22-05-13

Ik kan geen onmens zijn

Op pinkstermaandag brachten we een bezoek aan Kazerne Dossin in Mechelen, het nieuwe museum over de holocaust en de mensenrechten. Het onderwerp houdt me al jaren bezig.  Met haar lange zijde ligt de Dossinkazerne langs de Mechelse vest. Het witte museum werd pal rechtover de korte zijde met de ingangspoort neergepoot. Hoewel het nog maar enkele maanden geleden officieel open ging, zijn de maneblussers nu al fier op dit landmark. En ik eigenlijk ook. In een mum van tijd kreeg Kazerne Dossin 50.000 bezoekers over de vloer.

Druk discussiërend met mijn vrouw was ik uit het oog verloren dat je vanaf de vest niet langer de Goswin de Stassartstraat mag inrijden, de straat tussen de historische kazerne en het massieve museumgebouw. Ik kon me wel voor het hoofd slaan. Noodgedwongen voortrijdend op de Edgard Tinellaan had ik twee mogelijkheden: rechtdoor naar de parking op het Rode Kruisplein, of linksaf de Sint-Katelijnestraat in. Behoorlijk opgenaaid om mijn eigen onoplettendheid, koos ik voor de tweede optie. Het licht sprong op groen en ik sorteerde voor om linksaf de stad in te rijden. De wagen voor me stond op het kruispunt te pinken en verleende vanzelfsprekend het uit de tegenoverliggende richting komend verkeer voorrang. Zo zag ik me plots geblokkeerd staan, pal op het zebrapad. Voor de voetgangers was het licht ook op groen gesprongen. Twee kinderen staken in het gezelschap van een vrouw met een zwarte hoofddoek de straat over. De vrouw, op wiens bovenlip ik minstens de schaduw van een snor meende te zien, zocht oogcontact en jammerde luid in het Mechels Marokkaans.

‘Hela, gij staat hier wel op het zebrapad hé! Hoe moeten wij nu oversteken?’

Haar donkere karbonkels vlamden. Ik verloor mijn zelfbeheersing. Kwaad liet ik mijn elektrisch raampje zakken zodat ze me goed zou horen. ‘Ja zeg, loop toch gewoon rond de auto zoals iedereen!’, beet ik terug. Haar ogen vielen haast uit hun kassen.  Ze was intussen al bijna de straat over en op dat moment kon ik eindelijk veilig de Sint-Katelijnestraat indraaien. Gelukkig maar. Terwijl ik harder dan nodig optrok en het raampje sloot, hoorde ik haar verder tieren.

‘Waar was dat nu voor nodig?’, vroeg mijn vrouw. ‘Jij was in fout. En je kon er niet tegen dat zij daar iets over zei.’ Mijn vrouw had gelijk. De waarheid was nog erger: ik had me zonder het te beseffen laten meeslepen door mijn woede. Natuurlijk was ik in fout. Ik besefte dat ik had kunnen vermijden geblokkeerd te staan op het zebrapad. In Brussel erger ik me haast dagelijks aan zulke hufters van chauffeurs. Voor die vrouw was ik nu de hufter.

‘Maar ik begin niet onmiddellijk te schelden’, antwoordde ik om mijn gedrag te verontschuldigen. Meestal toch niet, dacht ik. En een minuut geleden had ik me niet kunnen inhouden om die vreemde vrouw lik op stuk te geven. Omdat ik, door omstandigheden al geprikkeld, het niet pikte terechtgewezen te worden door een Marokkaanse met een sjaal op haar kop. Ik ging me in Mechelen door zo’n kijvende Xanthippe van vreemde origine de les niet laten lezen!

Enkele minuten later bekeken we in Kazerne Dossin de film waarmee het parcours in het museum begint. Over mensenrechten. Alles begint met het recht van elke mens om zijn eigen zelve te zijn, ongeacht zijn huidskleur, ras, geloof, seksuele geaardheid, politieke of filosofische overtuiging. Alles begint met het recht van elke mens om met respect te worden behandeld. Meer info in Kazerne Dossin. En als je terug buiten bent, denk dit dan niet, probeer het althans nooit te denken: ik kan geen onmens zijn.

 

28-02-13

Integratiedebat: van blanke vlucht tot gekleurde jobs

Enkele dagen geleden stond in De Morgen een reportage onder de titel Blanken vluchten weg uit Londen. Tussen 2001 en 2011 verlieten ruim 600.000 Londenaren de stad. Vlak voor de jaarwisseling was het nieuws over het Kanaal: op grond van de tienjaarlijkse volkstelling bleek Londen niet langer een meerderheid aan ‘Witte Britten’ te tellen. En daarmee rondde de City als eerste westerse hoofdstad deze kaap, merkte een demograaf in de Financial Times op. Op Brussel na dan, voegde hij daar aan toe, dat als ‘ambassade-hoofdstad’ een speciaal geval is.

Inderdaad, Brussel, of liever, het Brussels hoofdstedelijk gewest, is een speciaal geval. In het Brussels gewest, leert wat opzoekingswerk, is al meer dan 60 procent van de inwoners vreemdeling of van vreemde herkomst (ter vergelijking: in Antwerpen is bijna vier op tien inwoners van vreemde origine, in Gent een kwart). Brussel kent ook een stadsvlucht, zowel van autochtone Belgen als van allochtone inwoners naar de brede randgebieden buiten het stadscarcan, en tegelijk een immigratiegolf die sterker is dan de emigratie. Vreemd genoeg kan ik me het nieuws over het overschrijden van de kaap van 50% niet-witte Belgen in de hoofdstad van ons land niet herinneren. Voor de beleidsverantwoordelijken was het waarschijnlijk zoiets als een drol op het voetpad: wie hem ziet liggen, loopt eromheen. By the way, zoals Boris Johnson, de populaire burgemeester van Londen.

In de Engelse pers die we daar via internet snel eens op screenden, worden verschillende verklaringen gegeven voor de blanke vlucht. Die zijn vergelijkbaar met verklaringen voor stadsvlucht die zich evengoed voordoen in Brussel of in andere westerse (groot)steden: ruimtegebrek, drukte, veiligheid, gezondheid, problemen op de woningmarkt, tekort aan scholen en speelruimte voor de kinderen, etc. Maar uit meer doorgedreven analyse blijkt de stadsvlucht in Londen vooral de autochtone Engelsen in zijn ban te hebben. En dan duikt in linkse middens al snel het woord racisme op.

We zouden het liever met wat meer nuance samenlevingsproblemen noemen. Samenleven in diversiteit vergt kennis en vaardigheden, wederzijds respect en oefening. Van nieuwkomers en geboren en getogen inwoners. Ook in Londen stelt men vast dat dit niet zo evident is. Het Verenigd Koninkrijk heeft nochtans veel meer ervaring met immigratie, net als met het opleggen van zijn wil natuurlijk. Het land heeft ook al veel langer dan ons land regelgeving inzake burgerschap en integratie.

In Vlaanderen wordt, met vallen en opstaan weliswaar, al anderhalf decennium een beleid gevoerd gericht op integratie, het samenleven in diversiteit. Goedbedoeld, onbezoldigd, gegroeid uit een middenveld van geëngageerde vrijwilligers waar zelfs Kris Peeters deze week de lof van zong. Aan die integratie werd later inburgering toegevoegd, hoewel die er eigenlijk aan voorafgaat. Inburgering is er specifiek op gericht om nieuwkomers wegwijs te maken in de samenleving waarin ze zinnens zijn hun toekomst uit te bouwen. Dit beleid ging in Vlaanderen van start in 2003. Voorzichtig, met rechten en pampers.

Vanaf 2006 moésten nieuwkomers in het hele Vlaamse Gewest cursussen gaan volgen, Nederlands en maatschappelijke oriëntatie. Na de rechten volgden de plichten. In het Vlaams Parlement ligt inmiddels alweer een integratiedecreet ter bespreking dat de inburgering en de integratie op elkaar afstemt. Dat hervormingsdecreet kan, als de meerderheid die er voorstander van is de stap ook effectief durft te zetten, misschien ook echte tests en een grotere kennis van het Nederlands opleggen aan nieuwkomers. Na de rechten en de plichten moeten er straks ook resultaten zijn.

De ingewikkelde Belgische staatsstructuur en Franstalige politieke onwil hebben onze meest diverse en enige kosmopolitische grootstad Brussel een achterstand van vele jaren bezorgd inzake integratie en inburgering. Vanuit de Vlaamse gemeenschap kan de verplichte inburgering in het Brussels hoofdstedelijk gebied niet worden ingevoerd. Zelfs het Vlaams beleid bestaat er nog slechts uit rechten. En dit werd en wordt vaak vanuit de stadhuizen van de 19 Brusselse gemeenten tegengewerkt. Vanuit de Franse gemeenschap, die daartoe de Franstalige gemeenschapscommissie in Brussel (Cocof) machtigde, wordt er geen met Vlaanderen vergelijkbaar integratie- en inburgeringsbeleid gevoerd.

Maar sinds kort lijken aan Franstalige zijde de geesten voor een verplichte inburgering toch te rijpen. Halverwege vorig jaar meldde De Standaard (18/6/2012) dat de Franstaligen in Brussel bereid zijn met de Vlamingen afspraken te maken over de integratie van migranten. Open Vld en CDH dachten daar een Brussels kader voor uit, dat onder meer in Franse en Nederlandse taallessen voorziet.

Het wordt hoog tijd dat in onze hoofdstad, de poort voor één derde van alle migranten die naar België komen, met een effectief inburgeringsbeleid wordt gestart. Beide gemeenschappen kunnen het zelfs verplichtend maken voor nieuwkomers (van buiten de EU) via de gemeenschappelijke gemeenschapscommissie.

Hoe en wanneer dit alles in de praktijk zal worden gebracht, is nog koffiedik kijken. Politiek zal er pas vaart achter komen na de verkiezingen van 2014. Maar het Vlaams Parlement zou in zijn nieuw integratiedecreet wel de opening kunnen laten om een Brusselse regeling na 2014 mee gestalte te geven.

Het zou goed zijn mochten de inburgeraars in Brussel ervoor kunnen kiezen om een gelijkaardig inburgeringstraject te volgen als in Aalst, in Vilvoorde of Mechelen. Omdat veel nieuwkomers in Brussel later doorstromen naar Vlaamse gemeenten. En omdat in de Vlaamse Rand werkvolk te kort is terwijl Brussel kreunt onder de werkloosheid.

Toegegeven, Vlaanderen en Brussel leveren al inspanningen om de vacatures voor laaggeschoold personeel en knelpuntberoepen in de luchthavenregio in te vullen met Brusselse werklozen. Een van de grote problemen blijft echter dat veel Brusselse werklozen geen Nederlands begrijpen of spreken. Als een inburgeringstraject hen daarbij op weg zou kunnen zetten, als ze de moeite doen om een woordje Nederlands te leren en als ze met werken hun kost willen verdienen, zijn ze overal in de Vlaamse gemeenschap welkom.

De Vlaamse gemeenschap zal in ruil dan wel meer moeten investeren in Brussel. Als nieuwkomers in Brussel de moeite doen om voor een Vlaams inburgeringstraject te kiezen, moet er op de Vlaamse buurtschool of kinderopvang ook een plaatsje zijn voor hun kinderen.

16:27 Gepost door peter in Actualiteit, Brussel, integratie, politiek | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook | | |

21-12-12

Geeft de school nog uitzicht op een betere toekomst?

Het was weer een tijd geleden dat ik nog eens iets gehoord had van Marleen Van Ouytsel, een voormalig collega die ik erg waardeer. Vandaag lees ik van haar een sterke opinie in De Standaard. Marleen heeft haar halve leven besteed aan het onderwijs, aan integratie en stedenbeleid. Als bezig bijtje met een tomeloze energie is ze de voorbije jaren ook met allerlei vrijwilligers- en basiswerk bezig in Antwerpen. Ze richtte er in 2000 de vzw Meters & Peters op, die de Antwerpse Zomerschool Nederlands organiseert. Dat is een originele vorm van vakantie-onderwijs voor kinderen van 6 tot 12. Het doel is leerlingen die thuis geen Nederlands spreken in een ongedwongen en speelse vakantiesfeer de taal waarin ze hun toekomst zullen uitbouwen, beter helpen verwerven. De Zomerschool van Antwerpen kreeg intussen elders navolging en ontving heel wat prijzen.

Marleen verwijst in Een kind is geen breekijzer voor asiel (http://www.standaard.be/artikel/detail.aspx?artikelid=DMF...) naar haar ervaring op de Zomerschool. Ze klaagt de selectieve verontwaardiging aan van de onderwijskoepels over het uitwijzen van minderjarige schoolplichtige kinderen die hier illegaal verblijven: “Tijdens de algemene regularisatiecampagne van 2009 kregen we in die Zomerschool malafide heerschappen over de vloer die kinderen bij bosjes wilden inschrijven. Zij bleken de ouders, vaak nog zelf niet in België, te hebben voorgespiegeld dat ze op een snelle manier in ons land geregulariseerd kunnen worden als ze hun kinderen alvast laten inschrijven in een school. Kinderen worden dus gebruikt voor een regularisatie. Het wordt tijd dat we de toename van het aantal niet-begeleide minderjarige asielzoekers ook eens in die optiek bekijken.”

Een controversieel standpunt? Ik ken Marleen voldoende om te weten dat ze zo’n uitspraken niet zomaar doet. Ze stelt ook het recht op onderwijs voor illegale kinderen niet ter discussie. Ze weet dat immigratie nog jaren ons deel zal blijven. Ze heeft meegeleefd met honderden verhalen van vluchtelingen. Ze begrijpt ook de frustratie van leerkrachten en directies als een lege stoel in een klas achterblijft na de uitwijzing van een leerling die voor veel klasgenootjes gewoon een vriendje was.

“Maar het helpt te beseffen dat de tijd die deze leerling op een Vlaamse bank werd onderwezen”, stelt Marleen, “nooit verloren tijd is geweest. De investering in de opleiding van een kind dat het land moet verlaten, is nooit vergeefs. Zoals het leren niet stopt als de schoolbel rinkelt. Het leren is grenzeloos, in tijd en in ruimte. Het recht op onderwijs is universeel, het verhuist mee met het kind.”

En ze betreurt dat onderwijskoepels en burgemeesters zich niet meer zorgen maken over het falen van het onderwijs in onze steden om de talenten van hun leerlingen tot ontplooiing te brengen. In haar stad Antwerpen verlaat één op vijf jongens de school zonder diploma of beroepskwalificatie. En ze geeft nog andere alarmerende cijfers over de Scheldestad, cijfers die vergelijkbaar zijn in andere centrumsteden in Vlaanderen: schoolse achterstand in secundair onderwijs: 22%, schoolse achterstand in beroepssecundair onderwijs Antwerpen: 78%. Dat laatste cijfer betekent dus dat wie voor een BSO-richting kiest om later een knelpuntberoep als lasser of metser te kunnen uitoefenen, in een omgeving terechtkomt waar van de vijf leerlingen er vier eerder al iets anders hebben geprobeerd of in hun schoolloopbaan minstens één jaar zijn blijven zitten.

Vandaag lees ik in Het Belang van Limburg dat er in Lommel 1.200 deelnemers worden verwacht voor een mars tegen de mogelijke uitwijzing van een gezin van Afghaans-Iraanse origine met drie jonge kinderen. Een middelbare school, de directie de leerkrachten en de leerlingen zetten zich achter het initiatief. Burgemeester Peter Vanvelthoven (SP.A) is solidair.

In haar opinie vraagt Marleen zich af wanneer burgemeesters, onderwijskoepels, leerlingen, studenten en hun ouders ook eens op straat komen om onderwijshervormingen te eisen. Inderdaad. We vergeten te vaak dat Vlaanderen zijn welvaart voor een groot deel te danken heeft aan de kwaliteit van zijn onderwijs. Daar loopt zowaar een Vlaamse grondstroom: dat je met mindere startkansen op onze schoolbanken dankzij flink je best doen toch een mooie toekomst kunt uitbouwen. Maar op ons onderwijs, op een van die funderingen van onze welvaart, zit veel betonrot.

Vandaag staat ook onze minister-president in Het Laatste Nieuws. Voor Kris Peeters mag 2012 snel afgelopen zijn. Hij die Vlaanderen zo graag “in actie” ziet, moet immers terugkijken op recordcijfers inzake faillissementen en werkloosheid, met de sluiting van Ford als spectaculair dieptepunt. Peeters heeft nochtans alles uit de kast gehaald, bezweert hij, maar ja, wat wil je, budgettaire krapte, economische crisis. Ik hoor hem denken, Vlaanderen heeft het spijtig genoeg allemaal zelf niet in handen, want anders…, dan zou je pas vuurwerk zien.

Maar dat gaat niet op voor het onderwijs. Dat heeft Vlaanderen wel zelf in handen. Helemaal. De Vlaamse regering van Kris Peeters kan er een echte prioriteit van maken als ze dat maar wil. Misschien wacht de regering om in actie te schieten tot er een betoging komt? Een mars tegen het betonrot in het onderwijs? Tegen statistieken waarachter honderdduizenden jongeren schuilgaan, die aantonen dat onze scholen aan wie kansarm is, steeds minder vaak een uitweg bieden naar een beter leven.

14-11-12

Het Brussels Gewest telt nog 77.000 autochtone inwoners!

Dat kan niet! Dat is onmogelijk! Het lijkt ongelofelijk, maar het staat wel impliciet in de beleidsbrief van minister Geert Bourgeois (N-VA) over Inburgering en Integratie. Ik verwees er vorige week al naar (Heel Vlaanderen is de Vlaamse Rand geworden).

Wat staat er expliciet in die beleidsbrief van Bourgeois? Een tabel getiteld Belgen met vreemde herkomst en vreemdelingen in het Vlaams en Brussels Gewest op 1/1/2011. De tabel geeft een overzicht van de doelgroep van het Vlaams integratiebeleid. Bourgeois erkent dat de cijfers niet geheel sluitend zijn, maar stelt toch dat minstens 14,6% van de inwoners in het Vlaams Gewest een vreemde herkomst heeft. In het Brussels gewest loopt dit op tot meer dan 60%.

De tabel geeft in enkele kolommen bijkomende informatie: aantal inwoners, aantal inwoners van vreemde herkomst (gedefinieerd op basis van de oudste nationaliteit van de persoon, en voor wie nog thuis woont de oudste nationaliteit van de moeder), aantal vreemdelingen, in absolute aantallen en percentages. De tabel leert dat het Brussels Gewest 1,118 miljoen inwoners telt, waarvan 688.677 (61,6%) van vreemde herkomst en 351.877 (31,5%) vreemdelingen (niet-Belgen dus, vooral uit EU-lidstaten). En impliciet leert een eenvoudig rekensommetje dan dat er nog 77.644 (6,9%) Belgen van autochtone origine in het Brussels gewest wonen.

O ja, voor ik het vergeet: er leven in Brussel ook duizenden studenten. En natuurlijk werken er op weekdagen enkele honderdduizenden pendelaars. Al die mensen (en de toeristen en bezoekers) bevolken een stad die op barsten staat en overloopt, tot Aalst, Mechelen en Leuven. Al die mensen van Brussel, binnen Brussel en buiten Brussel, houden van die stad en ergeren zich er tegelijk aan.

Over de bevolkingsexplosie van Brussel wordt al geruime tijd nagedacht. Sven Gatz schreef er bijvoorbeeld als politiek testament (samen met Luckas Van Der Taelen) de parlementaire conceptnota Vlaanderen in het Brussel van de toekomst. Brussel in het Vlaanderen van de toekomst over. Ik wil twee ideeën aan het debat toevoegen. Ze zijn controversieel, op korte termijn politiek onhaalbaar en heel misschien revolutionair. Wat ook geldt voor de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens.

Mijn inspiratie haalde ik uit een hoorzitting die enkele weken geleden in het Vlaams Parlement plaatsvond met de professoren André Loeckx, Chris Kesteloot en Stijn Oosterlynck. Ze zijn de spilfiguren in een werkgroep die van de visietekst Naar een nieuwe gemeenschappelijkheid voor Brussel is bevallen.

De auteurs zoeken in die tekst o.m. naar manieren om stadsgebruikers van buiten de grenzen van de stad financieel te laten bijdragen aan het bestuur, in ruil voor politieke medezeggenschap. Een kanjer van een taboe: van grenzen, grendels en gegarandeerde vertegenwoordigingen, van alarmbellen, pariteiten, bijzondere meerderheden en evenwichten. Maar het is een feit dat Brussel, zoals alle steden, omgeven wordt door een rand, waardoor automatisch de politieke vraag rijst of de stad diensten kan verhalen op gebruikers die niet in de stad wonen. Want de stad is voor de randbewoners vaak de hoer die ze nodig hebben en verstoten, die ze haten en beminnen, maar die ze niet willen betalen.

Brussel heeft als Vlaamse, Belgische en Europese hoofdstad natuurlijk héél véél kosten. De stad krijgt daar ook speciale middelen voor, maar komt niettemin niet toe (tenminste: de gewestbegroting is nog altijd deficitair). De redenen daarvoor zijn velerlei maar hier irrelevant. Hoe dan ook dragen de niet-Brusselaars vandaag al op verschillende manieren bij aan de financiering van Brussel. Waarom zouden niet-bewoners, die allemaal tegelijk in kleine of grote mate stadsgebruikers zijn of voordelen van de stad genieten, in ruil voor een nader te objectiveren bijdrage ook geen medezeggenschap mogen hebben in het beleid van de stad?

Schrik niet, Brusselaars! Het omgekeerde gebeurt nu ook al tot op zekere hoogte: het Vlaams Parlement reserveert zes gewaarborgde zetels voor Vlaamse politici uit Brussel. Ze verpersoonlijken de band met Brussel nietwaar. Ze mogen zich alleen niet moeien met de Vlaamse gewestaangelegenheden (zoals mobiliteit en ruimtelijke ordening) en mogen alleen mee beslissen over de gemeenschapsbevoegdheden (zoals onderwijs en cultuur). Dat vind ik een verouderde en achterhaalde regeling. Waarom zouden de Vlaamse verkozenen uit Brussel hun zeg niet mogen hebben over de verkeersproblematiek op de Brusselse Ring, die hoofdzakelijk in het Vlaams Gewest ligt? Laat dus om te beginnen de Brusselaars in het Vlaams Parlement maar mee beslissen over gewestaangelegenheden.

En waarom geen volksvertegenwoordigers vanuit het Vlaams Gewest afvaardigen in de Brusselse Hoofdstedelijke Raad? En vanuit Waals-Brabant in de Brusselse Gewestraad? En waarom laten we niet enkele Brusselse gewestparlementsleden toe in het Vlaams Parlement en de Waalse gewestraad? De dialoog en de samenwerking tussen het Brussels Gewest en het Vlaams (en Waals) Gewest zouden meteen permanent op de politieke agenda worden geplaatst. De Brusselse vertegenwoordigers uit Vlaanderen zouden hun kiezers in Vlaanderen een genuanceerd beeld geven over Brussel, werken aan wat ergert en hindert. En omgekeerd zouden de Brusselse parlementsleden hetzelfde doen voor hun kiezers in Brussel.

Het debat zou knetteren, maar men zou met meer kans op succes zowel de Brusselaar als de pendelaar absurditeiten besparen als de geplande drie shoppingcentra langs de rand of onmogelijke geluidsnormen voor de luchthaven die zowel de stad als de rand nodig heeft. En ja, Vlaanderen zou de impact van het uitdeinende Brussel erkennen maar die ook beter kunnen controleren en remediëren. En Brussel zou misschien beter begrepen en vanzelfsprekender gesteund worden door het ommeland.

Het tweede idee uit de visietekst betreft het onderwijs. Iedereen weet dat de bevolkingstoename ertoe leidt dat de onderwijscapaciteit in Brussel drastisch en dringend moet worden uitgebreid. En dat de kwaliteit van het onderwijs tegelijk moet verbeteren, dat er vormingen moeten komen die al dat jong geweld meer kansen bieden om gekwalificeerd de school te verlaten, zodat ze makkelijker aan een job en een toekomst geraken.

Waarom sluiten de Vlaamse Gemeenschap en de Franse (en de Cocof in Brussel) hiervoor geen nieuw Schoolpact af? Met een betere afstemming van eindtermen op competenties die maatschappelijk en economisch inzetbaar zijn en op meertaligheid, stellen de auteurs voor. Hoe makkelijk zou het niet worden om de territorialiteit in België als vanzelfsprekend te respecteren, als alle Brusselse scholen volop drie- of viertaligen zouden afleveren, maar minimaal tweetaligen Nederlands en Frans, die daardoor meteen ook toegang krijgen tot de hele arbeidsmarkt in België? Wat een mooi voorbeeld voor Europa, te realiseren in de Europese hoofdstad! Of is dat echt een droom?

Brussel zuigt, stoot en trekt aan zijn Rand, aan Vlaanderen. De mensen van de Rand vervloeken Brussel op dagen dat het spoor staakt. Ze vrezen Brussel in de donkere uren van de nacht of als de tv weer slecht nieuws over de stad brengt. En ze gooien achteloos hun peuken op straat, onderweg van en naar het Centraal Station.

Maar op andere dagen houden ze zielsveel van de stad zonder het zelf te beseffen. Ze staan in volle bewondering voor een doek van Permeke. Ze stralen van trots als oosterse toeristen het lichtspel op de Grote Markt fotograferen. Na een nu eens goed verteerbare file genieten ze van de keuze en keur op het Autosalon. Ze juichen in het Astridpark als Mbokani tegen Zenith Sint-Petersburg scoort. Ze schuifelen reikhalzend naar solden in de Nieuwstraat. Ze pochen tegen de buren over het Braziliaans restaurantje dat ze ontdekt hebben in die toch wel gezellige buurt aan het Sint-Gillis-Voorplein. Ze degusteren, consumeren en kijken zich de ogen uit de kop op de kerstmarkt.

Welk gat zou Vlaanderen zijn zonder Brussel? Op welke ramp zou Brussel afstevenen zonder Vlaanderen?

16:09 Gepost door peter in Actualiteit, integratie, politiek | Permalink | Commentaren (1) |  Facebook | | |

06-11-12

Heel Vlaanderen is Vlaamse Rand geworden

Op 7 november bespreekt de bevoegde commissie in het Vlaams Parlement de beleidsbrief 2012-13 ‘Vlaamse Rand’. De Vlaamse Rand is het gebied rond Brussel waar jaarlijks de Gordel doorheen fietst. Zoals de Gordel is het beleid in de Vlaamse Rand aan een grondige hertekening toe.  Met een klein beetje overdrijving kan je immers stellen dat vandaag heel Vlaanderen Vlaamse Rand is geworden.

Een rapport van de Studiedienst van de Vlaamse Regering (De Vlaamse Rand: socio-economisch profiel en een blik op het Vlaams karakter) schudde politiek Vlaanderen in mei 2009 wakker: een nieuwe immigratiegolf zorgt voor een bevolkingsexplosie in het Brussels Gewest, die op haar beurt voor inwijkingsgolven zorgt, niet enkel in de klassieke Vlaamse Rand van negentien gemeenten rond dat Brussels gewest,  maar ook ver daarbuiten, van Aalst over Mechelen tot Leuven, inmiddels het ‘Brussel buiten Brussel’ genaamd.  De nieuwe inwijking is veelkleurig en veeltalig.  In navolging van de verfransing van vorige eeuw, maakte een nieuw woord zijn intrede: ontnederlandsing.

Het regeerakkoord van Peeters II dat na de verkiezingen van 2009 tot stand kwam, de beleidsnota van de nieuwe minister voor de Vlaamse Rand, N-VA’er Geert Bourgeois, en diens opeenvolgende beleidsbrieven erkenden de grote uitdagingen, maar staken tot mijn ontgoocheling verder de kop in het zand.  

Er kwamen geen nieuwe maatregelen, buiten de verderzetting van de pas gestarte inburgering en het al uitgeleefde Vlaamse Rand-beleid van de jaren negentig van vorige eeuw.

Al van ver in de vorige eeuw waarschuwden Vlaamsgezinde politici van buiten Brussel voor de Brusselse olievlek. De Vlaamse Rand rond Brussel, onze Vlaamse hoofdstad maar ook een institutioneel stevig vastgeriemd gewest van negentien gemeenten waarvan er enkelen strikt genomen tegelijk tot de grootste steden van de Vlaamse Gemeenschap behoren, moest beschermd worden tegen die overlopende olie-mensen uit Brussel.

De groene gordel rond Brussel hoorde groen te blijven. Het gezapige breugeliaanse platteland mocht niet ten prooi vallen aan de stad. De autochtone bewoners kregen goedkopere grond om niet te worden verdreven door rijke Franstalige bourgeois die de rust van het groen zochten. Het Nederlands, in de meeste gevallen slechts officieel de taal van de autochtonen, moest hoog gehouden, beschermd, gerespecteerd, gepromoot en gelukkig uiteindelijk ook aangeleerd worden. Kortom, het beleid om het Vlaams karakter van de Vlaamse Rand te bewaren en verstevigen werd uitgerold.

De nieuwe immigratiegolf en de problemen die ze veroorzaakt, is helemaal anders dan de verfransende olie uit Brussel waartegen destijds het Randbeleid werd ontwikkeld.  Die nieuwe immigratiegolf wordt sinds enkele jaren binnen beheersbare oevers gedwongen door de verplichte inburgering voor nieuwkomers die minister Marino Keulen vorige regeerperiode pionierde. En door een integratiebeleid, dat weliswaar dringend gecibleerder en gestructureerder moet, maar ook daaraan wordt inmiddels gewerkt.  

Inburgering betekent Nederlands leren, een cursus maatschappelijke oriëntatie volgen (praktische zaken maar ook normen en waarden), een job zoeken of een geschikte opleiding vinden. En gelijktijdig en nog lang daarna volgt het integreren, een opdracht voor de nieuwe én voor de oude Vlamingen, waarin het onderwijs een cruciale omgevingsfactor vormt. Omdat de nieuwe Vlamingen de kans krijgen om samen met hun kinderen spelenderwijs Nederlands te leren,  en omdat de oude dankzij de nieuwe vriendjes van hun kinderen sneller openstaan voor de diverse wereld die in steden en gemeenten oprukt.

Schepenen van Vlaamse Zaken of Vlaams Karakter heeft Vlaanderen vandaag niet meer nodig, Schepenen van Onthaal en Integratie des te meer.  Zelfs in de Rand. Vermits heel Vlaanderen vandaag Vlaamse Rand lijkt, kan het budget om het Vlaams karakter van de Rand te versterken, worden overgedragen naar de budgetten voor onderwijs, voor beroepsopleiding, voor onthaal en integratie.

Met uitzondering van het budget voor de gemeenschapscentra in de zes faciliteitengemeenten rond Brussel. Die centra moeten nog altijd in de plaats treden van onwillige gemeentebesturen. De in het oud België verstokte tweetalige Franstaligen die er de plak zwaaien, kunnen zich niet neerleggen bij het feit dat Vlaanderen een deelstaat is.  Ze menen dat ze immuun zijn voor Vlaamse regels. Sterker nog,  omdat ze blijven dromen van een Bruxelles à papa menen ze ook hun niet-Nederlandstalige inwoners te moeten onttrekken aan de regels van de Vlaamse overheid. Maar daardoor ontzeggen ze hen ook kansen op een groter welzijn, op emancipatie, op ontplooiing in een steeds diverser en meertaliger Vlaanderen.

Enkele burgemeesters bleven daarom een hele gemeentelijke legislatuur terecht onbenoemd. Intussen is de stad en de wereld (urbi et orbi) fundamenteel veranderd. In het Brussels gewest leven, volgens heel recente gegevens van de Studiedienst van de Vlaamse Regering waarnaar minister Geert Bourgeois verwijst in zijn beleidsbrief Inburgering,  meer dan 1 miljoen inwoners (93,1%) die vreemdeling (dus niet-Belg) of Belg van vreemde herkomst zijn, naast een kleine 78.000 Belgen van autochtone afkomst.

PS Net op het moment dat deze bijdrage klaar was, bereikte me een persbericht van minister Bourgeois, getiteld: ‘Bourgeois lanceert leidraad voor een goed Vlaams beleid’. Daarin maakt de minister bekend dat hij de recent verkozen mandatarissen in de 19 gemeenten van de Vlaamse Rand een pocket toestuurt om hen te ondersteunen bij het werken aan het Nederlandstalig karakter.  Nil novi sub soli.

15:46 Gepost door peter in Actualiteit, integratie | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook | | |

20-06-12

Schrik van de moslims? (3)

Op de hoorzitting over de oprichting van een academische opleiding islamitische godsdienstwetenschappen kwam ook een zekere Abdul Shattour aan het woord. Hetgeen deze islamleraar in Limburg in de parlementscommissie vertelde, was verbazend. Van de ongeveer 300 leerkrachten islamitische godsdienst die Vlaanderen vandaag telt, hebben er maar 6 à 7 een universitair diploma, zei hij. Enkelen hebben een universitair diploma, bijvoorbeeld van de universiteit van Kaïro, dat bij ons niet erkend is.  Vlaanderen heeft volgens Shattour meer nood aan goed opgeleide leerkrachten dan aan imams. En ja, heeft hij geen punt: is het eerlijk dat Vlaamse leerlingen zedenleer of katholieke godsdienst wel goed opgeleide leerkrachten hebben en moslimleerlingen voor hun islamitisch levensbeschouwelijk vak niet? 

Twee wegen leiden vandaag naar een loopbaan als islamleerkracht. Een opleiding op bachelorniveau kan vandaag aan verschillende instellingen als de Erasmushogeschool Brussel of Groep T Leuven. De tweede weg loopt via een examen bij de Moslimexecutieve.

Die Moslimexecutieve is volgens Shattour dringend aan hervorming toe. ‘De verkiezingen van de moslimraad verlopen volgens islamitische culturen en passen niet in de traditie van vrije verkiezingen in onze democratie’, zegt Shattour. ‘De Moslimexecutieve telt bijvoorbeeld mensen die dag en nacht in een moskee verblijven en niet vertrouwd zijn met de buitenwereld, de normen en waarden in de samenleving, laat staan de taal die er gesproken wordt’, klaagt hij. ‘Hoe kan zo iemand de opdracht uitvoeren waarvoor hij verkozen is, namelijk deel uitmaken van de spreekbuis van de moslims in België met de politieke overheden?’

De islamleraar heeft nog wat uitspraken in petto die je niet vaak van een moslim hoort. Hij bepleit moskeeën met een preek in het Nederlands en de samenvatting in het Arabisch (in het beste geval is het nu omgekeerd).  Hij ijvert voor een Europese, zelfs  Vlaamse islam. Hij zegt dat gemengde huwelijken het beste glijmiddel voor integratie vormen. Hij hekelt de huidige inspecties voor het islamonderricht, waarin Marokkaanse islamleerkrachten Marokkaanse inspecteurs kunnen vragen, en Turkse leerkrachten Turkse inspecteurs. Hij onthult dat bepaalde inspecteurs in het actuele islamonderricht amper het Nederlands machtig zijn.

Ook in de reportage van Joël De Ceulaer in De Standaard van 2 juni staat de directeur van het Koninklijk Atheneum Anderlecht aan de klaagmuur: ‘De pas afgestudeerde islamleerkrachten lijken mij inderdaad fanatieker’, wordt hij geciteerd. Deze directeur krijgt bijval van de algemeen directeur van de Scholengroep Brussel. Hij hamert erop dat zijn jongens en meisjes geïntegreerd moeten raken via het onderwijs. En dat gaat verder dan de hoofddoek op het hoofd, een debat dat in Brussel niet meer leeft. ‘Maar de dingen die sommige islamleerkrachten verkondigen zijn nog veel erger dan die hoofddoek, ze gaan om wat er in je hoofd zit. Daarom ben ik vragende partij voor een degelijke opleiding islamitische godsdienstwetenschappen.’

In het artikel van Joël De Ceulaer komt ook minister van Onderwijs Pascal Smet aan het woord. Volgens hem komt de islamopleiding aan de hoge onderwijsinstellingen er vanaf 2014. Er komt bovendien een nieuw decreet op de inspectie van levensbeschouwelijke vakken, dat tot meer inspecteurs islam moet leiden. En Smet onderzoekt tenslotte of er geen algemene competenties moeten komen voor leerkrachten levensbeschouwelijke vakken. De aanvaarding van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens zou daarvan dan deel kunnen uitmaken.

De stemming over de resolutie van Ludo Sannen e.a. moest vorige donderdag uitgesteld worden. Het Vlaams Belang begon te filibusteren. De partij tracht de jongste weken haar blazoen van anti-islampartij op te poetsen met het verstoren van een halal barbecue op een lagere school, met een affichecampagne en met parlementaire tussenkomsten waarmee ze meteen ook aantoont dat ze nog altijd discrimineert en grondwettelijke vrijheden zoals de godsdienstvrijheid niet aanvaardt.

Gisteren stond in De Morgen dat minister van Binnenlandse Zaken Milquet klaar is met haar anti-Sharia4Belgiumwet. Deze nieuwe wet om private milities te verbieden zou vrijdag op de ministerraad komen. 

Gisteren  ook keurde de commissie Onderwijs in het Vlaams Parlement de resolutie van Sannen e.a.  goed. Ook oppositiepartijen Groen (Elisabeth Meuleman) en Open Vld (Khadija Zamouri) stemden mee, na het aanvaarden van hun amendementen door de meerderheid. Alleen het Vlaams Belang stemde tegen.

15:34 Gepost door peter in Actualiteit, integratie | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook | | |

12-06-12

Schrik van de moslims? (2)

De Kamer beleefde vorige week hoogdagen met tien actuele vragen over hetzelfde onderwerp: onze opruiende en geweld predikende vriend Fouad en zijn volgelingen van Sharia4Belgium. De persbanken zaten vol, journalisten, fotografen en cameramensen verdrongen elkaar om maar niets te missen. Bij de politici, hun medewerkers en woordvoerders stroomde de adrenaline. De politiek donderde vorige donderdag iets harder dan op de normale donderdagen dat Villa Politica het parlementair theater uit de Kamer in de huiskamers brengt. Tussen haakjes: de onvolprezen Linda De Win van Villa Politica zorgt op woensdag voor hetzelfde effect in het Vlaams Parlement. Daar haalden de stand up comedians onder de politici vorige week zelfs De Tijd met hun running gags over Uplace.

Vorige week woonde ik in het Vlaams Parlement een hoorzitting bij die ik persoonlijk maatschappelijk minstens even relevant vond als de nog altijd durende mediahysterie rond Belkacem. Maar er zat maar één journalist in de zaal, ik kan me dus vergissen. Het betrof een hoorzitting in de commissie Onderwijs, in het kader van een voorstel van resolutie van de meerderheidsparlementsleden Ludo Sannen (SP.A), Ward Kennes (CD&V) en Kris Van Dijck (N-VA) betreffende de inrichting van een universitaire opleiding islamitische godsdienstwetenschappen. Akkoord, het gaat maar om een resolutie, als ze goedgekeurd wordt zal het nog lang duren vooraleer die academische opleiding daadwerkelijk boven de doopvont wordt gehouden. Waarom die opleiding toch hoogdringend is, daarover wil ik het hebben.

Dreiging van een expansieve islam?

Als eerste spreker op de hoorzitting gaf Meryem Kanmaz een overzicht van de islamitische aanwezigheid in Vlaanderen. Ze stelde zichzelf voor als inhoudelijk expert van vzw Mana, het Expertisecentrum voor Islamitische Culturen in Vlaanderen. Kanmaz is doctor in de sociale wetenschappen en was ook een tijdje redactrice bij De Standaard. De gelovige moslims maken op dit moment 5 procent van de Belgische bevolking uit, vertelde ze. Ze zijn met 500.000, na de katholieken de godsdienst met de meeste gelovigen. Ze komen vooral uit Marokko (200.000) en Turkije (130.000). Van dat half miljoen woont 40% in het Vlaams gewest, 40% in het Brussels (waar ze 20% van de bevolking uitmaken) en 20% in het Waals.

Terwijl ik Kanmaz deze cijfers hoorde debiteren, dacht ik terug aan een interview dat begin juni in De Morgen verscheen. Wouter Verschelden, de hoofdredacteur van die krant, trad er in een twistgesprek met de bekende filosoof Etienne Vermeersch. Het onderwerp van het interview was de vraag of we er wijs aan doen de burka (en nikab) te verbieden. Verschelden was zo ongeveer de eerste journalist in Vlaanderen die zich tegen het burka-verbod heeft afgezet, en hij stuitte daarvoor op protest van onder meer Vermeersch en Dirk Verhofstadt. Niets beters dus dan een interview om de zaak even uit te klaren.

Het was de eerste zin van Vermeersch uit het interview die terug door mijn hoofd schoot: ‘We hebben jaren gevochten voor een seculiere maatschappij. En nu komt een expansieve islam ons bedreigen’. De islam is inderdaad een groeigodsdienst in België, via inwijking maar ook via bekering. Vlaanderen zal tot grote frustratie van ongelovige intellectuelen als Vermeersch nog lang veel gelovigen onder zijn burgers tellen.

Kanmaz wees erop dat de officiële erkenning van de islamitische eredienst in ons land al van 1974 dateert. Maar lokale moskeeën, in het jargon islamitische geloofsgemeenschappen, werden in Vlaanderen pas voor het eerst erkend in 2007, onder toenmalig minister van Binnenlands Bestuur Marino Keulen (Open Vld). Aan die erkenning hangt ook financiële ondersteuning vast: van infrastructuursubsidies tot de betaling van de wedde van de imam als de bedienaar van de eredienst, zoals dat historisch was gegroeid met de katholieke parochies, de kerkfabrieken en priesters. Met de erkenning van moskeeën koesterde de Vlaamse overheid grote verwachtingen. De moskeeën moesten hedendaagse, moderne en professionele gebedshuizen worden en zich eindelijk eens ontpoppen als pleisterplekken waar moslims verder konden integreren in onze westerse samenleving. Naast criteria in verband met (brand-)veiligheid en bedrijfsvoering moet een moskee (zoals alle lokale geloofsgemeenschappen van wettelijk erkende religies) ook het Nederlands als voertaal aanvaarden (behalve waar de islamitische liturgie het anders voorschrijft) en er mogen geen extremistische standpunten worden ingenomen of criminele activiteiten plaatsvinden (de Staatsveiligheid maakt daar een rapport over). En nieuwe import-imams zouden een inburgeringscursus moeten volgen, Nederlands leren dus en de Vlaamse samenleving met haar normen en waarden leren kennen. Inclusief het setje liberale grondrechten en vrijheden (zoals vrije meningsuiting, pluralisme, gelijkheid van man en vrouw of non-discriminatie,…).

Ik ben geen moskeeganger maar meen wel dat de erkenning van moskeeën ertoe bijdraagt dat zij een overwegend constructieve rol spelen bij de integratie van de moslims in de westerse cultuur. Belangrijker is echter dat een meerderheid van moslims zelf bereid is inspanningen te leveren tot een grotere integratie en openheid naar niet-moslims toe (en vice versa natuurlijk). En daarvoor zijn ook andere sleutelfiguren dan imams van cruciaal belang, zoals de leerkrachten islamitische godsdienst of alternatieve religieuze leiders.

Manazine

De lectuur van het recentste nummer van Manazine, het blad van de hierboven al aangehaalde Mana vzw, dat handelt over ‘islamitisch leiderschap’, heeft me opgebeurd. Van de pagina’s spat de wil van moslim(-leider)s om deel uit te kunnen maken van onze westerse samenleving, met al haar rechten en plichten, verantwoordelijkheden en vrijheden, jawel, zeker en vast. De nood bij de gelovigen van de tweede en derde generatie aan leermeesters die hen begeleiden om een goede moslim te blijven in een overwegend niet-islamitische omgeving, is groot. In de moskee vinden ze die leermeesters te weinig. Het zou me te ver leiden dieper in te gaan op de verschillende manieren waarop de verschillende strekkingen van de moskeeën in Vlaanderen op dit moment hun imams rekruteren. Een rode draad is wel dat de huidige imams, heel vaak geïmporteerd uit het land van herkomst, in veel gevallen de taal niet spreken van hun gelovigen (letterlijk én figuurlijk) en niet vertrouwd zijn met hun leefwereld.

Veel jonge moslims gaan daarom zelf op zoek naar alternatieve kanalen voor de antwoorden op hun geloofsvragen. En ze vinden ook alternatieve religieuze leiders. Dat kunnen islamleerkrachten zijn, of geestelijke leiders die zich buiten de muren van de moskee manifesteren. Via het internet hebben die nieuwe religieuze leiders ook vanuit het buitenland invloed. Manazine stelt enkele van die alternatieve leiders voor, zoals de Nederlander Mohammed Cheppih, die ervan droomt dat de moslims via participatie, integratie en liberaal burgerschap in Nederland tot poldermoslims zullen uitgroeien, of de Zwitser Tariq Ramadan, die de Europese moslims voorhoudt zich aan de wet van het land te houden en die de multipele identiteiten van moslims door hun religie, door hun band met het land van herkomst en door hun nieuwe nationaliteit als een verrijking voor Europa omschrijft.

Het blad geeft ook veel ruimte aan de Turkse Gülenbeweging rond prediker, schrijver en denker Fethullah Gülen. Bert Anciaux (SP.A) vat in Manazine de man en zijn beweging samen in de kernwoorden interculturaliteit, radicale democratie, gemeenschapszin en een erg humane islamovertuiging. Anciaux besluit dat Gülen oprecht gelooft ‘in democratie, maatschappelijk engagement en onwrikbaar respect voor mensenrechten en het daarbij horende actief pluralisme. Als diepgelovige moslim vindt hij in zijn geloof alle kracht en waarden om zich complexloos in een democratische, open samenleving te enten, meer nog te engageren. Dat hij daarbij armoede en onwetendheid als grootste vijanden beschouwt, siert hem.’

De Gülenbeweging is vandaag de snelst groeiende binnen de Turkse gemeenschap. De Lucernacolleges horen bvb bij deze beweging, die in België uitgebouwd werd als Federatie van Actieve Verenigingen van België (Fedactio), met een uitgebreide achterban van vrouwenverenigingen tot zakenmensen en ondernemers. Positief is tot slot dat deze beweging zich dankzij een leerstoel aan de KU Leuven (onder de academische supervisie van Johan Leman) in het academische landschap heeft gewaagd met onderzoek naar interculturaliteit.

Koranverzen bij een epilepsie-aanval

Vanuit de Vlaamse moslimwereld is er dus heel wat in beweging dat veel minder de media haalt dan de gevaarlijke provocateurs van Sharia4Belgium. Donderdagnamiddag staat op de agenda van de commissie Onderwijs in het Vlaams Parlement de bespreking en stemming over de resolutie waarover ik het in het begin van deze blog had. Het stuk dat de enige aanwezige journalist op de hoorzitting hierover schreef, verscheen het afgelopen weekend in de Standaard onder de titel ‘En toen begon hij koranverzen te reciteren’.

Auteur Joël De Ceulaer leidde een reportage over islamleraars in met enkele primeurs over incidenten in het Vlaams gemeenschapsonderwijs in Brussel. Het ging over islamleraars die koranverzen opdreunden bij een epilepsie-aanval in plaats van gepaste hulp te bieden, en een islamleerkracht die aan zijn directeur vertelde dat hij homoseksuele leerlingen naar de imam zou verwijzen voor een duiveluitdrijving. Kortom, met zo’n incidenten is het niet zo moeilijk om het beeld te boetseren dat de kwaliteit van de huidige generatie islamleraars te wensen overlaat. Die grote nood aan goede islamleraars bleek ook uit de getuigenissen tijdens de hoorzitting, zij het minder tot de verbeelding sprekend dan de primeurs van De Standaard. En daarvoor heb je dus eerst een academische richting islamitische godsdienstwetenschappen nodig, waaruit je onder meer universitaire islamleerkrachten kunt rekruteren die als geboren en getogen moslim tegelijk uit de Vlaamse klei zijn getrokken.

Ik hoop dat het debat over de oprichting van een academische opleiding islamitische godsdienstwetenschappen deze week wat meer pers naar de banken lokt dan vorige week. Maar ik weet dat die kans klein is: op donderdag jaagt Linda De Win de Kamer weer op. Misschien nog altijd met een zekere Fouad in een glansrol.