13-05-13

Wriemelende valkjes

Vanochtend moest ik een dringende boodschap doen in hartje Brussel. Bij het passeren van de Sint-Michielskathedraal zag ik een werfkeet langs de kant van de weg staan. Een oude man stapte er van zijn fiets en leek ingespannen door het venster van het houten hok te gluren.  Toen begreep ik het. De man keek gebiologeerd naar een nest wriemelende slechtvalkjes. Ik herinnerde me het bericht in de krant over de geboorte van de eerste valkjes van deze Brusselse lente, in hun nest hoog in een van de twee torens van de kathedraal.

Ornithologen van het Museum voor Natuurwetenschappen hebben twee camera’s geplaatst die beelden van het broeden, het uitkomen van de eieren, het leven op en rond het nest, tot het uitvliegen doorsturen naar de televisieschermen achter de vensters van de keet (en online op www.slechtvalken.be). Een prachtig spektakel, die vijf valkjes wriemelend vijftig meter boven hun toeschouwers.

De slechtvalk boert goed in Vlaanderen. In 1973 was de roofvogel officieel uitgestorven.  Vorig jaar werden er 105 jongen geteld, een recordjaar. De stad blijkt voor de slechtvalk, die enkel op vliegende prooien jaagt, een feestdis. Steden pakken tegenwoordig de overlast van stadsduiven diervriendelijk en kosteloos aan, door een slechtvalkkast te plaatsen. In Antwerpen alleen broedden 24 paren slechtvalken in kasten.

Met een kinderlijke verwondering op zijn gezicht draait de oude man zich om. ‘Hoe mooi he, die kleine valkjes’, lacht hij. Ja, beaam ik. Terug op weg naar mijn dringende afspraak bedenk ik dat de technologie ons de gelegenheid geeft om tot in het hart van onze hoofdstad te genieten van nooit zo efficiënt in beeld gebrachte natuurwonderen.  En dat terwijl  de mens met het verstrijken van de jaren nochtans overal de natuur verder terugdringt.

De slechtvalk is, zoals ook de kerkuil trouwens,  in Vlaanderen verrezen dankzij de nestkasten van Vogelbescherming Vlaanderen. De mens is niet langer meer enkel in het diepst van zijn gedachten een God. Hij werkt op een gezapig tempo verder aan de Apocalyps en schrijft tegelijk scheppingsverhalen die in geen kerk meer worden beluisterd. Gelukkig heeft hij voor het ene meer tijd nodig als voor het andere.

28-02-13

Integratiedebat: van blanke vlucht tot gekleurde jobs

Enkele dagen geleden stond in De Morgen een reportage onder de titel Blanken vluchten weg uit Londen. Tussen 2001 en 2011 verlieten ruim 600.000 Londenaren de stad. Vlak voor de jaarwisseling was het nieuws over het Kanaal: op grond van de tienjaarlijkse volkstelling bleek Londen niet langer een meerderheid aan ‘Witte Britten’ te tellen. En daarmee rondde de City als eerste westerse hoofdstad deze kaap, merkte een demograaf in de Financial Times op. Op Brussel na dan, voegde hij daar aan toe, dat als ‘ambassade-hoofdstad’ een speciaal geval is.

Inderdaad, Brussel, of liever, het Brussels hoofdstedelijk gewest, is een speciaal geval. In het Brussels gewest, leert wat opzoekingswerk, is al meer dan 60 procent van de inwoners vreemdeling of van vreemde herkomst (ter vergelijking: in Antwerpen is bijna vier op tien inwoners van vreemde origine, in Gent een kwart). Brussel kent ook een stadsvlucht, zowel van autochtone Belgen als van allochtone inwoners naar de brede randgebieden buiten het stadscarcan, en tegelijk een immigratiegolf die sterker is dan de emigratie. Vreemd genoeg kan ik me het nieuws over het overschrijden van de kaap van 50% niet-witte Belgen in de hoofdstad van ons land niet herinneren. Voor de beleidsverantwoordelijken was het waarschijnlijk zoiets als een drol op het voetpad: wie hem ziet liggen, loopt eromheen. By the way, zoals Boris Johnson, de populaire burgemeester van Londen.

In de Engelse pers die we daar via internet snel eens op screenden, worden verschillende verklaringen gegeven voor de blanke vlucht. Die zijn vergelijkbaar met verklaringen voor stadsvlucht die zich evengoed voordoen in Brussel of in andere westerse (groot)steden: ruimtegebrek, drukte, veiligheid, gezondheid, problemen op de woningmarkt, tekort aan scholen en speelruimte voor de kinderen, etc. Maar uit meer doorgedreven analyse blijkt de stadsvlucht in Londen vooral de autochtone Engelsen in zijn ban te hebben. En dan duikt in linkse middens al snel het woord racisme op.

We zouden het liever met wat meer nuance samenlevingsproblemen noemen. Samenleven in diversiteit vergt kennis en vaardigheden, wederzijds respect en oefening. Van nieuwkomers en geboren en getogen inwoners. Ook in Londen stelt men vast dat dit niet zo evident is. Het Verenigd Koninkrijk heeft nochtans veel meer ervaring met immigratie, net als met het opleggen van zijn wil natuurlijk. Het land heeft ook al veel langer dan ons land regelgeving inzake burgerschap en integratie.

In Vlaanderen wordt, met vallen en opstaan weliswaar, al anderhalf decennium een beleid gevoerd gericht op integratie, het samenleven in diversiteit. Goedbedoeld, onbezoldigd, gegroeid uit een middenveld van geëngageerde vrijwilligers waar zelfs Kris Peeters deze week de lof van zong. Aan die integratie werd later inburgering toegevoegd, hoewel die er eigenlijk aan voorafgaat. Inburgering is er specifiek op gericht om nieuwkomers wegwijs te maken in de samenleving waarin ze zinnens zijn hun toekomst uit te bouwen. Dit beleid ging in Vlaanderen van start in 2003. Voorzichtig, met rechten en pampers.

Vanaf 2006 moésten nieuwkomers in het hele Vlaamse Gewest cursussen gaan volgen, Nederlands en maatschappelijke oriëntatie. Na de rechten volgden de plichten. In het Vlaams Parlement ligt inmiddels alweer een integratiedecreet ter bespreking dat de inburgering en de integratie op elkaar afstemt. Dat hervormingsdecreet kan, als de meerderheid die er voorstander van is de stap ook effectief durft te zetten, misschien ook echte tests en een grotere kennis van het Nederlands opleggen aan nieuwkomers. Na de rechten en de plichten moeten er straks ook resultaten zijn.

De ingewikkelde Belgische staatsstructuur en Franstalige politieke onwil hebben onze meest diverse en enige kosmopolitische grootstad Brussel een achterstand van vele jaren bezorgd inzake integratie en inburgering. Vanuit de Vlaamse gemeenschap kan de verplichte inburgering in het Brussels hoofdstedelijk gebied niet worden ingevoerd. Zelfs het Vlaams beleid bestaat er nog slechts uit rechten. En dit werd en wordt vaak vanuit de stadhuizen van de 19 Brusselse gemeenten tegengewerkt. Vanuit de Franse gemeenschap, die daartoe de Franstalige gemeenschapscommissie in Brussel (Cocof) machtigde, wordt er geen met Vlaanderen vergelijkbaar integratie- en inburgeringsbeleid gevoerd.

Maar sinds kort lijken aan Franstalige zijde de geesten voor een verplichte inburgering toch te rijpen. Halverwege vorig jaar meldde De Standaard (18/6/2012) dat de Franstaligen in Brussel bereid zijn met de Vlamingen afspraken te maken over de integratie van migranten. Open Vld en CDH dachten daar een Brussels kader voor uit, dat onder meer in Franse en Nederlandse taallessen voorziet.

Het wordt hoog tijd dat in onze hoofdstad, de poort voor één derde van alle migranten die naar België komen, met een effectief inburgeringsbeleid wordt gestart. Beide gemeenschappen kunnen het zelfs verplichtend maken voor nieuwkomers (van buiten de EU) via de gemeenschappelijke gemeenschapscommissie.

Hoe en wanneer dit alles in de praktijk zal worden gebracht, is nog koffiedik kijken. Politiek zal er pas vaart achter komen na de verkiezingen van 2014. Maar het Vlaams Parlement zou in zijn nieuw integratiedecreet wel de opening kunnen laten om een Brusselse regeling na 2014 mee gestalte te geven.

Het zou goed zijn mochten de inburgeraars in Brussel ervoor kunnen kiezen om een gelijkaardig inburgeringstraject te volgen als in Aalst, in Vilvoorde of Mechelen. Omdat veel nieuwkomers in Brussel later doorstromen naar Vlaamse gemeenten. En omdat in de Vlaamse Rand werkvolk te kort is terwijl Brussel kreunt onder de werkloosheid.

Toegegeven, Vlaanderen en Brussel leveren al inspanningen om de vacatures voor laaggeschoold personeel en knelpuntberoepen in de luchthavenregio in te vullen met Brusselse werklozen. Een van de grote problemen blijft echter dat veel Brusselse werklozen geen Nederlands begrijpen of spreken. Als een inburgeringstraject hen daarbij op weg zou kunnen zetten, als ze de moeite doen om een woordje Nederlands te leren en als ze met werken hun kost willen verdienen, zijn ze overal in de Vlaamse gemeenschap welkom.

De Vlaamse gemeenschap zal in ruil dan wel meer moeten investeren in Brussel. Als nieuwkomers in Brussel de moeite doen om voor een Vlaams inburgeringstraject te kiezen, moet er op de Vlaamse buurtschool of kinderopvang ook een plaatsje zijn voor hun kinderen.

16:27 Gepost door peter in Actualiteit, Brussel, integratie, politiek | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook | | |

22-02-13

Ondergronds Brussel tussen het Centraal Station en de Koloniënstraat

Als je in de lokettenzaal van het Brussels Centraal Station kiest voor uitgang Kantersteen, beland je in een lange onderaardse gang die naar de metro leidt en een bovengrondse uitgang heeft aan de Koloniënstraat. Vroeger stonk die gang naar urine. Vandaag verstoppen hardboard-platen met grote reclameaffiches van Beliris langs één zijmuur de lopende renovatiewerken. Zeker de pendelaars die ’s ochtends vroeg hun overvolle warme trein uitstappen, krijgen indien ze dat wensen nog eventjes, al is dat een relatief begrip in spooromgevingen, de kans om de ontwakende onderkant van een grootstad in ogenschouw te nemen, met echte bedelaars, straatmuzikanten, daklozen en landlopers.

De meeste pendelaars die in de vroegte de machteloze grootstad  binnenstromen en in de avondspits opnieuw ontvluchten houden slechts vanuit een ooghoek bij hun gezwinde onderaardse op- en afmars het leven in de gang in de gaten.  Natuurlijk kijken ze altijd uit naar die Brusselse zalmen die tegen de stroom in zwemmen, slalommend, zoals mensen soms snelsnel nog een trein willen halen die wellicht toch vertraging heeft. Forenzen haasten zich om de haven van hun bureau te bereiken. Een oponthoud als een uitgestoken kartonnen bekertje of de omgekeerde hoed van een aan lager wal geraakte muzikant past niet in hun strakke tijdschema.  Ze zijn voortdurend bedacht voor een storende struikeling,  over een paar onderuit gezakte benen van een tegen de muur geleunde loser, over wat slordig door de fluogroene straatvegers bijeen gekeerd afval,  over smerige daklozen die onder vettige dekens hun roes uitslapen. 

Spijtig. Wie het leven in de gang met wat meer interesse gadeslaat, kan vaststellen dat het vrij goed georganiseerd en gestructureerd verloopt,  een beetje zoals de meeste zaken waar de natuurlijke ordening de kans krijgt zich te zetten zonder inmenging van overheden of ambtenaren.

Het eerste dat opvalt, is dat de gangbewoners vaste plaatsen innemen.  Ze gedragen zich wars van gêne voor de voorbijgangers die hen geen blik waard achten, wars van belangstelling voor een menselijke ondersoort. Als een voorkomende ambassadeur groet aan de ingang een vroegoude man van op zo’n stoel waarop ik als kind in de klas zat de dagelijkse gasten van Brussel. ‘Bonjour!’ klinkt het opgewekt uit zijn door tandenloosheid supermobiele mond, maar alleen voor de passanten die zijn oogcontact niet uit hun blikveld sluiten.  Soms houdt naast hem een zwarte de wacht met een oranje hartjesvormige zonnebril op en het rastakapsel verborgen onder een grote grijze muts.

Verder ligt een vijftal landlopers op een kluitje. De eerste, een langslaper of een slechte opstaander, ligt nog onder een deken met een luipaarddessin.  Soms slapen ook anderen langer, zoals de vettige haardos die onder het smoezelige oranje deken uitsteekt. Drie andere mannen met baarden zitten rustig wakker te worden rond een halfliterblik bier van een Duits merk. Ik wed dat het ook in mijn eigen Aldi wordt verkocht.  Een van hen steekt de half opgerookte peuk van een zelf gerolde sigaret tussen zijn lippen. Hij vraagt een van zijn kompanen vuur. Hun dekens en slaapzakken liggen nog op een hoop. De grillpan met een tefallaag waarin wat kopergeld blinkt is een vreemd lichaam buiten de kring van waaruit ze de pendelaars onverschillig aankijken. Wie kijkt neer op wie?  

Enkele meters dieper in de gang ligt nog een slaper, eenzaam in zijn khaki slaapzak. Ik vermoed dat hij geen habitué is. Naast hem staat recht als een soldaat een keurig donkerblauw reiskoffertje dat  zonder twijfel binnen de afmetingen past die Ryanair eist voor handbagage.  Een toerist?

In een zijgang rechts vertelt een straatveger een mop aan een landloper die zijn hebben en houden in een winkelkarretje heeft verzameld. Na die zijgang slaat een andere haveloze een praatje met twee honden op een deken. Ze houden zich even koest als de twee dwergkonijnen ernaast.

Vanaf dan schettert muziek. Vervelend schelle zigeunermuziek van een accordeon betokkeld door een mistroostige muzikant. Hij staat er elke dag. Als er naast hem een andere straatmuzikant op een viool fiedelt, is de accordeonist al wat opgewekter. Maar pas als hij begeleid is door zijn orkest van een viool, twee klarinetten, een djembe en een bas, lees je op z’n gezicht de glunderende verwachting. Het wordt een goede dag! De laatste dakloze vijf meter hoger in zijn slaapzak, doet koppig alsof hij door het lawaai heen slaapt. 

Na de marteling voor de oren geuren de croissants. De lichte vloer gaat nu over in antracietgrijze tegels die klimmen naar een ruime ondergrondse hal. Vandaar kan je de metro nemen, geld pinnen op één van de vier belfius-automaten in het gelid, een broodje kopen bij de Breakpoint of sigaretten en de Humo in de Relay. Of je kunt de trappen op naar de Koloniënstraat, het daglicht en de verse Brusselse lucht in.

Buiten, boven de mensen onder de grond tussen het Centraal Station en de Koloniënstraat, denk ik aan het prachtige lied This Depression. Ik heb het ontdekt op Wrecking Ball, de jongste cd van Bruce Springsteen. Die heb ik zonder verpinken gekocht van zodra ik hoorde dat The Boss naar TW Classic komt.  Wat er ook gebeurt, welke zotte kosten ik ook moet doen, ik ben vast besloten de warme magie van Springsteen nog eens te ondergaan. En dan kan ik maar beter zijn nieuwe nummers kennen.  

This is my confession, I need your heart in this depression, I need your heart, sleept Springsteen je mee. De beelden van de onderaardse gang zouden de perfecte clip voor het lied vormen. Ik besef, mijn hart kunnen jullie misschien krijgen, gedurende de tijd om die gang door te steken, maar niet mijn aalmoes, oh nee, daar begin ik niet mee, want waar stopt het dan? Ik denk soms als een echte pendelaar.