeeld krijgt, voedt de vrees bij een bepaalde autochtone publieke opinie voor een islam op Europese veroveringstocht.  Ook nieuwsberichten over homobashing of over een fanatiek debat over (voor of tegen) de hoofddoek creëren de perceptie dat een groeiende minderheid zich niet wil integreren maar de wet wil dicteren. Dat de baas van de staatsveiligheid het nodig vond publiek te maken dat hij de salafistische sharia4belgium wil verbieden, bevestigt het beeld dat alle moslims te vrezen zijn, hoe terecht de vrees ook is die hij uitte n.a.v. de terreur van de moslimextremist van Algerijnse origine Mohammed Merah, dat de salafisten (minder dan 0,2% van de moslims in België) de grootste bedreiging vormen voor de democratie in West-Europa.  Het helpt de strijd tegen racisme en discriminatie niet.

Diepe kloof

Het is evident dat de grote instroom van migranten in België en dus ook in Vlaanderen mede zijn verklaring vindt in de versnippering van de bevoegdheden over asiel-, migratie- en inburgeringspolitiek in ons land. Daarbovenop hebben de verschillende visies van de Vlaamse en de meeste Franstalige politieke partijen (PS, CDH, Ecolo), de totstandkoming van een kordaat, snel en coherent beleid op federaal vlak jarenlang  parten gespeeld. Tekenend is dat in een periode van lopende zaken in het federaal parlement verstrengingen werden doorgevoerd van de regels op de gezinshereniging, die onder een met volle bevoegdheid besturende regering voorheen politiek onhaalbaar waren.

Hoe diep de kloof tussen deze Franstalige partijen en de Vlaamse is, werd geïllustreerd door de bemoeienis van een PS-senator aan boord van een vliegtuig met de uitwijzing van een illegaal naar Marokko.  De Vlamingen zullen niet licht vergeten dat de eerste Franstalige premier van het land sinds decennia  in eerste instantie weigerde afstand te nemen van zijn partijgenote.  Pas toen bekend raakte dat de senator het opgenomen had voor een beroepsmisdadiger die al 16 jaar illegaal in België verbleef, in die periode 42 keer was opgepakt onder acht verschillende valse namen en 20 bevelschriften om het grondgebied te verlaten naast zich had neergelegd, werd Di Rupo bereid gevonden een persmededeling uit te sturen waarin hij beklemtoonde “dat er met uiterst strenge hand moet opgetreden worden tegen misdadigers die illegaal in ons land verblijven en voor wie geen plaats is in België”.  

Maar ondanks aandringen van de Vlaamse partijen in de Kamer, slaagde hij erin met geen woord over zijn partijgenote te reppen. Dat uit de sociale media intussen blijkt hoe PS-senator Fatiha Saïdi in Franstalig België glorieert als verzetsheldin voor de Franstalige verdraagzaamheid en tegen het Vlaamse racisme, illustreert nog eens de afgrond die vele Vlamingen en vele Franstaligen in België tussen elkaar voelen gapen. Maar de aangelegenheid illustreert evengoed het gebrek aan inzicht bij de leidende Franstalige politieke klasse dat ze met die houding het land nog verder uit elkaar aan het drijven is.

Draagkracht

Hoewel dit ook in Vlaamse politieke partijen nog als een taboe geldt, kunnen we niet lang meer de ogen blijven sluiten voor de Europese vergelijkingen, binnenlandse statistieken en de toenemende alarmkreten over capaciteitsproblemen in tal van sectoren die aantonen dat de draagkracht van de Belgische en Vlaamse samenleving voor een immigratie aan dit tempo overschreden is.

Net als de gezondmaking van de publieke financiën, de hervorming van onze federatie of de terugdringing van het overheidsbeslag, hoort de federale regering ook het dalen van de immigratiecijfers naar het niveau van het Europees gemiddelde te beschouwen als een absolute prioriteit. Het asiel- en immigratiebeleid is voor de Vlaamse partijen die de gok hebben gewaagd om als Vlaamse minderheid in de regering van de Franstalige PS-premier te stappen, evengoed als de drie andere een thema waarop in 2014 effectieve resultaten moeten kunnen worden voorgelegd als ze niet het risico willen lopen verder gekannibaliseerd te worden.  

Gelukkig heeft de leiding van Open Vld dit ingezien. Door de portefeuille van asiel en migratie op te eisen en aan de liberale Maggie De Block toe te vertrouwen, heeft de partij tot 2014 de tijd om een betekenisvolle kentering in het asiel- en migratiebeleid te bewerkstelligen. Deze week keurde de ministerraad alvast haar ambitieuze plan goed waarmee op een structurele wijze de instroom van asielzoekers moet dalen en de uitstroom moet stijgen.

Tegen racisme

Vlaanderen zal de komende jaren verder moeten leren leven met een immigratiegolf die zich in heel Europa voordoet.  Vlaanderen kan niet homogeen Vlaams blijven zoals het ook al lang niet meer homogeen katholiek is, maar zal nog diverser en kleurrijker worden dan vandaag. Veel Vlamingen zijn hiervan nog altijd niet doordrongen.  Ze beschouwen de intrede van de diverse samenleving als een omkeerbaar verschijnsel dat we eerst nog een tijdje zullen moeten uitzweten.

Deze week vertelde een bestuurder van een huisvestingsmaatschappij me dat autochtone kandidaat-huurders meer en meer bezwaar maken tegen de toewijzing van een woning in een straat waar al veel allochtonen wonen. Of dat autochtonen die in een sociale woning tussen veel allochtonen wonen, om een verhuizing naar een “witte wijk” verzoeken.  De bestuurder, niet meer van de jongste, krabde zich al in het haar bij de problemen die hij voorspelt eens “de vreemden ook een beroep zullen willen doen op onze rusthuizen”.

De Vlaamse overheid en de Vlaamse politici staan aan de vooravond van lokale verkiezingen. Ze hebben nog een grote sensibliseringsopdracht te volbrengen en een actieve strijd tegen racisme en discriminatie te voeren.  En daarnaast zit er in Vlaanderen niets anders op dan dat de Vlaamse regering op alle terreinen meer capaciteit, daadkracht en middelen opbrengt om van de nieuwkomers nieuwe Vlamingen te maken, die Nederlands spreken, een diploma halen, een job uitoefenen en aangemoedigd worden om mee te doen met hun buren, collega’s, vrienden en kennissen aan de Vlaamse gemeenschap. 

14:05 Gepost door peter in Actualiteit, integratie | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook | | |