22-02-13

Ondergronds Brussel tussen het Centraal Station en de Koloniënstraat

Als je in de lokettenzaal van het Brussels Centraal Station kiest voor uitgang Kantersteen, beland je in een lange onderaardse gang die naar de metro leidt en een bovengrondse uitgang heeft aan de Koloniënstraat. Vroeger stonk die gang naar urine. Vandaag verstoppen hardboard-platen met grote reclameaffiches van Beliris langs één zijmuur de lopende renovatiewerken. Zeker de pendelaars die ’s ochtends vroeg hun overvolle warme trein uitstappen, krijgen indien ze dat wensen nog eventjes, al is dat een relatief begrip in spooromgevingen, de kans om de ontwakende onderkant van een grootstad in ogenschouw te nemen, met echte bedelaars, straatmuzikanten, daklozen en landlopers.

De meeste pendelaars die in de vroegte de machteloze grootstad  binnenstromen en in de avondspits opnieuw ontvluchten houden slechts vanuit een ooghoek bij hun gezwinde onderaardse op- en afmars het leven in de gang in de gaten.  Natuurlijk kijken ze altijd uit naar die Brusselse zalmen die tegen de stroom in zwemmen, slalommend, zoals mensen soms snelsnel nog een trein willen halen die wellicht toch vertraging heeft. Forenzen haasten zich om de haven van hun bureau te bereiken. Een oponthoud als een uitgestoken kartonnen bekertje of de omgekeerde hoed van een aan lager wal geraakte muzikant past niet in hun strakke tijdschema.  Ze zijn voortdurend bedacht voor een storende struikeling,  over een paar onderuit gezakte benen van een tegen de muur geleunde loser, over wat slordig door de fluogroene straatvegers bijeen gekeerd afval,  over smerige daklozen die onder vettige dekens hun roes uitslapen. 

Spijtig. Wie het leven in de gang met wat meer interesse gadeslaat, kan vaststellen dat het vrij goed georganiseerd en gestructureerd verloopt,  een beetje zoals de meeste zaken waar de natuurlijke ordening de kans krijgt zich te zetten zonder inmenging van overheden of ambtenaren.

Het eerste dat opvalt, is dat de gangbewoners vaste plaatsen innemen.  Ze gedragen zich wars van gêne voor de voorbijgangers die hen geen blik waard achten, wars van belangstelling voor een menselijke ondersoort. Als een voorkomende ambassadeur groet aan de ingang een vroegoude man van op zo’n stoel waarop ik als kind in de klas zat de dagelijkse gasten van Brussel. ‘Bonjour!’ klinkt het opgewekt uit zijn door tandenloosheid supermobiele mond, maar alleen voor de passanten die zijn oogcontact niet uit hun blikveld sluiten.  Soms houdt naast hem een zwarte de wacht met een oranje hartjesvormige zonnebril op en het rastakapsel verborgen onder een grote grijze muts.

Verder ligt een vijftal landlopers op een kluitje. De eerste, een langslaper of een slechte opstaander, ligt nog onder een deken met een luipaarddessin.  Soms slapen ook anderen langer, zoals de vettige haardos die onder het smoezelige oranje deken uitsteekt. Drie andere mannen met baarden zitten rustig wakker te worden rond een halfliterblik bier van een Duits merk. Ik wed dat het ook in mijn eigen Aldi wordt verkocht.  Een van hen steekt de half opgerookte peuk van een zelf gerolde sigaret tussen zijn lippen. Hij vraagt een van zijn kompanen vuur. Hun dekens en slaapzakken liggen nog op een hoop. De grillpan met een tefallaag waarin wat kopergeld blinkt is een vreemd lichaam buiten de kring van waaruit ze de pendelaars onverschillig aankijken. Wie kijkt neer op wie?  

Enkele meters dieper in de gang ligt nog een slaper, eenzaam in zijn khaki slaapzak. Ik vermoed dat hij geen habitué is. Naast hem staat recht als een soldaat een keurig donkerblauw reiskoffertje dat  zonder twijfel binnen de afmetingen past die Ryanair eist voor handbagage.  Een toerist?

In een zijgang rechts vertelt een straatveger een mop aan een landloper die zijn hebben en houden in een winkelkarretje heeft verzameld. Na die zijgang slaat een andere haveloze een praatje met twee honden op een deken. Ze houden zich even koest als de twee dwergkonijnen ernaast.

Vanaf dan schettert muziek. Vervelend schelle zigeunermuziek van een accordeon betokkeld door een mistroostige muzikant. Hij staat er elke dag. Als er naast hem een andere straatmuzikant op een viool fiedelt, is de accordeonist al wat opgewekter. Maar pas als hij begeleid is door zijn orkest van een viool, twee klarinetten, een djembe en een bas, lees je op z’n gezicht de glunderende verwachting. Het wordt een goede dag! De laatste dakloze vijf meter hoger in zijn slaapzak, doet koppig alsof hij door het lawaai heen slaapt. 

Na de marteling voor de oren geuren de croissants. De lichte vloer gaat nu over in antracietgrijze tegels die klimmen naar een ruime ondergrondse hal. Vandaar kan je de metro nemen, geld pinnen op één van de vier belfius-automaten in het gelid, een broodje kopen bij de Breakpoint of sigaretten en de Humo in de Relay. Of je kunt de trappen op naar de Koloniënstraat, het daglicht en de verse Brusselse lucht in.

Buiten, boven de mensen onder de grond tussen het Centraal Station en de Koloniënstraat, denk ik aan het prachtige lied This Depression. Ik heb het ontdekt op Wrecking Ball, de jongste cd van Bruce Springsteen. Die heb ik zonder verpinken gekocht van zodra ik hoorde dat The Boss naar TW Classic komt.  Wat er ook gebeurt, welke zotte kosten ik ook moet doen, ik ben vast besloten de warme magie van Springsteen nog eens te ondergaan. En dan kan ik maar beter zijn nieuwe nummers kennen.  

This is my confession, I need your heart in this depression, I need your heart, sleept Springsteen je mee. De beelden van de onderaardse gang zouden de perfecte clip voor het lied vormen. Ik besef, mijn hart kunnen jullie misschien krijgen, gedurende de tijd om die gang door te steken, maar niet mijn aalmoes, oh nee, daar begin ik niet mee, want waar stopt het dan? Ik denk soms als een echte pendelaar.

17-02-13

Drie bananen voor Gusta

Gusta slaat haar hand voor haar mond van het verschieten en alsof ze zich schaamt kijkt ze vertwijfeld weg in de enige richting waar dat mogelijk is, door haar enige raam met uitzicht op de tuin voor twee meter verder een hoge dikke haag het zicht belemmert en ze roept ‘oeioeioei oeioeioei’. Ze wrijft een traan weg, kijkt mijn dochters en mezelf aan en vraagt dan: ‘hoe hedde gelle mij gevonde?’

Met wat hulp, anders was het niet gelukt natuurlijk. Eerst was er de zus van Gusta die me toen ik voorbij fietste van achter haar raam teken deed om te stoppen en naar de deur te komen. Zij had voor ons een doodsbrief van Ward, die inmiddels was gecremeerd in intieme kring, zoals men dat omschrijft alsof het een knusse bedoening is. En ze wist te vertellen dat Gusta niet meer kan lopen na haar operatie en dat de familie een rusthuis voor haar aan het zoeken was.

Enkele dagen later zagen we hoe de zoon en kleinzoon van Gusta het huisje aan het leegmaken waren. Mijn dochter vroeg hen hoe het met Gusta was en ze kreeg van de kleinzoon haar nieuw adres. ‘Het zal Gusta plezier doen je nog eens te zien’, zei hij. In het weekend trokken we dus met z’n drieën naar het woon- en zorgcentrum, een half uur rijden, wat een goede oefening was voor de oudste die leert autorijden.

Het was jaren geleden dat ik nog in een rusthuis was geweest, op bezoek bij mijn oma die op het laatste van haar leven niemand van ons nog herkende.  Meteen prees ik haar nog eens gelukkig dat ze uiteindelijk maar een beperkte tijd in zo’n sterfhuis is opgevangen moeten worden.

Het woon- en zorgcentrum van Gusta zag er gloednieuw uit, comfortabel, modern, vriendelijk zelfs. Het vroor dat het kraakte buiten, maar binnen was het zo warm dat ik er in t-shirt had willen lopen moest ik er eentje aan hebben gehad. Een dame met een witte schort stuurde ons een lange gang van eendere kamertjes door, de meeste met de deuren open. In sommige van die kamertjes zaten ouden van dagen te suffen, naar hun tv te staren of een dutje te doen tussen oude meubeltjes en foto’s die in zo’n modern woon- en zorgcentrum uit de toon vallen.

Gusta woonde op het einde van de gang. Haar kamertje zag er vrij leeg uit. Aan de wand boven het ledikant tikt een oude klok met behulp van een secondewijzer de tijd die haar rest minuut per minuut weg. Mijn dochters herkennen een oud houten kastje met een lade dat is meegekomen uit het kleine huisje dat ze met Ward deelde. Er staan enkele postuurtjes op en een fruitschaal met een banaan in. Tegen het raam zit Gusta in een rolstoel. Ze heeft een dikke medische kraag rond haar vogelnekje maar haar witte haar zit keurig vastgespeld. 

‘Ward is dood hé’, zegt ze als ze van de verrassing is bekomen. Ze heeft haar ogen wijd open . ‘Man, man, wat ze mij hebben aangedaan. Ze hebben mij alles afgepakt. Ik heb geen euro, geen twintig centiem meer. Ik heb mijn huis niet meer gezien, ik ben het kwijt, waar zijn al mijn spullen, waar is mijn pensioen, alles is weg, zelfs mijn boekske met telefoonnummers.’ En dan, samenzweerderig tegen mijn oudste, zoals ze vroeger met Ward in haar huisje ook kon doen: ‘Geeft uwen telefoon is, hebt ge een papierke om het nummer op te schrijve? Hebt ge nen bic?’ Zelfs een papiertje en een bic heeft ze niet meer. ‘Ja maar’, wappert ze met haar hand verontschuldigend naar mij, ‘ge wilt da nie meemake zelle.’ En dan ferm, ‘As ge ma wet da ik hie nie blijf. Ik blijf hie nie. Da is zeker.’

Ik denk aan De 100-jarige man die uit het raam klom en verdween, het van levenslust sprankelende en hilarische boek van de Zweed Jonas Jonasson dat ik pas heb gelezen. Ik betwijfel of Gusta zo’n exploot in dit moderne woon- en zorgcentrum voor elkaar zou krijgen. Wellicht kunnen de ramen hier niet eens open. En ze zit in een rolstoel, niet echt een verbetering van haar mobiliteit. Daarmee moet ze om te beginnen door de toegangsdeur geraken.  Om die deur van binnen uit te openen, moet je opeenvolgende handelingen uitvoeren, inclusief een omgekeerde cijfercode invoeren, die bedacht zijn om aspirant-weglopers als Gusta het ontsnappen extra moeilijk te maken.

We rijden Gusta naar de cafetaria om een kopje koffie te drinken. Gusta wil naar de tafel gereden worden waaraan al een ander besje eenzaam in haar rolstoel zit. Het oudje is een praatvaar. Ze vertelt dat ze in het woon-en zorgcentrum is terechtgekomen na een klonter in haar hersenen die haar half heeft verlamd. ‘Gusta en ik komen goed overeen’, verzekert ze. 

Gusta vraagt of ik mijn koekje niet moet hebben. ‘Oh, neem maar’, antwoord ik. Ze eet alle koekjes op. Er komt een man met drie bananen de cafetaria binnen. Hij kijkt rond en stevent op ons af. Mijn dochter kent hem, het is de kleinzoon. ‘Ik had beloofd je wat bananen te brengen’, zegt hij, terwijl hij ons alleen gedag toeknikt. Voor we er erg in hebben, is hij terug weg. Gusta vertelt dat ze zo’n zin had in bananen. Ineens voelt ze zich niet meer op haar gemak. Ze wil terug naar haar kamer. Haar koffie is nog maar half op. Maar misschien geneert ze zich voor de moeite die het kost om het kopje zonder morsen naar haar mond te brengen.

Als we weer op het kleine kale kamertje zitten, fluistert ze dat ze dacht dat haar kleinzoon haar kamer aan het doorzoeken was. Of erger nog, dat hij ons nu op de gang staat af te luisteren. Wie weet, heeft hij zich wel in de badkamer verstopt. Ik trek de deur open. ‘Niemand hoor’, zeg ik. ‘Ja maar’, zucht Gusta, ‘ge kunt niemand nog vertrouwen als ze u dat lappen.’ En zonder overgang bezweert ze mijn dochters: ‘Niet zelf naar mij bellen, want ze luisteren hier alles af.’

Op de fruitschaal liggen nu vier bananen. ‘Uw kleinzoon is speciaal langs gekomen met de bananen, dat is toch lief’, zeg ik. ‘Ja maar, deze middag was het al banaan als dessert’, werpt ze tegen.

Tja, moesten ze mij zoiets lappen, dan zou ik het ook moeilijk hebben nog het moois en goeds rond me te zien. Geen enkele man of vrouw die bij zijn verstand is, vindt het aangenaam als anderen zonder zijn of haar medeweten, zonder overleg, zonder inspraak beslissingen nemen over belangrijke zaken in zijn of haar persoonlijk leven. Geen wonder dat er tegenwoordig boeken verschijnen over honderdjarigen die uit het raam van hun woon- en zorgcentrum klimmen en verdwijnen. Ik vraag me af hoeveel van onze zo onmenselijk warm gepamperde rusthuisbewoners dat voorbeeld wel zouden willen volgen, moesten ze het kunnen.

31-01-13

Bezinning over de illusie van de macht

Roger Raveel is overleden. Ik hield van zijn werk.  Ik plaats hem in de rij van andere groten als James Ensor, Constant Permeke of Gust De Smet. Zonder Raveel is Vlaanderen wat armer geworden. Gelukkig hebben we nog zijn werk. Mijn vrouw en ik zijn het een tijd geleden nog gaan bekijken in het prachtige Roger Raveelmuseum in Machelen-aan-de-Leie, een landelijk dorp om verliefd op te worden. In de kromming van een glorieuze Leiearm  die Raveel  met heuse protestacties nog ooit voor projectontwikkeling behoedde, zie ik de grote schilder zo aan het werk.

Niet dat hij vooral Leiezichten schilderde. Als ik aan Raveel denk, zie ik simpele voorwerpen als een kat, een fiets, een flard wei of een  stuk paal, het silhouet van een man, een boom, de contouren van een dak. Ik zie een man met een pet naast of in vierkanten en abstracte lijnen of vlakken in felle kleuren. Ik zie voorwerpen uit de kunst springen, zoals een bedstijl, een kooi met een echte duif in, een stootkarretje. Ik zie openingen in kaders en spiegels.

Raveel is een geut expressionisme, een likje cobra, een soeplepel pop-art, een lijntje Mondriaan en veel koppig Machelen-aan-de-Leie, zijn geboortedorp dat hij zowat 91 jaar lang amper verlaten heeft. Het was zijn dierbare vriend Hugo Claus die Raveel tevergeefs aanspoorde om internationale naam en faam te gaan verwerven in New York. Maar Roger verkoos het atelier aan zijn Leie-arm, deed liever zijn goesting dan bewondering te wekken in den vreemde. Het zou wat zijn, de man met een pet op Times Square. Met de eigen stijl en opvattingen waarmee zijn werk is geschapen, wordt Raveel ongetwijfeld nog een man van de wereld.

In het Vlaams Parlement kan je ook naar een schitterende Raveel gaan kijken. Het ruimtelijk kunstwerk pronkt in de monumentale ruimte voor het bureau van voorzitter Jan Peumans. Met vierkantige doorkijk en bespiegelde zuilen, roodgeelblauw geschilderde planken,  de herinnering van een boom, een man zonder gezicht, een contour van een vrouw en natuurlijk de man met de pet.

Ik had gedacht dat op de homepagina van de website van het Vlaams Parlement uit eerbied voor de overleden Vlaamse Reus wel een foto van het werk of zijn schepper zou hebben geprijkt. Maar neen, in de kijker van de website fonkelt voorzitter Peumans naast de nieuwe gouverneur van Oost-Vlaanderen, Jan Briers, behoedzaam nog alsof hij postgevat heeft in het muurtje voor een vrije trap. Spijtig dat ze zich niet in de Bezinning over de illusie van de macht voor het bureau van de voorzitter hebben laten fotograferen.

21:58 Gepost door peter in Actualiteit, kunst | Permalink | Commentaren (0) | Tags: roger raveel, jan peumans, jan briers |  Facebook | | |

21-01-13

Ward en Gusta

Vanochtend op de trein las een bruin gepoeierde en platina geblondeerde vrouw naast me de Flair. Een artikel over mannelijke seksuele fantasieën droeg haar belangstelling weg. Ik las tussentitels als ‘wat uw man in bed wil maar niet durft te vragen’ en ‘stimuleer je man om over zijn fantasieën te praten’. Goede raad kan nooit kwaad, zou ik kunnen gedacht hebben, maar vreemd genoeg kwamen Ward en Gusta me voor ogen.

Dit bejaard echtpaar woont in een klein huisje in onze wijk. Ward en Gusta krijgen al enkele jaren regelmatig bijstand van mijn dochters.  In ruil voor wat zakgeld. Eerst was het mijn oudste die boodschappen deed voor de tachtigers.  Ward, een gepensioneerd mijnwerker, was niet goed meer te been en ondervond bijna voortdurend last met het vinden van zijn adem.  Gusta zorgde voor Ward, beredderde het huishouden en stuurde mijn oudste met een lijstje naar Delhaize, de beenhouwer, de bakker en de apotheker.  Toen ze nog geen zestien was, kreeg mijn oudste in de supermarkt wel eens de wind van voren.  ‘Iedereen kan zeggen dat die sigaretten voor de buurvrouw zijn.’

De verhalen over Ward en Gusta zoals ze verteld werden door mijn tieners waren altijd de moeite waard. Niet alleen omdat ze getuigen van die heerlijke, soms keiharde no-nonsense houding tegenover het leven waarin ik de vergane wereld van mijn overleden grootouders herken. Ook omdat ze door de bril van mijn kinderen een verwonderde glans krijgen. Hun eigen oma’s  (de opa’s zijn al enkele jaren overleden) zitten intussen wel op tram 7 (voor eentje staat tram 8 voor de deur), maar toch is er op een of andere manier nog een verschil. Voor tieners die hun boodschappen aan iedereen wereldwijd een scherm over wrijven of raken, hinkt de wonderlijk trage leefwereld van Ward en Gusta alleszins eeuwen achterop.

Gaandeweg hinkten Ward en Gusta niet enkel achterop in hun manier van praten over mensen, dingen en gebeurtenissen. Ook lichamelijk vertraagde het leven en werd het lastiger en hulpbehoevender. Zo’n dingen gaan geleidelijk, maar af en toe vernemen we via de dochters opvallende uitschieters. Zoals de abrupte mededeling dat Gusta haar haar niet meer zelf kan borstelen. Of de verbazing over het bestaan van pampers voor volwassenen.

Toen mijn oudste dochter op kot ging, nam mijn jongste haar taken tijdens de weekdagen over. Elke dag voor ze naar school fietst, haalt ze voor Ward zijn Laatste Nieuws uit de brievenbus.  De voorbije weken ging het met Gusta van kwaad naar erger. Ze had zo’n pijn dat ze niet meer kon koken.  En dat eten dat de warme maaltijdendienst van het OCMW brengt, is gewoon niet te vreten. Voortaan was het meer Ward dan Gusta die de deur kwam opendoen. De rollen leken omgedraaid: Ward zorgde voor Gusta.

Op zekere dag was Gusta weg.  Ze kon niet meer zelfstandig haar bed uit, zelfs met behulp van Ward ging het heel moeizaam.  Daarom was ze naar het ziekenhuis. Ward kon er niet over zwijgen en herhaalde telkens weer dat hij er niet gerust op was, want Gusta wachtte een zware operatie. Hij had vooral schrik dat Gusta nadien niet meer wakker zou worden.  Elke dag opnieuw vertelde hij over zijn ongerustheid aan mijn jongste die hem zijn krant bracht voor ze naar school fietst. Toen ze door de trage verteller drie dagen na elkaar te laat in de les was, kreeg ze een waarschuwing.

Mijn dochters stelden me vorige week voor om met Ward eens op ziekenbezoek te gaan. Dat deden we en onderweg in de auto voerde ik het meest uitgebreide gesprek met Ward ooit.  Over zijn werk als mijnwerker, een beroep uit vervlogen tijden. De meisjes op de achterbank zwegen en luisterden.

En het is een scène aan het ziekbed van Gusta die ik me herinner als ik de tussentitel ‘wat uw man in bed wil maar niet durft te vragen’ in de Flair naast me lees. Bij hun afscheid op de ziekenkamer wrijft Ward even over Gusta’s voeten die onder het beddenlaken omhoogsteken. ‘Ahwel waarom wrijft gij nu over mijn voeten’, vraagt Gusta op een licht verwijtende toon, terwijl ze ons sluiks achter haar loshangend wit haar aankijkt met een blik van kijk nu wat die ouwe malloot doet.  ‘Voorzichtig zijn hé’, maakt ze die toon daarna wat zachter. Ward mompelt iets onduidelijks vooraleer we hem terug in de rolstoel zetten en naar de uitgang rijden. ‘Dat was toch lief hé van Ward’, zal mijn jongste dochter de scène later becommentariëren. ‘Ja, dat was heel mooi’, antwoord ik.

Ergens tussen donderdagavond en vrijdagochtend was het Ward die niet meer wakker is geworden. Mijn jongste had Het Laatste Nieuws vrijdagochtend tussen de kruk van de voordeur geklemd toen er niemand kwam opendoen en was dan maar haastig naar school gefietst, uit schrik voor die strafstudie die er zat aan te komen als ze nog eens te laat was. Mijn oudste, die thuis aan het blokken was en de boodschappen zou doen, haalde er twee uur later de buren bij toen ze de krant aan de voordeur geklemd vond en Ward nog altijd niet kwam opendoen.

Vandaag moeten mijn kinderen voor het eerst niet meer langs het kleine huisje gaan om de krant uit de brievenbus te halen of boodschappen te doen. In het ziekenhuis herstelt Gusta van haar operatie. Haar wacht een ander leven, zonder die ouderwetse malloot die zoveel liefs kan zeggen door alleen maar over haar voeten te wrijven.   

14:27 Gepost door peter in Liefde | Permalink | Commentaren (4) |  Facebook | | |

09-01-13

Een rondje Schueremans bashen

Hoe hypocriet de Wetstraat en de media toch kunnen zijn, zagen we deze week woensdag in een rondje Schueremans bashen in het Vlaams Parlement.

Zoals geweten heeft Herman Schueremans ontslag genomen als Vlaams volksvertegenwoordiger. De Schuur, die daarvoor een Life Time Achievement Award kreeg, staat vooral bekend als de man die Rock Werchter heeft grootgemaakt. Dat weet iedereen. Ook in het Vlaams Parlement.  Schueremans heeft er nooit een geheim van gemaakt dat hij voorrang gaf aan zijn werk in Werchter. Zoals Janssens voorrang gaf aan Antwerpen, De Wever voorrang geeft aan de N-VA (en nu ook aan Antwerpen), en Chokri aan Pukkelpop. Ook zij waren de voorbije jaren niet de actiefste parlemantairen.

Zoiets kan en mag immers. In een Parlement staat geen prikklok. Een volksvertegenwoordiger krijgt een mandaat van kiezers, die hem in het stemhokje kunnen straffen als hij tekortschiet door niet meer op hem te stemmen. En ze kunnen hem belonen, door hem meer voorkeurstemmen te geven. Een volksvertegenwoordiger controleert de regering en stemt wetten en moet daarom onafhankelijk kunnen zijn, een loon en een statuut krijgen dat hem die onafhankelijkheid toelaat. Elke volksvertegenwoordiger vervult dus zijn mandaat zoals hij dat wenst. En iedereen in het Vlaams Parlement weet al jaren hoe Schueremans zijn mandaat invult.

En toch heeft Herman zijn belang gehad in de politiek. Omdat hij als ondernemer in de culturele sector verduiveld goed weet welk beleid werkt en welk beleid niet werkt. Zoals hij bijvoorbeeld vorig jaar illustreerde bij het uitvaardigen door minister Schauvliege van de nieuwe geluidsnormen voor concerten, optredens, fuiven en in jeugdhuizen.

En Herman leverde ook een onschatbare politieke bijdrage omdat hij met zijn parler vrai in het politieke cultuurgewoel voor een heel apart geluid zorgde: hij bewees dat je ook in de creatieve culturele sector de hemel kunt bereiken zonder overheidssubsidies.  Hij ging daar prat op en kantte zich tegen oversubsidiëring, -reglementering en -inmenging, op alle terreinen. Patricia Ceysens omschreef de betekenis van Herman mooi: “hij bracht hoogwaardige muziekbeleving in het bereik van velen, zonder elitair te doen of platte commerce te bedrijven. Ik ben fier op Herman. Wie doet het hem na?”

En ja, ook ik erken dat hij in het Parlement niet het meest vlijtige bijtje was. Ik geef zelfs toe dat ik af en toe op hem heb gesakkerd en hij ook wel eens op mij. Dat laatste bewijst dat zijn politiek werk hem niet onverschillig liet. Ook vanochtend, bij zijn interview op Radio 1, waar hij uitgenodigd was om over die Life Time Achievement Award te praten, dacht ik: wat zegt hij nu? Het commissiewerk in het Parlement vergelijken met toogpraat in een café was niet zijn beste ingeving. Maar eerlijk, welke parlementslid, welke minister, welke journalist, welke kijker van Villa Politica heeft al niet eens hetzelfde gedacht? Veel vaker is een commissiedebat wel hoogstaand, en nog vaker bijzonder technisch voor leken.  Uiteindelijk zingt elk vogeltje zoals het gebekt is. In het Parlement zoals op café. Dat bewijst net dat het Parlement een spiegel van de samenleving is. Zoals het hoort in een goed functionerende democratie.

20:15 Gepost door peter in Muziek, politiek | Permalink | Commentaren (0) | Tags: herman schueremans |  Facebook | | |

21-12-12

Geeft de school nog uitzicht op een betere toekomst?

Het was weer een tijd geleden dat ik nog eens iets gehoord had van Marleen Van Ouytsel, een voormalig collega die ik erg waardeer. Vandaag lees ik van haar een sterke opinie in De Standaard. Marleen heeft haar halve leven besteed aan het onderwijs, aan integratie en stedenbeleid. Als bezig bijtje met een tomeloze energie is ze de voorbije jaren ook met allerlei vrijwilligers- en basiswerk bezig in Antwerpen. Ze richtte er in 2000 de vzw Meters & Peters op, die de Antwerpse Zomerschool Nederlands organiseert. Dat is een originele vorm van vakantie-onderwijs voor kinderen van 6 tot 12. Het doel is leerlingen die thuis geen Nederlands spreken in een ongedwongen en speelse vakantiesfeer de taal waarin ze hun toekomst zullen uitbouwen, beter helpen verwerven. De Zomerschool van Antwerpen kreeg intussen elders navolging en ontving heel wat prijzen.

Marleen verwijst in Een kind is geen breekijzer voor asiel (http://www.standaard.be/artikel/detail.aspx?artikelid=DMF...) naar haar ervaring op de Zomerschool. Ze klaagt de selectieve verontwaardiging aan van de onderwijskoepels over het uitwijzen van minderjarige schoolplichtige kinderen die hier illegaal verblijven: “Tijdens de algemene regularisatiecampagne van 2009 kregen we in die Zomerschool malafide heerschappen over de vloer die kinderen bij bosjes wilden inschrijven. Zij bleken de ouders, vaak nog zelf niet in België, te hebben voorgespiegeld dat ze op een snelle manier in ons land geregulariseerd kunnen worden als ze hun kinderen alvast laten inschrijven in een school. Kinderen worden dus gebruikt voor een regularisatie. Het wordt tijd dat we de toename van het aantal niet-begeleide minderjarige asielzoekers ook eens in die optiek bekijken.”

Een controversieel standpunt? Ik ken Marleen voldoende om te weten dat ze zo’n uitspraken niet zomaar doet. Ze stelt ook het recht op onderwijs voor illegale kinderen niet ter discussie. Ze weet dat immigratie nog jaren ons deel zal blijven. Ze heeft meegeleefd met honderden verhalen van vluchtelingen. Ze begrijpt ook de frustratie van leerkrachten en directies als een lege stoel in een klas achterblijft na de uitwijzing van een leerling die voor veel klasgenootjes gewoon een vriendje was.

“Maar het helpt te beseffen dat de tijd die deze leerling op een Vlaamse bank werd onderwezen”, stelt Marleen, “nooit verloren tijd is geweest. De investering in de opleiding van een kind dat het land moet verlaten, is nooit vergeefs. Zoals het leren niet stopt als de schoolbel rinkelt. Het leren is grenzeloos, in tijd en in ruimte. Het recht op onderwijs is universeel, het verhuist mee met het kind.”

En ze betreurt dat onderwijskoepels en burgemeesters zich niet meer zorgen maken over het falen van het onderwijs in onze steden om de talenten van hun leerlingen tot ontplooiing te brengen. In haar stad Antwerpen verlaat één op vijf jongens de school zonder diploma of beroepskwalificatie. En ze geeft nog andere alarmerende cijfers over de Scheldestad, cijfers die vergelijkbaar zijn in andere centrumsteden in Vlaanderen: schoolse achterstand in secundair onderwijs: 22%, schoolse achterstand in beroepssecundair onderwijs Antwerpen: 78%. Dat laatste cijfer betekent dus dat wie voor een BSO-richting kiest om later een knelpuntberoep als lasser of metser te kunnen uitoefenen, in een omgeving terechtkomt waar van de vijf leerlingen er vier eerder al iets anders hebben geprobeerd of in hun schoolloopbaan minstens één jaar zijn blijven zitten.

Vandaag lees ik in Het Belang van Limburg dat er in Lommel 1.200 deelnemers worden verwacht voor een mars tegen de mogelijke uitwijzing van een gezin van Afghaans-Iraanse origine met drie jonge kinderen. Een middelbare school, de directie de leerkrachten en de leerlingen zetten zich achter het initiatief. Burgemeester Peter Vanvelthoven (SP.A) is solidair.

In haar opinie vraagt Marleen zich af wanneer burgemeesters, onderwijskoepels, leerlingen, studenten en hun ouders ook eens op straat komen om onderwijshervormingen te eisen. Inderdaad. We vergeten te vaak dat Vlaanderen zijn welvaart voor een groot deel te danken heeft aan de kwaliteit van zijn onderwijs. Daar loopt zowaar een Vlaamse grondstroom: dat je met mindere startkansen op onze schoolbanken dankzij flink je best doen toch een mooie toekomst kunt uitbouwen. Maar op ons onderwijs, op een van die funderingen van onze welvaart, zit veel betonrot.

Vandaag staat ook onze minister-president in Het Laatste Nieuws. Voor Kris Peeters mag 2012 snel afgelopen zijn. Hij die Vlaanderen zo graag “in actie” ziet, moet immers terugkijken op recordcijfers inzake faillissementen en werkloosheid, met de sluiting van Ford als spectaculair dieptepunt. Peeters heeft nochtans alles uit de kast gehaald, bezweert hij, maar ja, wat wil je, budgettaire krapte, economische crisis. Ik hoor hem denken, Vlaanderen heeft het spijtig genoeg allemaal zelf niet in handen, want anders…, dan zou je pas vuurwerk zien.

Maar dat gaat niet op voor het onderwijs. Dat heeft Vlaanderen wel zelf in handen. Helemaal. De Vlaamse regering van Kris Peeters kan er een echte prioriteit van maken als ze dat maar wil. Misschien wacht de regering om in actie te schieten tot er een betoging komt? Een mars tegen het betonrot in het onderwijs? Tegen statistieken waarachter honderdduizenden jongeren schuilgaan, die aantonen dat onze scholen aan wie kansarm is, steeds minder vaak een uitweg bieden naar een beter leven.

10-12-12

This is Belgium in het Vlaams Parlement

Er loopt deze week heel wat fout in het Vlaams Parlement. Alles begon met wat IT-specialisten een “migratie” noemen: de overschakeling naar een nieuw mailsysteem en de installatie van Office 2010. Voor de “migratie” van mijn mailaccount had de “Systeemgroep en de Helpdesk IT” me gewaarschuwd dat de mail niet toegankelijk zou zijn van zondag 17 u tot maandag 8 u. Maar om een en ander op punt te stellen, duurde het maandag tot rond 10 u.

En of alles nu in orde is? Eerlijk gezegd, ik durf het te betwijfelen. Zo kreeg ik een niet aan mij geadresseerde email in mijn “Postvak IN” die duidelijk maakte hoe erg het gesteld is met het Vlaams Parlement. De mail was kort en krachtig, daarom kan ik hem hieronder nog net afdrukken:

Geachte Voorzitter,

Beste Jan,

Deze middag werd me in ons eigen bedrijfsrestaurant een strooibiljet in de hand gedrukt waarvan de eerste zin luidt: “Commandez un plat participant et gagnez 1 vivabox This is Belgium.” Is het niet onvoorzichtig voor een N-VA-politicus die als Voorzitter van ons Vlaams Parlement zijn boterham verdient, vlugschriften te laten bedelen die in het Frans zijn gesteld en vervolgens overgaan in het Engels om pas in laatste instantie het Nederlands te bezigen? Is het bovendien wel verstandig de klanten van ons bedrijfsrestaurant erop te wijzen dat het hier België is, wat in tegenspraak is met de vele afbeeldingen van de Vlaamse Leeuw die ons gebouw sieren, van de onderleggers op de bureaus tot de kopjes en schoteltjes op de tafels?

Ik heb als een van de weinige drietalige ambtenaren in uw diensten voor alle veiligheid de moeite genomen om de hele tekst van het pamflet door te lezen. Tot mijn aanvankelijke opluchting ging het om een wedstrijd kazen raden. Maar wat verder ontwaarde ik een nieuwe stommiteit. De drie kazen waaruit de deelnemer middels een meerkeuzevraag moet kiezen betreffen namelijk een Franse, een Nederlandse en een Waalse kaas. Inderdaad, u leest het goed, beste Jan: geen enkele Vlaamse kaas!

Ik raad u aan zo snel mogelijk in te grijpen, vooraleer de politici van het Vlaams Belang die in dit gebouw huizen, u met dit volksverraad een lelijke kaakslag toedienen. Als daar woensdag, terwijl de camera van Villa Politica draait, maar geen motie van orde van komt!

Uw dienstwillige,….

Het lijkt me in het kader van de privacy niet gepast de naam van de schrijver van deze vertrouwelijke mail te openbaren. Het voorval tekent echter de malaise in het Vlaams Parlement. Dat krijg je als Bart De Wever zich focust op Antwerpen. Dan eten de muizen in Brussel de Vlaamse kaas op.

16:26 Gepost door peter in politiek | Permalink | Commentaren (0) | Tags: vlaams parlement |  Facebook | | |