16-06-13

Suske en Wiske voor Het Paradijs

Om naar Venetië te gaan, moet je vroeg opstaan. Toch als je vanuit Charleroi vertrekt, met Ryan Air. De nuttige vlucht gaat om 6.40 u. Opstaan rond 4 u, beslissen we, om enige marge te houden. Nu ja, een koppel is maar één jaar in zijn leven twintig jaar getrouwd. Dan heb je er wel een pijnlijke wekker voor over als je naar zo’n droombestemming kan. Zeker als je nog een twintig jaar oude belofte moet inlossen.

Rond tien uur staan we dus al op de Piazzale Roma. En even later genieten we vanop een vaporetto op het Canal Grande van alle die schitterende palazzi waar we niet zullen verblijven. Ons hotel ligt op Lido, een eiland als een gedachtestreepje op de grens van de lagune. We hopen op goed weer, begin mei, dan kunnen we nog van het zonnetje genieten op het strand. We leveren onze handbagage (Ryan Air weet je wel) af, keuren de kamer goed en tijgen terug naar de Dogenstad. Op het San Marco-plein begint het te regenen. Dan maar eerst het Dogenpaleis bezoeken. Zestien euro inkom, zuchten we, exclusief telefoongids. Neen, mevrouw, die lerarenkaart geeft je hier geen korting. Toch vinden we het Dogenpaleis achteraf die zestien euro waard. We voelen ons Suske en Wiske in bewondering voor Het Paradijs van Tintoretto in die fenomenale Sala del Maggior Consiglio.

Terug op het plein waar de duiven schuilen voor de regen, besluit Greet een regencape te kopen. Een jongen die er Indisch uitziet vraagt 6 euro voor de luchtdicht opgevouwen exemplaren waarmee hij leurt.  Ik moet zo’n ding niet, maar ik moet amper bedanken of hij laat de prijs al zakken tot 2 euro. Greet geeft hem met een royaal gebaar toch 4 euro. Ik lijk wel een pmd-zak, zegt ze als ze zich in de lichtblauwe plastieken jas heeft gehuld. Maar je blijft wel droog, antwoord ik. Ik zie dat ze zich jeunt en dat maakt me blij.

In een hippe ijssalon proberen we een bellini bij een spelletje Regenwormen. Ik win royaal maar Greet vindt dat niet erg. Rijk en gelukkig kijken we om ons heen.  Wat regen houdt ons niet tegen! De volgende ochtend schijnt de zon on-Belgisch warm in onze nek, in een snel motorjacht naar Murano, het glaseiland. De boot kost evenveel als de zon en de gereputeerde glasblazerij waar we op afkoersen. De toeristen mogen er vanop tribunes de meester-glasblazers fotograferen. Het veel te lelijke glazen blaaswerk in de veel te ruime verkoopzalen achter het atelier is veel te duur. Greet verkiest voor weinig geld een hangertje in een winkeltje met een onverstaanbaar schattig glasblazertje in een vettige overall en een aardige dochter die de vreemde talen spreekt en grossiert in glimlachjes als ze de cadeautjes inpakt. Ze vinden het beiden hemels dat we naast de deur niets en in hun zaak iets kopen. Met een Spritz-aperitief genieten we van op een terras aan de Riva Longa van de boten en het water dat het kanaal naast ons en de planken onder onze voeten bevloeit.

Wat een stad, bezongen door grote kunstenaars zoals Ernest Hemingway, die trouwe klant was in de wie weet wel net om die reden volgens de reisgidsen nog altijd florerende Harry’s Bar, op een boogscheut van het San Marco-plein aan het Canal Grande. We struinen door de steegjes en over de bruggen, met een parcours voor ogen dat ik met veel moeite op de kaart terugvind. Met klokkentorens als oriëntatiepunten steken we bruggetjes over en flaneren we langs pleintjes die zich onverwacht openvouwen met een kerkje en wat trattoria’s of osteria’s. We eten in een osteria waar de gondeliers aan de toog snel een pint komen pakken.  We ontdekken in een volksbuurt op vijf minuten wandelen van de boothalte Fondamente Nuovo een trattoria waar we meteen voor de avond reserveren. Zonder onze naam te moeten opgeven, want de mama zal ons wel herkennen, zegt ze. We varen naar het Isola di San Giorgio Maggiore en reppen ons de campanile op met magistraal uitzicht op de stad en de lagune. Door de zoeker van de camera zien we elkaar genieten, drie dagen lang, nooit alleen.

In tegenstelling tot het publieke strand op Lido zijn we Harry’s Bar helaas vergeten aan te doen. Terug thuis rep ik me om Hemingway’s Over de rivier en onder de bomen (de originele titel was  Across the river and into the trees), zijn roman over een eendenjacht in Triëste waarin het hoofdpersonage, een net 51-jarige kolonel die het aan zijn hart heeft, herinneringen ophaalt aan het weekend dat hij in Venetië doorbracht met zijn 18-jarige geliefde gravinnetje. In het boek blijven die twee elkaar zo vaak zeggen hoe graag ze elkaar zien dat het op de duur gezeur wordt. Omdat zo’n liefde nu eenmaal onmogelijk kan blijven duren, bezwijkt de kolonel finaal aan een hartaanval. Gewoonlijk vind ik het boek beter dan de film maar, beste Ernest, het echte Venetië was beter dan jouw roman. Wij hebben elkaar in die romantische omgeving dan ook niet een keer moeten zeggen dat we van elkaar houden. Dat zagen we.

20-04-13

De laatste nacht van Philippe

-          Was jij niet verkleed in Sinterklaas?

Philippe is terug wakker. De vraag verrast me. Natuurlijk niet, ik lig van op het plooibed gewoon  naar hem te kijken.

-          Ah, dan zal ik dat gedroomd hebben.

Even zwijgen we. Maar ik ben nu wel nieuwsgierig.

-          Wat heb je dan gedroomd?

-          Wel, het was een rare droom, hoor.

Hij slikt even, het praten gaat niet zo gemakkelijk. 

-          Jij was net terug van een geheime diplomatieke missie. Daarom was je verkleed in Sinterklaas. En je moest ergens mensen gaan redden.

Ik glimlach. Wat een verbeelding spreekt uit die woorden.  Philippe trekt zich recht aan de stang boven zijn hoofd. Hij wil drinken. Of gewoon zijn mond spoelen. Ik spring van het plooibed om hem te helpen moest dat nodig zijn.

In het vijfde studiejaar van de nieuwe school in ons nieuwe dorp belandde ik voor het eerst bij Philippe in de klas. We leerden elkaar goed kennen in Don Bosco en vooral bij de scouts.

Philippe is altijd een verkenner gebleven. Hij exploreert als eerste de laatste trendy toestellen. Hij experimenteert met nieuwe computertoepassingen. Maar hij is evengoed verzot op het leren van nieuwe gezelschapsspellen. Hij loopt op van die gekke schoenen met een bolle zool. Hij beslist van de ene op de andere dag macrobiotisch te gaan eten. Hij heeft oog voor het nieuwe waar wij ons verheugen over het bekende. Hij wil proeven van het vreemde als wij teruggrijpen naar het vertrouwde.

Philippe is de man die moet doen wat een man moet doen: hij gaat door het leven zoals hij dat wil. Hij volgt zijn principes in daden en, vaker in zijn eigen jeugd dan als vader, in luide en hoge woorden.  En hij is genereus in alles wat er in het leven echt toe doet:  hij komt aandraven met creatieve cadeaus, baksels, kalenders of verjaardagkaartjes waarvoor hij op geen moeite of tijd kijkt. Hij doet wat in zijn macht ligt als je op hem een beroep doet. Hij rijdt in een sneeuwstorm heen en weer naar Oud-Heverlee om zo toch nog héél de familie rond de kerstboom te krijgen. Hij stelt vragen die van oprechte interesse getuigen. Hij neemt en schenkt tijd voor het diepe leven, en liefst ook nog een goed glas bier.

Ook die laatste nacht komt de verkenner in Philippe naar boven. Als ik om half vier wakker schiet, zit Philippe in de stoel rechtover zijn bed. Hij is al de hele nacht erg rusteloos. Hij kan soms geen ogenblik in dezelfde houding blijven liggen of zitten.

-          Gaat het, Philippe?

Ik krijg geen duidelijk antwoord. Hij zet zich moeizaam recht en sloft met zijn staander niet naar zijn bed maar naar de deur.

-          He, waar ga je naar toe?

Ik spring recht. Philippe loopt de kamer uit en slaat links af. Ik ben bij hem als hij halt houdt aan enkele rolstoelen, drie, vier meter voorbij zijn kamerdeur. Hij wijst er een aan.

-          Wil je daar eens proberen in te zitten?

De vraag is nogal overbodig. Ik plooi de rolstoel open. Ik zet de voetsteunen recht als hij zich heeft laten zakken. Ik peuter de baxter van de staander en hang hem aan de rolstoel.

-          Zijn er geen kuitsteunen aan?

-          Neen.

-          Water?

Wat verder is het fonteintje. Hij wil een gevuld bekertje en een leeg spuugbekertje.

-          Wil je misschien eens een toertje doen door de gang?

Hij knikt.

-          Branddeken.

Eerst denk ik dat ik het niet goed verstaan heb. Waarom heeft hij nu een branddeken nodig? Ik kijk rond of ik de nachtverpleegster ergens zie. Maar die zou ons wel prompt naar de kamer terugsturen, denk ik.  Het ziekenhuis lijkt helemaal verlaten. Maar Philippe wijst rechtdoor. Een beetje verder, om een hoek, zie ik branddekens liggen. Ik rijd hem ernaartoe. Ik neem het bovenste rode deken in mijn handen.

-          Moet je dat hebben?

Hij schudt zijn hoofd en wijst naar de plastieken zakken met moltons die onder het branddeken liggen gestapeld. Ik scheur een zak met moltons open. Hij tracht de doek over zijn benen en buik te draperen. Ik help hem de molton goed te leggen.

-          Gaan we eens wandelen?

-          Ja, goed idee.

Pas nu begrijp ik dat dit al de hele tijd zijn bedoeling was. Hij wijst resoluut de weg. We volgen de pijltjes richting ‘uitgang’.

-          Nemen we de lift?

Een duidelijke knik. We nemen de lift naar de eerste verdieping, waar de uitgang is. We gaan de lange gangen door, blijven de pijlen volgen. Geen levende ziel te bekennen in het hele hospitaal. Het lijkt of we ons in een andere wereld bevinden.  Bijna aan de trappen naar de reusachtige gelijkvloerse onthaalruimte met de hoofdin- en uitgang, stuiten we op een gesloten glazen deur. Ik weet dat die deur dankzij een elektronisch oog opengaat  als je dichterbij komt en zich sluit als je gepasseerd bent. Maar ik weet ook dat als je op dit onchristelijk uur op je schreden terug wil keren, die deur niet meer automatisch openschuift. Dan moet je de trap af naar de nachtwaker om ze manueel te laten openen. Dat is niet verstandig, bedenk ik. Wie weet krijgen we daarmee geen last. Want wat hebben een graatmagere patiënt in een rolstoel en een onbekende bezoeker op dit moment in de onthaalruimte van Gasthuisberg verloren?

-          Ik denk dat we best terugkeren. Want als we die deur doorgaan, kunnen we niet meer terug.’

Philippe protesteert niet. We vatten de terugtocht door de eenzame en lege gangen aan, hij met de twee plastieken bekertjes in zijn handen en de molton op zijn benen. We hebben op onze geheime missie niemand gezien en niemand heeft ons gezien. Zo denken we toch.

Als we elk terug in ons bed liggen, Philippe in het hospitaalbed en ik ernaast in het plooibed, blijven we stil naar het plafond kijken. Hij ademt zwaar door zijn mond. Ik weet dat hij blij is dat hij straks naar huis mag. Was het al maar zover, denkt hij ongetwijfeld. Zijn borst gaat hoog op en neer. 

Zie ons hier liggen, valt me ineens te binnen. Meer dan dertig jaar geleden hebben we zo ook eens samen een vrijwel slapeloze nacht doorgebracht.  We waren als 17-jarige verkenners op tweedaagse in het kleine Franse stadje Rethel, halverwege Reims en Charlesville-Mézières. Onze patrouille had een leegstaande krotwoning uitgekozen als overnachtingsplaats. In het krot stond een beddenbak met een ijzeren vering in maar zonder matras. Philippe en ik palmden dit bed in. We prezen ons gelukkig. Want de anderen moesten het doen met wat vergeelde kranten op de koude tegels. Maar ondanks onze slaapzak konden we op die ongelijke harde ijzeren veren evenmin de slaap vinden. Bovendien rolden we door de put die we met ons gewicht in de vering maakten, voortdurend in elkaars richting. En op zoiets wilden we ons geen van beiden laten betrappen.

Ik hoor Philippe zuchten en draai mijn hoofd opzij.

-          Weet je nog, meer dan dertig jaar geleden, op tweedaagse in Rethel?

-          Rethel? Dat zegt me iets ja.

Ik vertel hem over het bed zonder matras.  Aan zijn reactie hoor ik dat hij er plezier aan beleeft die herinnering op te rakelen.

-          Was dat dan tijdens het kamp van Achet?

-          Ja, ik denk het.

-          En nu kunnen we ook niet slapen.

-          Ja, daarom dacht ik er ineens aan.

Na de middag verslechtert de toestand van Philippe plots. Net vóór de ambulance hem naar huis zou brengen om er in vrede met zicht op de tuin te kunnen sterven, overlijdt hij toch nog onverwacht snel in het ziekenhuis.

Hoe spijtig dat er in deze wereld geen Sinterklaas was om op geheime missie mijn vriend die mijn schoonbroer was, uit de klauwen van de maagkanker te redden.

08:23 Gepost door peter in Liefde, vriendschap | Permalink | Commentaren (6) |  Facebook | | |

17-02-13

Drie bananen voor Gusta

Gusta slaat haar hand voor haar mond van het verschieten en alsof ze zich schaamt kijkt ze vertwijfeld weg in de enige richting waar dat mogelijk is, door haar enige raam met uitzicht op de tuin voor twee meter verder een hoge dikke haag het zicht belemmert en ze roept ‘oeioeioei oeioeioei’. Ze wrijft een traan weg, kijkt mijn dochters en mezelf aan en vraagt dan: ‘hoe hedde gelle mij gevonde?’

Met wat hulp, anders was het niet gelukt natuurlijk. Eerst was er de zus van Gusta die me toen ik voorbij fietste van achter haar raam teken deed om te stoppen en naar de deur te komen. Zij had voor ons een doodsbrief van Ward, die inmiddels was gecremeerd in intieme kring, zoals men dat omschrijft alsof het een knusse bedoening is. En ze wist te vertellen dat Gusta niet meer kan lopen na haar operatie en dat de familie een rusthuis voor haar aan het zoeken was.

Enkele dagen later zagen we hoe de zoon en kleinzoon van Gusta het huisje aan het leegmaken waren. Mijn dochter vroeg hen hoe het met Gusta was en ze kreeg van de kleinzoon haar nieuw adres. ‘Het zal Gusta plezier doen je nog eens te zien’, zei hij. In het weekend trokken we dus met z’n drieën naar het woon- en zorgcentrum, een half uur rijden, wat een goede oefening was voor de oudste die leert autorijden.

Het was jaren geleden dat ik nog in een rusthuis was geweest, op bezoek bij mijn oma die op het laatste van haar leven niemand van ons nog herkende.  Meteen prees ik haar nog eens gelukkig dat ze uiteindelijk maar een beperkte tijd in zo’n sterfhuis is opgevangen moeten worden.

Het woon- en zorgcentrum van Gusta zag er gloednieuw uit, comfortabel, modern, vriendelijk zelfs. Het vroor dat het kraakte buiten, maar binnen was het zo warm dat ik er in t-shirt had willen lopen moest ik er eentje aan hebben gehad. Een dame met een witte schort stuurde ons een lange gang van eendere kamertjes door, de meeste met de deuren open. In sommige van die kamertjes zaten ouden van dagen te suffen, naar hun tv te staren of een dutje te doen tussen oude meubeltjes en foto’s die in zo’n modern woon- en zorgcentrum uit de toon vallen.

Gusta woonde op het einde van de gang. Haar kamertje zag er vrij leeg uit. Aan de wand boven het ledikant tikt een oude klok met behulp van een secondewijzer de tijd die haar rest minuut per minuut weg. Mijn dochters herkennen een oud houten kastje met een lade dat is meegekomen uit het kleine huisje dat ze met Ward deelde. Er staan enkele postuurtjes op en een fruitschaal met een banaan in. Tegen het raam zit Gusta in een rolstoel. Ze heeft een dikke medische kraag rond haar vogelnekje maar haar witte haar zit keurig vastgespeld. 

‘Ward is dood hé’, zegt ze als ze van de verrassing is bekomen. Ze heeft haar ogen wijd open . ‘Man, man, wat ze mij hebben aangedaan. Ze hebben mij alles afgepakt. Ik heb geen euro, geen twintig centiem meer. Ik heb mijn huis niet meer gezien, ik ben het kwijt, waar zijn al mijn spullen, waar is mijn pensioen, alles is weg, zelfs mijn boekske met telefoonnummers.’ En dan, samenzweerderig tegen mijn oudste, zoals ze vroeger met Ward in haar huisje ook kon doen: ‘Geeft uwen telefoon is, hebt ge een papierke om het nummer op te schrijve? Hebt ge nen bic?’ Zelfs een papiertje en een bic heeft ze niet meer. ‘Ja maar’, wappert ze met haar hand verontschuldigend naar mij, ‘ge wilt da nie meemake zelle.’ En dan ferm, ‘As ge ma wet da ik hie nie blijf. Ik blijf hie nie. Da is zeker.’

Ik denk aan De 100-jarige man die uit het raam klom en verdween, het van levenslust sprankelende en hilarische boek van de Zweed Jonas Jonasson dat ik pas heb gelezen. Ik betwijfel of Gusta zo’n exploot in dit moderne woon- en zorgcentrum voor elkaar zou krijgen. Wellicht kunnen de ramen hier niet eens open. En ze zit in een rolstoel, niet echt een verbetering van haar mobiliteit. Daarmee moet ze om te beginnen door de toegangsdeur geraken.  Om die deur van binnen uit te openen, moet je opeenvolgende handelingen uitvoeren, inclusief een omgekeerde cijfercode invoeren, die bedacht zijn om aspirant-weglopers als Gusta het ontsnappen extra moeilijk te maken.

We rijden Gusta naar de cafetaria om een kopje koffie te drinken. Gusta wil naar de tafel gereden worden waaraan al een ander besje eenzaam in haar rolstoel zit. Het oudje is een praatvaar. Ze vertelt dat ze in het woon-en zorgcentrum is terechtgekomen na een klonter in haar hersenen die haar half heeft verlamd. ‘Gusta en ik komen goed overeen’, verzekert ze. 

Gusta vraagt of ik mijn koekje niet moet hebben. ‘Oh, neem maar’, antwoord ik. Ze eet alle koekjes op. Er komt een man met drie bananen de cafetaria binnen. Hij kijkt rond en stevent op ons af. Mijn dochter kent hem, het is de kleinzoon. ‘Ik had beloofd je wat bananen te brengen’, zegt hij, terwijl hij ons alleen gedag toeknikt. Voor we er erg in hebben, is hij terug weg. Gusta vertelt dat ze zo’n zin had in bananen. Ineens voelt ze zich niet meer op haar gemak. Ze wil terug naar haar kamer. Haar koffie is nog maar half op. Maar misschien geneert ze zich voor de moeite die het kost om het kopje zonder morsen naar haar mond te brengen.

Als we weer op het kleine kale kamertje zitten, fluistert ze dat ze dacht dat haar kleinzoon haar kamer aan het doorzoeken was. Of erger nog, dat hij ons nu op de gang staat af te luisteren. Wie weet, heeft hij zich wel in de badkamer verstopt. Ik trek de deur open. ‘Niemand hoor’, zeg ik. ‘Ja maar’, zucht Gusta, ‘ge kunt niemand nog vertrouwen als ze u dat lappen.’ En zonder overgang bezweert ze mijn dochters: ‘Niet zelf naar mij bellen, want ze luisteren hier alles af.’

Op de fruitschaal liggen nu vier bananen. ‘Uw kleinzoon is speciaal langs gekomen met de bananen, dat is toch lief’, zeg ik. ‘Ja maar, deze middag was het al banaan als dessert’, werpt ze tegen.

Tja, moesten ze mij zoiets lappen, dan zou ik het ook moeilijk hebben nog het moois en goeds rond me te zien. Geen enkele man of vrouw die bij zijn verstand is, vindt het aangenaam als anderen zonder zijn of haar medeweten, zonder overleg, zonder inspraak beslissingen nemen over belangrijke zaken in zijn of haar persoonlijk leven. Geen wonder dat er tegenwoordig boeken verschijnen over honderdjarigen die uit het raam van hun woon- en zorgcentrum klimmen en verdwijnen. Ik vraag me af hoeveel van onze zo onmenselijk warm gepamperde rusthuisbewoners dat voorbeeld wel zouden willen volgen, moesten ze het kunnen.

21-01-13

Ward en Gusta

Vanochtend op de trein las een bruin gepoeierde en platina geblondeerde vrouw naast me de Flair. Een artikel over mannelijke seksuele fantasieën droeg haar belangstelling weg. Ik las tussentitels als ‘wat uw man in bed wil maar niet durft te vragen’ en ‘stimuleer je man om over zijn fantasieën te praten’. Goede raad kan nooit kwaad, zou ik kunnen gedacht hebben, maar vreemd genoeg kwamen Ward en Gusta me voor ogen.

Dit bejaard echtpaar woont in een klein huisje in onze wijk. Ward en Gusta krijgen al enkele jaren regelmatig bijstand van mijn dochters.  In ruil voor wat zakgeld. Eerst was het mijn oudste die boodschappen deed voor de tachtigers.  Ward, een gepensioneerd mijnwerker, was niet goed meer te been en ondervond bijna voortdurend last met het vinden van zijn adem.  Gusta zorgde voor Ward, beredderde het huishouden en stuurde mijn oudste met een lijstje naar Delhaize, de beenhouwer, de bakker en de apotheker.  Toen ze nog geen zestien was, kreeg mijn oudste in de supermarkt wel eens de wind van voren.  ‘Iedereen kan zeggen dat die sigaretten voor de buurvrouw zijn.’

De verhalen over Ward en Gusta zoals ze verteld werden door mijn tieners waren altijd de moeite waard. Niet alleen omdat ze getuigen van die heerlijke, soms keiharde no-nonsense houding tegenover het leven waarin ik de vergane wereld van mijn overleden grootouders herken. Ook omdat ze door de bril van mijn kinderen een verwonderde glans krijgen. Hun eigen oma’s  (de opa’s zijn al enkele jaren overleden) zitten intussen wel op tram 7 (voor eentje staat tram 8 voor de deur), maar toch is er op een of andere manier nog een verschil. Voor tieners die hun boodschappen aan iedereen wereldwijd een scherm over wrijven of raken, hinkt de wonderlijk trage leefwereld van Ward en Gusta alleszins eeuwen achterop.

Gaandeweg hinkten Ward en Gusta niet enkel achterop in hun manier van praten over mensen, dingen en gebeurtenissen. Ook lichamelijk vertraagde het leven en werd het lastiger en hulpbehoevender. Zo’n dingen gaan geleidelijk, maar af en toe vernemen we via de dochters opvallende uitschieters. Zoals de abrupte mededeling dat Gusta haar haar niet meer zelf kan borstelen. Of de verbazing over het bestaan van pampers voor volwassenen.

Toen mijn oudste dochter op kot ging, nam mijn jongste haar taken tijdens de weekdagen over. Elke dag voor ze naar school fietst, haalt ze voor Ward zijn Laatste Nieuws uit de brievenbus.  De voorbije weken ging het met Gusta van kwaad naar erger. Ze had zo’n pijn dat ze niet meer kon koken.  En dat eten dat de warme maaltijdendienst van het OCMW brengt, is gewoon niet te vreten. Voortaan was het meer Ward dan Gusta die de deur kwam opendoen. De rollen leken omgedraaid: Ward zorgde voor Gusta.

Op zekere dag was Gusta weg.  Ze kon niet meer zelfstandig haar bed uit, zelfs met behulp van Ward ging het heel moeizaam.  Daarom was ze naar het ziekenhuis. Ward kon er niet over zwijgen en herhaalde telkens weer dat hij er niet gerust op was, want Gusta wachtte een zware operatie. Hij had vooral schrik dat Gusta nadien niet meer wakker zou worden.  Elke dag opnieuw vertelde hij over zijn ongerustheid aan mijn jongste die hem zijn krant bracht voor ze naar school fietst. Toen ze door de trage verteller drie dagen na elkaar te laat in de les was, kreeg ze een waarschuwing.

Mijn dochters stelden me vorige week voor om met Ward eens op ziekenbezoek te gaan. Dat deden we en onderweg in de auto voerde ik het meest uitgebreide gesprek met Ward ooit.  Over zijn werk als mijnwerker, een beroep uit vervlogen tijden. De meisjes op de achterbank zwegen en luisterden.

En het is een scène aan het ziekbed van Gusta die ik me herinner als ik de tussentitel ‘wat uw man in bed wil maar niet durft te vragen’ in de Flair naast me lees. Bij hun afscheid op de ziekenkamer wrijft Ward even over Gusta’s voeten die onder het beddenlaken omhoogsteken. ‘Ahwel waarom wrijft gij nu over mijn voeten’, vraagt Gusta op een licht verwijtende toon, terwijl ze ons sluiks achter haar loshangend wit haar aankijkt met een blik van kijk nu wat die ouwe malloot doet.  ‘Voorzichtig zijn hé’, maakt ze die toon daarna wat zachter. Ward mompelt iets onduidelijks vooraleer we hem terug in de rolstoel zetten en naar de uitgang rijden. ‘Dat was toch lief hé van Ward’, zal mijn jongste dochter de scène later becommentariëren. ‘Ja, dat was heel mooi’, antwoord ik.

Ergens tussen donderdagavond en vrijdagochtend was het Ward die niet meer wakker is geworden. Mijn jongste had Het Laatste Nieuws vrijdagochtend tussen de kruk van de voordeur geklemd toen er niemand kwam opendoen en was dan maar haastig naar school gefietst, uit schrik voor die strafstudie die er zat aan te komen als ze nog eens te laat was. Mijn oudste, die thuis aan het blokken was en de boodschappen zou doen, haalde er twee uur later de buren bij toen ze de krant aan de voordeur geklemd vond en Ward nog altijd niet kwam opendoen.

Vandaag moeten mijn kinderen voor het eerst niet meer langs het kleine huisje gaan om de krant uit de brievenbus te halen of boodschappen te doen. In het ziekenhuis herstelt Gusta van haar operatie. Haar wacht een ander leven, zonder die ouderwetse malloot die zoveel liefs kan zeggen door alleen maar over haar voeten te wrijven.   

14:27 Gepost door peter in Liefde | Permalink | Commentaren (4) |  Facebook | | |

21-11-12

Het verschil tussen november en april

Het woord april is samengesteld uit licht, vogelgezang en blijde verwachtingen. April is van alle maanden het hoopvolst. Bovendien, mijn vrouw verjaart in april. Het is zij die mij de wonderlijke schrijver Jón Kalman Stefánsson heeft aangeraden, uit wiens roman Hemel en hel ik de eerste twee zinnen hierboven heb geplukt.

Het boek beschrijft hoe een jonge man, omschreven als de jongen, zijn beste vriend verliest terwijl ze kabeljauw vissen op zee en hoe hij verder moet met dat gemis. Vorige week ben ik een jeugdvriend verloren die ik een korte tijd, zo ongeveer tussen mijn achtste en tiende levensjaar denk ik, tot we naar een ander dorp verhuisden, mijn beste vriend noemde. In een maand als november, in de gemiddelde jaren die achter me liggen van alle maanden het minst hoopvol, heeft zijn overlijden herinneringen aan mijn kindertijd omhoog gewoeld waarvan ik dacht dat ik ze al lang vergeten was.

Op latere leeftijd spreken mensen vaak over de onbezorgde en gelukkige jeugd die achter hen ligt. Pas als er opnieuw oud slib naar de oppervlakte wordt gestuwd, besef je dat je ook vaak ongelukkig bent geweest als kind, schrik had niet aan de verwachtingen te kunnen voldoen, je klein en machteloos voelde, bespot en vernederd werd.  Pas nu hij er niet meer is, zie ik voorvallen terug waaraan ik in meer dan dertig jaar niet meer heb gedacht en waarin die beste vriend Dirk voor mij een steunpilaar was. Een van de vele die een jongen nodig heeft om groot en sterk te worden.

Misschien zorgt de confrontatie van de mooie woorden waarin het verhaal van de IJslandse jongen en zijn vriend gesteld is met de bewustwording over mijn eigen verlies van vorige week wel voor die paar kleine bootjes die beladen met verdriet mijn wangen omlaag drijven.  

13:43 Gepost door peter in Liefde, literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: jón kalman stefánsson, hemel en hel |  Facebook | | |

15-11-12

Maar buiten bleef het regenen

Vanochtend vroeg op de trein tussen Schaarbeek en Brussel-Noord las ik het volgende:

‘Hoor eens hoe het regent.’

‘Het regent hard.’

‘En je zult altijd van me houden, hé?’

‘Ja.’

‘En zal het er niets toe doen of het regent?’

‘Nee.’

‘Gelukkig. Want ik ben bang voor de regen.’

‘Waarom?’ Ik had slaap. Buiten viel de regen gestadig neer.

‘Ik weet het niet, liefje. Ik ben altijd bang geweest voor de regen.’

‘Ik houd ervan.’

‘Ik vind het fijn om erin te wandelen. Maar hij maakt het de liefde niet gemakkelijk.’

‘Ik zal altijd van je houden.’

‘Ik zal van je houden in de regen en in de sneeuw en in de hagel en… wat is er nog meer?’

‘Ik weet het niet. Ik geloof dat ik slaap heb.’

‘Ga maar slapen, liefje, en ik zal van je houden wat voor weer het ook is.’

‘Je bent niet echt bang voor de regen, hé?’

‘Niet als ik bij jou ben.’

‘Waarom ben je er bang voor?’

‘Ik weet het niet.’

‘Zeg het eens.’

‘Laat me maar.’

‘Zeg het eens.’

‘Nee.’

‘Zeg het eens.’

‘Goed. Ik ben bang voor de regen omdat ik er mezelf soms dood in zie.’

‘Nee.’

‘En soms zie ik jou er dood in.’

‘Dat is waarschijnlijker.’

‘Nee, niet waar, liefje. Omdat ik je kan beschermen. Ik weet dat ik dat kan. Maar niemand kan zichzelf helpen.’

‘Schei alsjeblieft uit. Ik wil niet dat je vannacht Schots en gek gaat doen. We zullen niet zo lang meer samen zijn.’

‘Nee, maar ik ben Schots en gek. Maar ik zal ermee uitscheiden. Het is allemaal onzin.’

‘Ja, het is allemaal onzin.’

‘Het is allemaal onzin. Het is alleen maar onzin. Ik ben niet bang voor de regen. Ik ben niet bang voor de regen. Ik ben niet bang voor de regen. O, o, God. Ik wou dat ik het niet was.’ Ze huilde. Ik troostte haar en ze hield op met huilen. Maar buiten bleef het regenen.

Toen ik dat gelezen had, moest ik het boek even neerleggen. Zo mooi. De trein stond inmiddels stil in Brussel-Noord. Ik had nog enkele pagina’s kunnen doorlezen tot in Brussel-Centraal. Maar ik wou  nog wat van die mooie woorden genieten. Toen viel me het idee te binnen om ze hier neer te schrijven. Zo. Dan zal ik nu eens beginnen aan het persoverzicht. Dat zal niet zo mooi zijn als die pagina uit Ernest Hemingway’s  Afscheid van de wapenen, de tragische liefdesgeschiedenis tussen een Amerikaanse luitenant en een Schotse verpleegster aan het Italiaanse front in de Eerste Wereldoorlog, die in 1929 voor het eerst als A farewell to arms werd gepubliceerd. Toe, lees het nog eens.

22-10-12

De stoten van Léonard

Aartsbisschop André-Joseph Léonard vindt vrouwen belangrijk. Maar ze mogen geen priester worden. En hij wil dat de kerk mensen die zich nu vergeten voelen, beter zou aanspreken. Maar mensen die gescheiden zijn, blijven uitgesloten van de Heilige Communie. Soms heb ik de indruk dat Léonard het als zijn missie ziet om de kerk in Vlaanderen te hervormen tot een sekte.

Bij mijn vroegste herinneringen bevindt zich een flard van een verhaal dat mijn moeder me heeft verteld, waarin “de goede God” een rol speelde. Ondanks een katholieke opvoeding, ondanks jarenlang wekelijks volgehouden pilaarbijten, misdienen of koorgezang, waaraan ik nochtans geen trauma’s heb overgehouden, en ondanks een vorming in het katholiek onderwijs bij de Salesianen waaraan ik de beste herinneringen bewaar, heb ik in het jaar dat ik aan de Katholieke Universiteit van Leuven ben beginnen studeren mijn ouders verdriet aangedaan door de kerk mijn rug toe te draaien (op af en toe een feestdag of een rituele beleving als begrafenissen, dopen of huwelijken na) en ben ik God uit het oog verloren.

Ik ben niet anti-religieus geworden, integendeel, ik erger me vaak aan intellectuelen die zich superieur wanen aan wie in een God gelooft en zich geroepen voelen gelovigen van hun domheid te bevrijden. Laat duizend bloemen bloeien, vind ik. Wat is er menselijker dan geloof en twijfel?

Soms denk ik nog dat ik in God zou kunnen geloven. In die oude “goede God” van mijn prilste herinneringen. Die goede God zal mij mijn twijfel wel vergeven, weet ik in mijn diepste binnenste, mocht ik mezelf ooit toch onverwacht verplicht zien aan zijn hemelpoort aan te kloppen.

Maar steeds minder graten zie ik in de boodschap voor de kerk die Léonard verkondigt.

Ik heb enige bewondering voor Léonard. Omdat hij een overtuiging predikt waarmee hij als de leider van een instituut dat het grootste schandaal uit decennia nog lang niet te boven is gekomen, dapper tegen de stroom blijft roeien. Maar met de twee stoten waarmee hij dit weekend uithaalde op een persbijeenkomst naar aanleiding van de bisschoppenconferentie ter gelegenheid van 50 jaar Tweede Vaticaans Concilie, trapte de belangrijkste kerkelijke leider met zijn bewonderenswaardige moed alweer onverzettelijk op mijn hart en op het hart van velen.

Want hij gaat in tegen het beeld van de goede God. De God die oproept om je naaste te beminnen zoals je zelf, kan in zijn Huis toch niet zomaar gescheidenen uitsluiten van het intiemste ritueel tussen een gelovige en Jezus Christus?

En de vraag over het openstellen van het priesterschap voor vrouwen beantwoordt Léonard vanuit het probleem dat er een priestertekort is, waarvoor hij het geen oplossing noemt. Léonard erkende in het VRT-nieuws wel dat het theoretisch mogelijk zou zijn (wat hij daar ook mee bedoelde), maar dat het nu eenmaal niet op de agenda van de bisschoppenconferentie staat. Hij benadrukte dat vrouwen belangrijk zijn voor de kerk en dat ze heel wat zaken beter doen dan mannen. De reden waarom vrouwen geen priester kunnen worden heeft volgens Léonard te maken “met de symboliek van de priester als vertegenwoordiger van de Christus-bruidegom van de mensheid” en die reden moet de kerk beter uitleggen.

Sorry, maar die symboliek gaat op zijn beurt voorbij aan enkele maatschappelijke evoluties sedert de opschriftstelling van de bijbel. En de kwestie van het vrouwelijk priesterschap enkel afwijzen als mogelijke oplossing voor het probleem van het priestertekort gaat voorbij aan het respect voor de gelijkheid van alle mensen.

Mijn ervaring met de vrouwen waarmee ik samenleef is dat je vrouwen eerst moet respecteren voor je ze kunt beminnen. Als je vrouwen niet als de gelijken van mannen kunt beschouwen, respecteer je ze niet en kan je ze ook niet beminnen als je naaste.

Zo schiet de kerk tekort in wat ik de mooiste opdracht voor een katholieke gelovige blijf vinden en de meest waardevolle erfenis van het christendom. Tussen haakjes: geen enkel geloof dat zich hardnekkig vastklampt aan geschriften en dogma’s die eeuwen teruggaan om de evolutie en de vooruitgang van de mens te betwisten, kan vandaag nog een blijde boodschap brengen.

16:15 Gepost door peter in Actualiteit, Liefde, media | Permalink | Commentaren (0) | Tags: léonard, kerk |  Facebook | | |