10-05-13

Mensen toch, waarom hebben wij dat gedaan?

Wij mensen, zoogdieren met een flink stel hersens, zijn wrede wezens. Moedwillig kwaadspreken, pesten, folteren, moorden, niets is onze zoogdierensoort vreemd. Zelfs voor een massamoord meer of minder draaien we onze hand niet om. We hebben een genocide ontketend op de joden en op nog ruim twintig anderen volkeren. We hebben een atoombom ontwikkeld en er meteen ongeveer 275.000 inwoners van Hiroshima en Nagasaki mee om het leven gebracht. We hebben brandbommen op prachtige Duitse steden laten vallen die in Dresden een vuurstorm veroorzaakten waardoor we zo’n 135.000 ouderen, vrouwen en kinderen tot as verpulverden.  We lieten meer bommen op Vietnam vallen dan op heel Europa en Japan tijdens de Tweede Wereldoorlog. We hebben vijf miljoen Russische boeren gedood en tien miljoen anderen in goelags gestopt.

Waarom hebben wij, mensen, zo’n wrede massamoorden begaan, eraan meegewerkt, rechtstreeks of onrechtstreeks, of de andere kant op gekeken? Het is de centrale vraag uit Het hart van de duisternis. Psychologie van de menselijke wreedheid van Jan de Laender. In dat boek uit 1996 probeert de inmiddels al negen jaar overleden hoogleraar in de psychologie de omstandigheden en de mechanismen te begrijpen die mensen ertoe brengen wreedheden te begaan. Het boek choqueert omdat het onomwonden poneert dat in ieder van ons een potentiële wreedaard schuilt, die dit waarschijnlijk in alle toonaarden zal ontkennen en, wanneer hij toch met z’n eigen wreedheden wordt geconfronteerd, allerlei vaak onterechte excuses  zal vinden waarom hij toch gedaan heeft wat hij eerst dacht nooit te zullen of kunnen doen.  Dit boek wemelt van de waarheden die ongepast klinken.

Twee basisstellingen uit de psychologie vormen het uitgangspunt van de auteur: dat het vermogen tot wreedheid in elke mens aanwezig is, zoals herhaaldelijk proefondervindelijk is aangetoond; en dat de wreedheid op grote schaal ten tonele kan verschijnen met het ontstaan van hiërarchische groepen. Als zij macht verwerven, kunnen ze folteren en moorden terwijl hun leden zich persoonlijk toch onschuldig blijven voelen.

De Laender haalt twee beroemde psychologische experimenten aan die deze stellingen illustreren. Stanley Milgram toonde aan hoe bijna twee op de drie proefpersonen in een experiment waarin zogezegd het effect van straffen op leerprocessen werd onderzocht, zonder al te veel druk de opdracht uitvoerden om steeds zwaardere nep-elektroshocks toe te dienen aan een andere nep-proefpersoon die de foute antwoorden opeenstapelde. De uitkomst van dit experiment was destijds ronduit onthutsend.  Zelfs voor psychologen en psychiaters, die voorspeld hadden dat slechts één procent of minder van de proefpersonen bereid zou zijn elektroschokken van 450 volt toe te dienen aan een medemens die ze niet kenden.  Wat meteen aantoonde dat zelfs deze deskundigen verbazend weinig inzicht hadden in hoe mensen zich gedragen.

Het experiment leerde ook dat mensen niet in staat zijn hun eigen gedrag te voorspellen in situaties die ze nooit eerder hebben meegemaakt. Mensen zijn geneigd hun goedheid, hun zin voor rechtvaardigheid, hun morele kwaliteiten te overschatten. In tegenstelling tot wat ze van zichzelf denken, zijn ze wel degelijk in staat en bereid om medemensen te folteren zonder daarvoor over een morele verantwoordingsgrond te beschikken. En achteraf grijpen ze naar een hele reeks rationalisaties om hun wreedaardig gedrag te verschonen.

Milgram verfijnde zijn experiment om factoren te detecteren die het foltergedrag zouden verminderen of versterken.  Hij ontdekte dat de proefpersonen minder geneigd zijn om te folteren als de confrontatie met het leed van het slachtoffer scherper wordt en omgekeerd, dat ze meer folteren als ze het leed dat ze aanrichten niet rechtstreeks zien. De proefpersonen probeerden ook meer onder het folteren uit te komen als de proefleider dit mogelijk maakte door minder sociale controle uit te oefenen. Als de verantwoordelijkheid voor het folteren impliciet wordt (doordat de proefpersoon enkel de vragen stelt waarop het “slachtoffer” de antwoorden moet geven maar waar een tweede nep-proefpersoon de schokken toedient bij een fout antwoord) lieten meer dan negen op tien proefpersonen zonder protest of zonder hun medewerking aan het experiment stop te zetten het slachtoffer de hele “lijdensweg” tot 450 volt uitzitten.

Philip Zimbardo zette een ander experiment op touw waarin hij van een groep studenten na een hele reeks psychologische test de 21 meest evenwichtige als proefpersonen overhield. In een rollenspel kregen 11 van hen de rol van cipier en de andere 10 die van gevangene. Alles werd met behulp van de lokale politie zo realistisch mogelijk geënsceneerd.  De gevangenen werden anoniem gemaakt door een gevangenisplunje en kort geschoren haar. Ze kregen een nylonkous over het hoofd en werden enkel nog met hun gevangenisnummer aangesproken. De cipiers kregen een uniform, een gummistok, een fluitje, handboeien en een sleutelbos. Een reflecterende zonnebril maakte hun ogen onzichtbaar. Hun opdracht was vaag gehouden: de orde in de gevangenis handhaven, volgens eigen inzicht. Al gauw stelde Zimbardo vast dat de bewakers de gevangenen begonnen te zien als lastig, minderwaardig, gevaarlijk. En de gevangen zagen de bewakers als dwingelanden en sadisten. De cipiers pestten de gevangenen met bijkomende regels en vervelende, zinloze karweien. Ze maakten hun ’s nachts wakker om hen wat te sarren, lieten hen de toiletten met hun handen kuisen, dwongen met fysieke kracht voedsel in hun mond als ze niet wilden eten. De gevangen voelden zich getergd en vernederd, maar stelden zich niet onderling solidair op. Integendeel, elke gevangene scheen het misprijzen van de bewakers voor zijn medegevangenen te delen. Een van de gevangenen zag er na vijf dagen zo emotioneel ontredderd uit dat Zimbardo hem uit het experiment verloste. Verrast door de snelheid en het gemak waarmee hun op psychologisch evenwicht geselecteerde cipiers zich te buiten gingen aan sadistisch gedrag zagen Zimbardo en zijn medewerkers zich na zes dagen genoodzaakt het experiment stop te zetten.

Deze experimenten geven een beeld over hoe mensen tot wreedheden kunnen overgaan en welke factoren deze wreedheid versterken of milderen. Hoe wat experimenteel vastgesteld werd al eerder in de praktijk werd gebracht in een totalitaire staat in totale oorlog, vertelt De Laender in het hoofdstuk over de beulen van Jozefow.  Dit is het verhaal van het Reservebataljon 101 van de Ordnungspolizei (Orpo), een Duits politiebataljon van 500 mannen van middelbare leeftijd, te oud om nog in het leger te dienen, dat tijdens de Tweede Wereldoorlog ingedeeld werd bij een Einsatzgruppe. Op een zomerochtend in juli 1942 werd het voor het eerst ingezet. Het kreeg de opdracht 1.800 joden te elimineren in het Poolse dorpje Jozefow. Op grond van de naoorlogse processen-verbaal tegen 210 van de manschappen reconstrueerde de Amerikaanse historicus Christopher Browning de geschiedenis van deze gewone mannen en hun bevelhebber, de vijftiger majoor Trapp. De mannen waren voornamelijk laaggeschoolde arbeiders. Ze noemden hun goedmoedige bevelhebber  Papa Trapp. Op die zomerochtend verzamelde een bleke en zenuwachtige Trapp zijn mannen om hen de opdracht te geven die hij naar eigen zeggen zelf verafschuwde, maar ja, in Duitsland regende het ook elke dag bommen die vrouwen en kinderen doodden. Hij legde uit dat ze eerst de joden moesten verzamelen. De jonge en gezonde mannen onder de 1.800 joden moesten worden overgebracht naar werkkampen en de rest moest worden doodgeschoten.  Daarvoor zouden ze per vrachtwagen naar een bosrand gevoerd worden.  De politiemannen moesten dan elk telkens een jood meenemen naar het bos en hem daar doodschieten, totdat alle joden op de jonge, gezonde mannen na, geëxecuteerd waren. Trapp deed zijn mannen een uitzonderlijk voorstel: wie meende dat hij tegen die taak niet opgewassen was, mocht beschikken en hoefde niet mee te doen. Van de 500 aangetreden politiemannen verlieten er slechts 12 de rangen. De Laender gaat vervolgens dieper in op de gruwelijke en bloedige chaos van dit detail in de geschiedenis van de holocaust, aangericht door de stunteligheid van de huisvaders die voorheen nog nooit een mens hadden doodgeschoten.  Door de gewenning, de groepsdruk, liters alcohol en enkele ingrepen van de leiding zoals de inzet van Oost-Europese hulptroepen en  maatregelen om de slachtoffers vreemder, verachtelijker en anoniemer (naakt en met een spreekverbod) te maken, werd moorden gaandeweg ook voor hen een klus die ze moesten uitvoeren, voor sommigen zelfs een spelletje waar ze konden in opgaan. 

De Laender citeert in zijn boek leiders, gehoorzamers, beulen en meelopers die zich voor hun rol in de helse machinerie van de holocaust niet schuldig hebben gevoeld. Ambtenaren en machinisten lieten toch alleen maar de treinen zo goed mogelijk rijden? Fabrieken stelden toch alleen goedkope arbeidsjoden te werk, produceerden toch enkel de benodigdheden om de genocide uit te voeren? Franz Stangel, het hoofd van het uitroeiingskamp Treblinka, zag de joden die hij liet vergassen na verloop van tijd als cargo. Maar ook hij beweerde dat hij binnen de krijtlijnen van zijn taken zo menselijk mogelijk bleef. En ook hij hield vol dat hij zich uit schrik voor de gevolgen voor hem en zijn gezin aan zijn opdracht niet durfde te onttrekken.  

Decennialang konden we ons troosten met de gedachte dat de schuld en de verantwoordelijkheid voor al die misdaden tegen de mensheid bij duivelse misdadigers lag als Hitler, Himmler of Stalin. De Laender breekt ook die mythe van de verpersoonlijking van het absolute kwaad af. Hij laat zien hoe Hitler, Himmler en Stalin oprecht warme, meevoelende personen konden zijn, geliefd door velen. Hij citeert een van de dochters van Stangel die alles wat er over haar vader na de oorlog is verschenen heeft gelezen maar toch getuigt dat niets op aarde haar ervan kan overtuigen dat haar vader ooit kwaad heeft gedaan.

In een vergelijking van de politieke klim naar de macht van Churchill en Hitler illustreert De Laender hoe de bijna heilig verklaarde Engelse staatsman frappante overeenkomsten vertoonde met de nazi-dictator. Churchill blijkt in de oorlogsjaren ook totalitaire trekken te hebben vertoond bij het leiden van zijn land. Hij was de stuwende kracht achter de stelselmatige terreurbombardementen op Duitse steden, eufemistisch omschreven als area bombing. De Britten en Amerikanen trachtten met die bombardementen het Duitse moreel te breken. Ze brachten ongeveer 630.000 burgers om. Pas na de internationale kritiek op de vernietiging van het onverdedigde en van vluchtelingen overstromende Dresden, in februari 1945 notabene, na drie Engelse en Amerikaanse bombardementsgolven gespreid over zestien uur die een vuurgloed veroorzaakten die zichtbaar was tot op 300 kilometer afstand, wendde Churchill het roer en distantieerde hij zich van deze wanpraktijken.

Ook bij de ontwikkeling van de atoombom in Los Alamos deden zich grote morele dilemma’s voor, vooral eens de wetenschappers en ingenieurs ten volle beseften welke vernietigingskracht het wapen had dat ze aan het fabriceren waren. Die discussies onder wetenschappers, militairen en politici hebben niet verhinderd dat de bom gebouwd werd. Ze hebben ook niet verhinderd dat ze toen ze klaar was, meteen zonder voorafgaande waarschuwing werd gebruikt. Ze hebben niet verhinderd dat Hiroshima als doelwit werd uitgekozen omdat dit een stad was die nog intact was en men zo het verwoestend effect van de bom beter kon meten. En toen de Amerikaanse verantwoordelijken dat effect goed hadden kunnen inschatten, hebben de discussies over dit inzicht er niet toe geleid dat Nagasaki gespaard bleef.

Een goede vriend raadde me dit bijzondere boek aan. Het relaas van enkele ophefmakende experimenten uit de sociale psychologie in combinatie met de psychologische benadering van leiders en bevelvoerders, gehoorzamers en uitvoerders bij historische gebeurtenissen als de holocaust, de ontwikkeling en het gebruik van de atoombom, de terreurbombardementen op Duitse steden en de Vietnamoorlog,  leert veel over het gedrag van mensen als ze zich in ongewone, extreme en nieuwe situaties bevinden, hoe ze daaraan wennen en trachten te overleven. Ik beveel het boek op mijn beurt iedereen aan. Het bevordert bescheidenheid, nuance en mededogen in de oordelen waar we allemaal elke dag zo snel mee klaar staan. 

 

Jan de Laender. Het hart van de duisternis. Psychologie van de menselijke wreedheid. Davidsfonds, 2004.

20-04-13

De laatste nacht van Philippe

-          Was jij niet verkleed in Sinterklaas?

Philippe is terug wakker. De vraag verrast me. Natuurlijk niet, ik lig van op het plooibed gewoon  naar hem te kijken.

-          Ah, dan zal ik dat gedroomd hebben.

Even zwijgen we. Maar ik ben nu wel nieuwsgierig.

-          Wat heb je dan gedroomd?

-          Wel, het was een rare droom, hoor.

Hij slikt even, het praten gaat niet zo gemakkelijk. 

-          Jij was net terug van een geheime diplomatieke missie. Daarom was je verkleed in Sinterklaas. En je moest ergens mensen gaan redden.

Ik glimlach. Wat een verbeelding spreekt uit die woorden.  Philippe trekt zich recht aan de stang boven zijn hoofd. Hij wil drinken. Of gewoon zijn mond spoelen. Ik spring van het plooibed om hem te helpen moest dat nodig zijn.

In het vijfde studiejaar van de nieuwe school in ons nieuwe dorp belandde ik voor het eerst bij Philippe in de klas. We leerden elkaar goed kennen in Don Bosco en vooral bij de scouts.

Philippe is altijd een verkenner gebleven. Hij exploreert als eerste de laatste trendy toestellen. Hij experimenteert met nieuwe computertoepassingen. Maar hij is evengoed verzot op het leren van nieuwe gezelschapsspellen. Hij loopt op van die gekke schoenen met een bolle zool. Hij beslist van de ene op de andere dag macrobiotisch te gaan eten. Hij heeft oog voor het nieuwe waar wij ons verheugen over het bekende. Hij wil proeven van het vreemde als wij teruggrijpen naar het vertrouwde.

Philippe is de man die moet doen wat een man moet doen: hij gaat door het leven zoals hij dat wil. Hij volgt zijn principes in daden en, vaker in zijn eigen jeugd dan als vader, in luide en hoge woorden.  En hij is genereus in alles wat er in het leven echt toe doet:  hij komt aandraven met creatieve cadeaus, baksels, kalenders of verjaardagkaartjes waarvoor hij op geen moeite of tijd kijkt. Hij doet wat in zijn macht ligt als je op hem een beroep doet. Hij rijdt in een sneeuwstorm heen en weer naar Oud-Heverlee om zo toch nog héél de familie rond de kerstboom te krijgen. Hij stelt vragen die van oprechte interesse getuigen. Hij neemt en schenkt tijd voor het diepe leven, en liefst ook nog een goed glas bier.

Ook die laatste nacht komt de verkenner in Philippe naar boven. Als ik om half vier wakker schiet, zit Philippe in de stoel rechtover zijn bed. Hij is al de hele nacht erg rusteloos. Hij kan soms geen ogenblik in dezelfde houding blijven liggen of zitten.

-          Gaat het, Philippe?

Ik krijg geen duidelijk antwoord. Hij zet zich moeizaam recht en sloft met zijn staander niet naar zijn bed maar naar de deur.

-          He, waar ga je naar toe?

Ik spring recht. Philippe loopt de kamer uit en slaat links af. Ik ben bij hem als hij halt houdt aan enkele rolstoelen, drie, vier meter voorbij zijn kamerdeur. Hij wijst er een aan.

-          Wil je daar eens proberen in te zitten?

De vraag is nogal overbodig. Ik plooi de rolstoel open. Ik zet de voetsteunen recht als hij zich heeft laten zakken. Ik peuter de baxter van de staander en hang hem aan de rolstoel.

-          Zijn er geen kuitsteunen aan?

-          Neen.

-          Water?

Wat verder is het fonteintje. Hij wil een gevuld bekertje en een leeg spuugbekertje.

-          Wil je misschien eens een toertje doen door de gang?

Hij knikt.

-          Branddeken.

Eerst denk ik dat ik het niet goed verstaan heb. Waarom heeft hij nu een branddeken nodig? Ik kijk rond of ik de nachtverpleegster ergens zie. Maar die zou ons wel prompt naar de kamer terugsturen, denk ik.  Het ziekenhuis lijkt helemaal verlaten. Maar Philippe wijst rechtdoor. Een beetje verder, om een hoek, zie ik branddekens liggen. Ik rijd hem ernaartoe. Ik neem het bovenste rode deken in mijn handen.

-          Moet je dat hebben?

Hij schudt zijn hoofd en wijst naar de plastieken zakken met moltons die onder het branddeken liggen gestapeld. Ik scheur een zak met moltons open. Hij tracht de doek over zijn benen en buik te draperen. Ik help hem de molton goed te leggen.

-          Gaan we eens wandelen?

-          Ja, goed idee.

Pas nu begrijp ik dat dit al de hele tijd zijn bedoeling was. Hij wijst resoluut de weg. We volgen de pijltjes richting ‘uitgang’.

-          Nemen we de lift?

Een duidelijke knik. We nemen de lift naar de eerste verdieping, waar de uitgang is. We gaan de lange gangen door, blijven de pijlen volgen. Geen levende ziel te bekennen in het hele hospitaal. Het lijkt of we ons in een andere wereld bevinden.  Bijna aan de trappen naar de reusachtige gelijkvloerse onthaalruimte met de hoofdin- en uitgang, stuiten we op een gesloten glazen deur. Ik weet dat die deur dankzij een elektronisch oog opengaat  als je dichterbij komt en zich sluit als je gepasseerd bent. Maar ik weet ook dat als je op dit onchristelijk uur op je schreden terug wil keren, die deur niet meer automatisch openschuift. Dan moet je de trap af naar de nachtwaker om ze manueel te laten openen. Dat is niet verstandig, bedenk ik. Wie weet krijgen we daarmee geen last. Want wat hebben een graatmagere patiënt in een rolstoel en een onbekende bezoeker op dit moment in de onthaalruimte van Gasthuisberg verloren?

-          Ik denk dat we best terugkeren. Want als we die deur doorgaan, kunnen we niet meer terug.’

Philippe protesteert niet. We vatten de terugtocht door de eenzame en lege gangen aan, hij met de twee plastieken bekertjes in zijn handen en de molton op zijn benen. We hebben op onze geheime missie niemand gezien en niemand heeft ons gezien. Zo denken we toch.

Als we elk terug in ons bed liggen, Philippe in het hospitaalbed en ik ernaast in het plooibed, blijven we stil naar het plafond kijken. Hij ademt zwaar door zijn mond. Ik weet dat hij blij is dat hij straks naar huis mag. Was het al maar zover, denkt hij ongetwijfeld. Zijn borst gaat hoog op en neer. 

Zie ons hier liggen, valt me ineens te binnen. Meer dan dertig jaar geleden hebben we zo ook eens samen een vrijwel slapeloze nacht doorgebracht.  We waren als 17-jarige verkenners op tweedaagse in het kleine Franse stadje Rethel, halverwege Reims en Charlesville-Mézières. Onze patrouille had een leegstaande krotwoning uitgekozen als overnachtingsplaats. In het krot stond een beddenbak met een ijzeren vering in maar zonder matras. Philippe en ik palmden dit bed in. We prezen ons gelukkig. Want de anderen moesten het doen met wat vergeelde kranten op de koude tegels. Maar ondanks onze slaapzak konden we op die ongelijke harde ijzeren veren evenmin de slaap vinden. Bovendien rolden we door de put die we met ons gewicht in de vering maakten, voortdurend in elkaars richting. En op zoiets wilden we ons geen van beiden laten betrappen.

Ik hoor Philippe zuchten en draai mijn hoofd opzij.

-          Weet je nog, meer dan dertig jaar geleden, op tweedaagse in Rethel?

-          Rethel? Dat zegt me iets ja.

Ik vertel hem over het bed zonder matras.  Aan zijn reactie hoor ik dat hij er plezier aan beleeft die herinnering op te rakelen.

-          Was dat dan tijdens het kamp van Achet?

-          Ja, ik denk het.

-          En nu kunnen we ook niet slapen.

-          Ja, daarom dacht ik er ineens aan.

Na de middag verslechtert de toestand van Philippe plots. Net vóór de ambulance hem naar huis zou brengen om er in vrede met zicht op de tuin te kunnen sterven, overlijdt hij toch nog onverwacht snel in het ziekenhuis.

Hoe spijtig dat er in deze wereld geen Sinterklaas was om op geheime missie mijn vriend die mijn schoonbroer was, uit de klauwen van de maagkanker te redden.

08:23 Gepost door peter in Liefde, vriendschap | Permalink | Commentaren (6) |  Facebook | | |

04-04-13

De stempel

Er is de jongste weken in de media nogal wat te doen geweest over het principe van de neutraliteit van de openbare dienst. Als ik aan een ambtenaar denk, komt me niet meteen dat volgens sommigen door een hoofddoek overschaduwde principe voor ogen. Dan denk ik eerst en vooral aan het schrikbarende wapen dat de ambtenaar grijpensklaar in zijn buurt houdt: een stempel.

Zelf ben ik, sinds kort, van de oude stempel. Misschien doe ik ambtenaren van tegenwoordig wel onrecht aan door hen met een vervaarlijke stempel te associëren. Dat wil ik niet. Wellicht kan ik het zelfs niet. Ik ben nog opgevoed om respect, of sterker nog, ontzag en gehoorzaamheid te betuigen aan ambtenaren. Zij vertegenwoordigen, zoals de champetter in het teloorgegane Vlaanderen van de Paradijsvogels, het wettelijk gezag. Als ik ergens op een openbare dienst iets moet verkrijgen van een ambtenaar, pompt mijn hart het bloed iets sneller door mijn aderen. Zal ik vlot de stempel krijgen?

In mijn oude Brugse familiekring behoort het verhaal tot de meubelen hoe ik als kleuter met mijn jongvolwassen nonkel mee mocht: naar de bakker, naar de post, naar het stempellokaal, naar de apotheker.  Nadat we eindelijk aan zegels waren geraakt, bezorgde ik mijn oom rode kaken door in het bomvolle postkantoor ongeduldig en onbevangen uit te roepen: ‘en dan nu eindelijk naar den dop hé nonkel!’ Want daar moest wie werkloos was elke dag zijn stempel van schaamte halen.

Een hedendaagse overheid met een moderne bestuurscultuur laat er zich veel aan gelegen haar onderdanen te behandelen als klanten die, zoals bij de bakker om de hoek, daar al in mijn kleuterjaren koning waren. En stempels? Ze verdwijnen stilaan als het wapen van de ambtenaar, dankzij de informatisering, de beeldschermen, de elektronische handtekeningen.

Maar niet overal. Deze week las ik in het Jaarverslag 2012 van Vlaams Ombudsman Bart Weekers enkele laconieke lijnen over de Excalibur onder de stempels, de apostille van Den Haag. Ik moet me bedwingen om apostille niet zoals het mythische zwaard uit de Arthurlegende met een hoofdletter te schrijven. Deze superstempel heb je nodig wanneer je de echtheid van een document, zoals een diploma, officieel wil laten bevestigen voor buitenlands gebruik. Het Verdrag van Den Haag bedacht daarvoor  die  apostille, een zegel die door de verdragspartijen wordt erkend en gebezigd als waarmerk voor een document uit een ander land.

De Ombudsman had een klager over de vloer gekregen die zich afvroeg waarom hij, nadat zijn diploma was geattesteerd door de bevoegde Vlaamse dienst, nog naar Buitenlandse Zaken moest om die apostille. Want alleen de Dienst Legalisatie van Buitenlandse Zaken, gevestigd in de Karmelietenstraat in Brussel, is bevoegd om de apostille van Den Haag te zetten die in België uitgereikte documenten internationale erkenning verlenen.

Tussen haakjes: zo’n apostille kost € 15 per document. Wie een apostille wil moet daarvoor naar de Karmelietenstraat en er, volgens de website van Buitenlandse Zaken, nul tot 48 uur nagelbijten vooraleer het verlossende zegel verrijst. Of hij moet zijn document opsturen en er tot tien werkdagen op wachten vooraleer het gestempeld terug in zijn bus valt.

Ik begrijp dat onze meer dan gemiddeld intelligente Ombudsman een opportuniteit zag om die gang van zaken wat efficiënter te organiseren. Zeker toen een kleine rondvraag hem leerde dat de superstempel in verschillende landen wel decentraal wordt gezet. Dus waarom zou een Vlaamse overheidsdienaar de apostille niet met een even eerbiedige zwaai op een Vlaams document kunnen mikken als de stempelaars van de Karmelietenstraat?   

De Vlaamse overheid agendeerde de zaak op de Interministeriële Conferentie Buitenlands Beleid, een overlegorgaan tussen de federale overheid en de deelstaten waar soortgelijke aangelegenheden van staatsbelang worden besproken. Een argeloze overheidsklant zou denken, goed idee en hupsakee, alweer een nuttige administratieve vereenvoudiging!

Helaas. Ik besluit met de woorden van de Ombudsman: ‘De Conferentie beslist om een werkgroep op te richten met vertegenwoordigers van de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten. Begin 2013 was die werkgroep nog niet samengekomen. Het blijft afwachten wanneer we kunnen rapporteren dat de Vlaamse overheid die apostille zelf zet.’

De stempel, het blijft een machtig wapen dat geen overheid zonder slag of stoot uit handen geeft. Uit goede bron weet ik dat de regering zich in het Vlaams Parlement aan vragen mag verwachten. Maar het zou me verbazen als er vóór de verkiezingen van 2014 al op andere plaatsen dan in de Karmelietenstraat apostilles worden gezet.

21-03-13

Waarom subsidieert Kris Peeters de Wereldwinkel wel en de Aldi niet?

‘Stop de tsunami aan parlementaire vragen’ en ’70 dagen opzoekwerk voor één vraag, dat is toch niet meer ernstig’. Dit zijn twee krantenkoppen (de eerste uit De Standaard, de tweede uit Het Nieuwsblad) van deze week. De alarmkreten komen van de Vlaamse opperambtenaar, Dirk Van Melkebeke. Hij heeft gelijk. En tegelijk nagelt hij de Vlaamse ambtenaren en de Vlaamse overheid aan de schandpaal.

Hij heeft gelijk omdat de cijfers aantonen dat het aantal schriftelijke vragen die Vlaamse volksvertegenwoordigers in het Vlaams Parlement stellen, alsmaar toeneemt. Voor alle duidelijkheid: het zijn de ambtenaren uit de administraties die deze vragen moeten beantwoorden. Twee jaar geleden moesten ze er 5.111 beantwoorden. Vorig parlementair jaar stond de teller op 6.668. En dit jaar stevenen de volksvertegenwoordigers af op een nieuw record. Deze week zaten ze al aan 3.900 vragen, dat zijn er al 300 meer dan vorig jaar op hetzelfde tijdstip.

Volgens Van Melkebeke is de verklaring simpel: de kranten rangschikken parlementsleden volgens hun ijver en inzet. Het aantal schriftelijke vragen dat ze stellen, is dan een criterium. In het licht van de verkiezingen van 2014 vreest Van Melkebeke daarom het ergste. De topambtenaar dringt er bij de media op aan om onze politici niet langer te klasseren op basis van kwantitatieve gegevens.

Terecht. Temeer daar het meestal niet eens de politici zelf zijn die de vele schriftelijke vragen (en vragen om uitleg, interpellaties) opstellen waar ze hun handtekening onder plaatsen. Dat doen hun medewerkers. Of de studiedienst. En bij de CD&V wellicht ook het ACW en de Boerenbond. Hetzelfde gebeurt overigens met voorstellen van decreten, resoluties of moties. Er doen zelfs geruchten de ronde dat Christian Van Thillo zich bezighoudt met het schrijven van hem goedgunstige decreten.

Maar Van Melkebeke zet het Vlaams overheidsapparaat ook voor schut. Het verhaal van die 70 dagen opzoekwerk om een schriftelijke vraag te beantwoorden, noem ik een schande. Ik schrijf dat omdat ik weet over welke vraag het gaat: een parlementslid stelde aan alle (9) Vlaamse ministers dezelfde vraag: hoeveel subsidies reikt u uit en aan wie? Kan je je voorstellen dat de administraties die zo’n eenvoudige en voor de hand liggende vraag voor hun minister moeten beantwoorden, daar zeventig dagen opzoekwerk voor nodig hebben?

Want de vraagsteller wil eigenlijk gewoon weten naar welke organisaties van buiten de Vlaamse overheid zelf welk deel van de Vlaamse koek schuift die de Vlaamse regering met belastinggeld heeft gebakken. Voor zo’n basisgegeven over het functioneren van haar organisatie heeft de Vlaamse regering dus geen computerprogramma klaar dat met een druk op de knop op elk gewenst moment het resultaat monitort. Neen, een ambtenaar is daar bijna een derde van zijn jaarlijkse arbeidsdagen mee zoet.

Voor alle duidelijkheid: die subsidiebedragen per organisatie zijn niet opgenomen in de jaarlijkse begroting (welke uitgaven zijn er gepland?) of rekeningen (welke uitgaven zijn er effectief gebeurd?) die de Vlaamse regering ter controle indient bij het Vlaams Parlement. Zo’n informatie moet een volksvertegenwoordiger dus via een schriftelijke vraag verzamelen.

Van Melkebeke werpt ook nog op of al die vragen wel nuttig zijn. Wel, neem nu de vraag van 70 dagen. Uit de antwoorden leerde ik dat minister Smet vanuit zijn bevoegdheid voor Brusselse aangelegenheden een festival subsidieert waarmee Oostende de zomer in danst. En dat minister Bourgeois met een toelage voor een zeepkistenrace in Linkebeek het Vlaams karakter van de Rand versterkt.

En ik kwam te weten dat minister-president Kris Peeters wel subsidies veil heeft voor het personeel van de Wereldwinkel in Tielt, maar niet voor dat van de plaatselijke Aldi. Zo kom ik bij de titel boven deze blog: pas als je de feiten kent, kan je op zoek naar de oorzaken en verklaringen. Als je weet waarom Peeters het personeel van de Wereldwinkel wel en dat van de Aldi niet subsidieert, kan in een democratie het debat beginnen.

19:00 Gepost door peter | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook | | |

14-03-13

Franciscus, de revolutionair en de tegenpruttelaar

Sinds 13 maart is de poster die in mijn kantoormodule hangt verouderd. Op die poster staan afbeeldingen van de pausen die de rooms-katholieke kerk erkent, met hun wapenschild (vanaf Innocentius III), van Petrus tot Benedictus XVI.

Op city-trip in Rome kocht ik de poster enkele jaren geleden als een leuk hebbeding. Toen hij onlangs tussen een lang vergeten stapel papier terug opdook,  kreeg ik het idee om hem op te hangen op mijn kantoor. Als tegengewicht voor de talrijke posters en slogans die andere kantoormodules op deze gang in het Vlaams Parlement sieren. Posters en slogans over de dood van God, de achterlijkheid van godsdiensten of de domheid van gelovigen die de moed ontberen enkel op hun verstand en de wetenschap te betrouwen.

Van karakter ben ik namelijk nogal een tegenpruttelaar, zo houdt mijn vrouw me geregeld voor (en ik haar). Zij zal wel gelijk hebben (en ik ook). Uiteindelijk heeft elk menselijk samenwerkingsverband dat gesmeerd wil blijven lopen, tegenpruttelaars nodig die zijn werking voortdurend in vraag stellen.

In ongemakkelijke stilte hangt die poster inmiddels enkele maanden achter mijn rug veler ogen uit te steken. Terwijl ik niet eens meer geloof in God te geloven, laat staan in een met onfeilbaarheid omklede paus. En nu is er dus Franciscus die er niet meer op staat. Wat een vervelende tegenpruttelaar!

Nochtans kan ik er niet naast kijken. Franciscus van de Pampa moet nogal een kerel zijn. Hij is de eerste paus die niet uit Europa komt. Hij is de eerste jezuïet die bisschop van Rome wordt. Hij is bovendien (zo bewijst mijn poster toch nog zijn nut) de eerste sinds paus Lando in 913 die een nieuwe pausennaam koos.  Tenminste, als ik Johannes-Paulus I, van wie het pontificaat exact 33 dagen duurde, even buiten beschouwing laat.

Maar dan valt me nog iets op: van Lando is (volgens Wikipedia) haast niets bekend, behalve dan dat hij minder dan een jaar regeerde en vermoedelijk vermoord werd. Ook over de plotse dood van Johannes-Paulus I doen de wildste geruchten de ronde. Wat kort door de bocht gesneden kan je dus besluiten dat een paus die de voorbije 1100 jaar een nieuwe naam koos, nooit een voorspoedig leven was beschoren.

Maar wat een naam koos die Argentijn dan nog! Franciscus! Naar de wereldberoemde heilige uit Assisi die ongeveer drie eeuwen na de nagenoeg anonieme Lando het levenslicht zag. Zowat de grootste revolutionair uit de kerkgeschiedenis (na Jezus). Hij leefde als kluizenaar, herstelde kerkjes en bad. Hij groeide op als de verwende zoon van een rijke koopman en had de ambitie om de armste mens ter wereld te worden. Hij trok op het plein bij de bisschop de kleren uit die zijn vader hem had geschonken, hief de handen ten hemel en riep: ‘nu kan ik werkelijk zeggen, onze Vader in de hemel’. De bisschop dacht hetzelfde en sloeg snel zijn mantel om hem heen.

Ten tijde van die paus met het eerste wapenschild, Innocentius III, trok Franciscus mee op kruistocht om Jeruzalem van de Moren te bevrijden. Maar in plaats van de moslims te bevechten, ging hij onder hen en met hen leven, zonder wapens. Zelfs zonder drift, vrij uitzonderlijk in die tijd, om hen te bekeren. Franciscus wilde vrede. Hij overleefde zijn vredeswil in het land van de Moren en reeg verder de straffe stoten aaneen.

Ik leerde de grote dierenvriend Franciscus van Assisi goed kennen in mijn welpentijd. Wie meer wil weten over die wonderlijke heilige zal de komende uren in de media wel over de verhalen struikelen. De nieuwe Franciscus van de Pampa heeft iedereen nieuwsgierig gemaakt naar de oude.

Maar ook naar de lotgevallen van de nieuwe. Hoe lang houdt hij het vol? Wil hij een echte revolutionair zijn of blijft hij niet meer dan een bescheiden tegenpruttelaar, zoals er in elk menselijk samenwerkingsverband thuishoren? Dat laatste is in de Kerk misschien al genoeg revolutionair.

15:51 Gepost door peter in Actualiteit | Permalink | Commentaren (0) | Tags: franciscus, paus |  Facebook | | |

01-03-13

Arco en de Jacht op het Verloren Schaap (*)

Hoe lang duurt het nog vooraleer het ACW zijn naam verandert? Gisteren dacht ik aan de Herald of Free Enterprise.  Woensdag 6 maart is het exact 26 jaar geleden dat de boot bij het uitvaren van Zeebrugge in 90 seconden kapseisde.  Het schip, met in grote witte letters op de rode scheepswanden de naam Townsend Thoresen, was vertrokken met geopende boegdeur. De boeggolf spoelde het autodek in.  Een week later bevoer geen enkele vaartuig met de naam Townsend Thoresen nog de Noordzee.  Het gehavende ACW zal weliswaar niet in 90 seconden kapseizen, maar zet nu toch al wekenlang de auto’s en passagiers aan boord onder het boegwater.

De Tijd (28/2) onthulde dat de staatsbank Belfius, de opvolger van het gezonken Dexia, vier miljoen per jaar betaalt aan het ACW om de reputatie van de bank niet te schaden en haar leden niet op te roepen om hun spaargeld naar een andere bank te verhuizen.

Waarom zou een beweging die gegrondvest is op de idealen van de christelijke arbeidersbeweging zich laten betalen om geen kritische bemerkingen te formuleren over een bank? Waarom zou zij haar bereidheid verkopen om haar leden niet het advies te geven hun spaargeld bij een bepaalde bank weg te halen? Het antwoord is simpel. Omdat het ACW zelf in zo’n slechte papieren zit, dat het zichzelf vandaag in de eerste plaats omschrijft als een bedrijf in moeilijkheden.

En waarom zat het ACW ook alweer in slechte papieren? Omdat haar financiële poot, Arco, niet meer of niet minder uit winstbejag gestruikeld is over te grote beleggingsrisico’s en nu in vereffening is.

Maar wat had de financiële poot van een christelijke arbeidersbeweging juist te maken met Belfius? Dat is een lang verhaal. Het begint met een coöperatieve spaarkas van die christelijke arbeidersbeweging die bank werd. Die bank wilde een nog grotere bank zijn en transformeerde zich tot een financiële poot. En die poot verloor in haar ijver om de beweging vooruit te helpen helaas de voeling met de motieven om in beweging te komen. Daardoor zag die poot er geen graten in samen te werken met een grote bank als Dexia. Zo werd die poot verleid om mee te spelen in een spiraal van financiële risico’s die uiteindelijk helaas een foute gok bleken.  Dexia ging failliet, maar verrees opnieuw als Belfius omdat de overheid er een massa geleend geld in stak dat later wel mee door onze kinderen zal worden afbetaald.

En hoe komt er dan spaargeld van ACW’ers bij Belfius? Omdat circa 800.000 mensen in de loop van de voorbije kwarteeuw op een of andere manier aan een klein coöperatief aandeel zijn geraakt van wat uitgegroeid is tot de financiële poot van het ACW. Die aandelen, maximaal één per gezinslid, werden verkocht als spaarproducten voor de lange termijn, een appeltje voor de dorst zeg maar, met een interessante rente. Je kan er immers niet echt in beleggen, je kan ze ook niet verkopen als de koers, zoals bij een beursgenoteerd aandeel, plots geweldig interessant zou worden. Je kan ze zelfs niet van de hand doen op het moment dat je dat geld opnieuw nodig hebt. In mijn geval is zo’n aandeel volgens de laatste verrekening (2011) een kleine € 3.000 waard. Veel Arco-spaarders-coöperanten hebben naast hun coöperatief aandeel ook nog andere spaarrekeningen. En die zitten nu, net als verzekeringen bijvoorbeeld,  vaak bij Belfius.

En waarom zouden die 800.000 mensen die ooit een aandeel van de financiële poot van het ACW in bezit kregen, er dan aan denken hun ander spaargeld bij Belfius weg te halen? Om deze vraag te beantwoorden, is wat psychologisch inzicht nodig. Eerst en vooral ziet het er meer en meer naar uit dat deze spaarders hun appeltje voor de dorst van Arco kwijt zijn. De regerende meerderheid heeft nochtans beslist om de Arco-coöperanten een staatsgarantie als spaarders te verstrekken, die op de gewone aandeelhouders van Dexia bijvoorbeeld niet van toepassing is. Tot grote woede en frustratie van deze gedupeerde en evengoed bedrogen beleggers. Meer en meer lijkt het erop dat die staatsgarantie wettelijk geen stand zal houden. De Raad van State en Europa lieten dit al verstaan.

Het is dus logisch dat de 800.000 Arco-coöperanten nu ook beginnen vrezen dat de garantie een vodje papier is en dat ze hun spaargeld kwijt zijn.  In een gezin van vier kan dit om ongeveer € 12.000 gaan. De meesten van die gedupeerden zijn gewone werknemers die een band hadden of hebben met het ACW of een van de vele aanverwante organisaties die de voorbije decennia de Vlaamse gemeenschap op zoveel terreinen kleurden. Deze gewone mensen moeten echt wel heel lang werken om € 12.000 te kunnen sparen. Zij kunnen met het eventuele verlies van dat geld niet lachen. De lange onzekerheid, in deze crisisjaren dan nog, is een bijkomende kwelling. 

Het ACW, zijn deelorganisaties, de bij het ACW aansluitende politieke partij CD&V en de staatsbank Belfius moeten ook met die onzekerheid door het leven. Bovendien vrezen zij de woede van de Arco-spaarders.  Wie die woede wil meten, leest er maar eens de fora van gedupeerde Arco-spaarders op internet op na. Vandaag is Belfius waarschijnlijk al vele Arco-klanten kwijt.  Waarom zou een Arco-klant zo’n kakelverse staatsbank waar hij geen enkele voeling mee heeft bedanken met zijn trouw? En wat zal dat worden de dag dat het doek definitief valt over de staatswaarborg voor de Arco-spaarders?

Gelukkig, zo moeten ze bij Belfius denken, kon het ACW tenminste al afgekocht worden om de toorn bij haar leden niet verder op te poken. Maar de boodschap dat de huidige ACW-leiding zich daartoe heeft geleend in een commerciële deal die niet bekend had mogen worden, werd door de Arco-spaarders meteen opgepikt. Ze ruiken de angst.

Sedert de N-VA de aanval op het ACW heeft geopend, ziet CD&V zich in de verdediging gedrongen. Ook bij de CD&V-leden zijn er veel Arco-gedupeerden woest op het ACW, dat niet enkel hun vertrouwen heeft beschaamd maar ook hun eergevoel over hun eerlijk engagement. Is dat die beweging waarvoor zij zich hebben ingezet?

Maar de aanval op het ACW door de N-VA lijkt net iets teveel op de Jacht op het Verloren Arco-Schaap. Niet voor niets zei De Wever na het ontbinden van alle duivels tegen het ACW door zijn kamerleden Jan Jambon en Peter Dedecker dat die aanval niets afdoet aan het feit dat wat hem betreft de Arco-gedupeerden vergoed moeten worden.

CD&V sloeg in een kramp. De partij moet uit al haar poriën het ACW bijspringen. Zogezegd om de ware ziel van het christendemocratisch middenveld eer te bewijzen in deze moeilijke tijden, schreef Kris Peeters een brief aan de tienduizenden vrijwilligers. In werkelijkheid zet CD&V haar grootste kanon in om het ACW-electoraat niet verder te verliezen.

Overigens kwam de aanval van N-VA op het ACW niet zomaar in de nieuwsluwe krokusvakantie uit de lucht vallen. Er gaat een jaarwende aan vooraf die de partij van Bart De Wever heel wat stof tot nadenken gaf. De numero uno van CD&V trapte toen de campagne voor de verkiezingen van 2014 op gang met interviews waarin hij afstand nam van de N-VA. Kris Peeters liet optekenen dat hij na 2014 niét voor een nieuwe staatshervorming gaat om, schouder aan schouder met De Wever, de confederale omwenteling na te jagen.  Lees: geen communautaire campagne. De copernicaanse dromen van Peeters heten vandaag opeens al genoeg gerealiseerd. De implementatie van de zesde staatshervorming als opdracht voor 2014-2019 klinkt al voldoende ambitieus als programma. En desnoods, als het echt niet anders gaat, maar u begrijpt dat het natuurlijk zeer vroeg is om daar nu al over te speculeren, sluit Peeters niet langer helemaal uit dat hij, indien hij wordt gevraagd om zijn verantwoordelijkheid op te nemen vanzelfsprekend, dat programma misschien wel uitvoert als… wel ja, als federaal premier (shit, nu staat de vloek toch op papier).

De boodschap werd overal gecapteerd. De Franstaligen wisten meteen dat ze in de federale regering maar beter kunnen meewerken aan de uitvoering van die zesde staatshervorming. Dan kunnen ze een nieuwe communautaire campagne vermijden die de N-VA een thuisvoordeel en dus hen zelf enkel een groter probleem geeft. 

En in Antwerpen dacht Bart De Wever, hallo kroket, ik sta er dus moederziel alleen voor. No mercy, besloot de burgemeester wellicht, de jacht is open op iedereen en alles om N-VA in 2014 zo’n sterk mogelijke uitgangspositie te bezorgen. Rechts is al haast helemaal leeggegeten. Even naar links kijken dus, daar valt misschien nog wat te rapen. Om te beginnen de Verloren Arco-Schapen. En kijk eens naar de peiling van La Libre vorige week?  CD&V verliest 2,4% en wordt na de SP.A de derde partij van Vlaanderen. En N-VA? De partij wint 3,6% en klimt terug tot 39%.

(*) Dit is geen bespreking van de roman De Jacht op het Verloren Schaap van Haruki Murakami, een van mijn favoriete auteurs, maar een blog over de problemen van het ACW, de woede van de Arco-spaarders en de jacht op hun stemmen bij de verkiezingen van 2014, die volop woedt. En voor wie dit onderwerp betreurt, misschien schrijf ik ooit nog wel iets over Murakami’s Jacht, of over Norwegian Wood of 1q84.

20:15 Gepost door peter in Actualiteit, politiek | Permalink | Commentaren (0) | Tags: kris peeters, acw, arco, belfius, dexia |  Facebook | | |

28-02-13

Integratiedebat: van blanke vlucht tot gekleurde jobs

Enkele dagen geleden stond in De Morgen een reportage onder de titel Blanken vluchten weg uit Londen. Tussen 2001 en 2011 verlieten ruim 600.000 Londenaren de stad. Vlak voor de jaarwisseling was het nieuws over het Kanaal: op grond van de tienjaarlijkse volkstelling bleek Londen niet langer een meerderheid aan ‘Witte Britten’ te tellen. En daarmee rondde de City als eerste westerse hoofdstad deze kaap, merkte een demograaf in de Financial Times op. Op Brussel na dan, voegde hij daar aan toe, dat als ‘ambassade-hoofdstad’ een speciaal geval is.

Inderdaad, Brussel, of liever, het Brussels hoofdstedelijk gewest, is een speciaal geval. In het Brussels gewest, leert wat opzoekingswerk, is al meer dan 60 procent van de inwoners vreemdeling of van vreemde herkomst (ter vergelijking: in Antwerpen is bijna vier op tien inwoners van vreemde origine, in Gent een kwart). Brussel kent ook een stadsvlucht, zowel van autochtone Belgen als van allochtone inwoners naar de brede randgebieden buiten het stadscarcan, en tegelijk een immigratiegolf die sterker is dan de emigratie. Vreemd genoeg kan ik me het nieuws over het overschrijden van de kaap van 50% niet-witte Belgen in de hoofdstad van ons land niet herinneren. Voor de beleidsverantwoordelijken was het waarschijnlijk zoiets als een drol op het voetpad: wie hem ziet liggen, loopt eromheen. By the way, zoals Boris Johnson, de populaire burgemeester van Londen.

In de Engelse pers die we daar via internet snel eens op screenden, worden verschillende verklaringen gegeven voor de blanke vlucht. Die zijn vergelijkbaar met verklaringen voor stadsvlucht die zich evengoed voordoen in Brussel of in andere westerse (groot)steden: ruimtegebrek, drukte, veiligheid, gezondheid, problemen op de woningmarkt, tekort aan scholen en speelruimte voor de kinderen, etc. Maar uit meer doorgedreven analyse blijkt de stadsvlucht in Londen vooral de autochtone Engelsen in zijn ban te hebben. En dan duikt in linkse middens al snel het woord racisme op.

We zouden het liever met wat meer nuance samenlevingsproblemen noemen. Samenleven in diversiteit vergt kennis en vaardigheden, wederzijds respect en oefening. Van nieuwkomers en geboren en getogen inwoners. Ook in Londen stelt men vast dat dit niet zo evident is. Het Verenigd Koninkrijk heeft nochtans veel meer ervaring met immigratie, net als met het opleggen van zijn wil natuurlijk. Het land heeft ook al veel langer dan ons land regelgeving inzake burgerschap en integratie.

In Vlaanderen wordt, met vallen en opstaan weliswaar, al anderhalf decennium een beleid gevoerd gericht op integratie, het samenleven in diversiteit. Goedbedoeld, onbezoldigd, gegroeid uit een middenveld van geëngageerde vrijwilligers waar zelfs Kris Peeters deze week de lof van zong. Aan die integratie werd later inburgering toegevoegd, hoewel die er eigenlijk aan voorafgaat. Inburgering is er specifiek op gericht om nieuwkomers wegwijs te maken in de samenleving waarin ze zinnens zijn hun toekomst uit te bouwen. Dit beleid ging in Vlaanderen van start in 2003. Voorzichtig, met rechten en pampers.

Vanaf 2006 moésten nieuwkomers in het hele Vlaamse Gewest cursussen gaan volgen, Nederlands en maatschappelijke oriëntatie. Na de rechten volgden de plichten. In het Vlaams Parlement ligt inmiddels alweer een integratiedecreet ter bespreking dat de inburgering en de integratie op elkaar afstemt. Dat hervormingsdecreet kan, als de meerderheid die er voorstander van is de stap ook effectief durft te zetten, misschien ook echte tests en een grotere kennis van het Nederlands opleggen aan nieuwkomers. Na de rechten en de plichten moeten er straks ook resultaten zijn.

De ingewikkelde Belgische staatsstructuur en Franstalige politieke onwil hebben onze meest diverse en enige kosmopolitische grootstad Brussel een achterstand van vele jaren bezorgd inzake integratie en inburgering. Vanuit de Vlaamse gemeenschap kan de verplichte inburgering in het Brussels hoofdstedelijk gebied niet worden ingevoerd. Zelfs het Vlaams beleid bestaat er nog slechts uit rechten. En dit werd en wordt vaak vanuit de stadhuizen van de 19 Brusselse gemeenten tegengewerkt. Vanuit de Franse gemeenschap, die daartoe de Franstalige gemeenschapscommissie in Brussel (Cocof) machtigde, wordt er geen met Vlaanderen vergelijkbaar integratie- en inburgeringsbeleid gevoerd.

Maar sinds kort lijken aan Franstalige zijde de geesten voor een verplichte inburgering toch te rijpen. Halverwege vorig jaar meldde De Standaard (18/6/2012) dat de Franstaligen in Brussel bereid zijn met de Vlamingen afspraken te maken over de integratie van migranten. Open Vld en CDH dachten daar een Brussels kader voor uit, dat onder meer in Franse en Nederlandse taallessen voorziet.

Het wordt hoog tijd dat in onze hoofdstad, de poort voor één derde van alle migranten die naar België komen, met een effectief inburgeringsbeleid wordt gestart. Beide gemeenschappen kunnen het zelfs verplichtend maken voor nieuwkomers (van buiten de EU) via de gemeenschappelijke gemeenschapscommissie.

Hoe en wanneer dit alles in de praktijk zal worden gebracht, is nog koffiedik kijken. Politiek zal er pas vaart achter komen na de verkiezingen van 2014. Maar het Vlaams Parlement zou in zijn nieuw integratiedecreet wel de opening kunnen laten om een Brusselse regeling na 2014 mee gestalte te geven.

Het zou goed zijn mochten de inburgeraars in Brussel ervoor kunnen kiezen om een gelijkaardig inburgeringstraject te volgen als in Aalst, in Vilvoorde of Mechelen. Omdat veel nieuwkomers in Brussel later doorstromen naar Vlaamse gemeenten. En omdat in de Vlaamse Rand werkvolk te kort is terwijl Brussel kreunt onder de werkloosheid.

Toegegeven, Vlaanderen en Brussel leveren al inspanningen om de vacatures voor laaggeschoold personeel en knelpuntberoepen in de luchthavenregio in te vullen met Brusselse werklozen. Een van de grote problemen blijft echter dat veel Brusselse werklozen geen Nederlands begrijpen of spreken. Als een inburgeringstraject hen daarbij op weg zou kunnen zetten, als ze de moeite doen om een woordje Nederlands te leren en als ze met werken hun kost willen verdienen, zijn ze overal in de Vlaamse gemeenschap welkom.

De Vlaamse gemeenschap zal in ruil dan wel meer moeten investeren in Brussel. Als nieuwkomers in Brussel de moeite doen om voor een Vlaams inburgeringstraject te kiezen, moet er op de Vlaamse buurtschool of kinderopvang ook een plaatsje zijn voor hun kinderen.

16:27 Gepost door peter in Actualiteit, Brussel, integratie, politiek | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook | | |