16-06-13

Suske en Wiske voor Het Paradijs

Om naar Venetië te gaan, moet je vroeg opstaan. Toch als je vanuit Charleroi vertrekt, met Ryan Air. De nuttige vlucht gaat om 6.40 u. Opstaan rond 4 u, beslissen we, om enige marge te houden. Nu ja, een koppel is maar één jaar in zijn leven twintig jaar getrouwd. Dan heb je er wel een pijnlijke wekker voor over als je naar zo’n droombestemming kan. Zeker als je nog een twintig jaar oude belofte moet inlossen.

Rond tien uur staan we dus al op de Piazzale Roma. En even later genieten we vanop een vaporetto op het Canal Grande van alle die schitterende palazzi waar we niet zullen verblijven. Ons hotel ligt op Lido, een eiland als een gedachtestreepje op de grens van de lagune. We hopen op goed weer, begin mei, dan kunnen we nog van het zonnetje genieten op het strand. We leveren onze handbagage (Ryan Air weet je wel) af, keuren de kamer goed en tijgen terug naar de Dogenstad. Op het San Marco-plein begint het te regenen. Dan maar eerst het Dogenpaleis bezoeken. Zestien euro inkom, zuchten we, exclusief telefoongids. Neen, mevrouw, die lerarenkaart geeft je hier geen korting. Toch vinden we het Dogenpaleis achteraf die zestien euro waard. We voelen ons Suske en Wiske in bewondering voor Het Paradijs van Tintoretto in die fenomenale Sala del Maggior Consiglio.

Terug op het plein waar de duiven schuilen voor de regen, besluit Greet een regencape te kopen. Een jongen die er Indisch uitziet vraagt 6 euro voor de luchtdicht opgevouwen exemplaren waarmee hij leurt.  Ik moet zo’n ding niet, maar ik moet amper bedanken of hij laat de prijs al zakken tot 2 euro. Greet geeft hem met een royaal gebaar toch 4 euro. Ik lijk wel een pmd-zak, zegt ze als ze zich in de lichtblauwe plastieken jas heeft gehuld. Maar je blijft wel droog, antwoord ik. Ik zie dat ze zich jeunt en dat maakt me blij.

In een hippe ijssalon proberen we een bellini bij een spelletje Regenwormen. Ik win royaal maar Greet vindt dat niet erg. Rijk en gelukkig kijken we om ons heen.  Wat regen houdt ons niet tegen! De volgende ochtend schijnt de zon on-Belgisch warm in onze nek, in een snel motorjacht naar Murano, het glaseiland. De boot kost evenveel als de zon en de gereputeerde glasblazerij waar we op afkoersen. De toeristen mogen er vanop tribunes de meester-glasblazers fotograferen. Het veel te lelijke glazen blaaswerk in de veel te ruime verkoopzalen achter het atelier is veel te duur. Greet verkiest voor weinig geld een hangertje in een winkeltje met een onverstaanbaar schattig glasblazertje in een vettige overall en een aardige dochter die de vreemde talen spreekt en grossiert in glimlachjes als ze de cadeautjes inpakt. Ze vinden het beiden hemels dat we naast de deur niets en in hun zaak iets kopen. Met een Spritz-aperitief genieten we van op een terras aan de Riva Longa van de boten en het water dat het kanaal naast ons en de planken onder onze voeten bevloeit.

Wat een stad, bezongen door grote kunstenaars zoals Ernest Hemingway, die trouwe klant was in de wie weet wel net om die reden volgens de reisgidsen nog altijd florerende Harry’s Bar, op een boogscheut van het San Marco-plein aan het Canal Grande. We struinen door de steegjes en over de bruggen, met een parcours voor ogen dat ik met veel moeite op de kaart terugvind. Met klokkentorens als oriëntatiepunten steken we bruggetjes over en flaneren we langs pleintjes die zich onverwacht openvouwen met een kerkje en wat trattoria’s of osteria’s. We eten in een osteria waar de gondeliers aan de toog snel een pint komen pakken.  We ontdekken in een volksbuurt op vijf minuten wandelen van de boothalte Fondamente Nuovo een trattoria waar we meteen voor de avond reserveren. Zonder onze naam te moeten opgeven, want de mama zal ons wel herkennen, zegt ze. We varen naar het Isola di San Giorgio Maggiore en reppen ons de campanile op met magistraal uitzicht op de stad en de lagune. Door de zoeker van de camera zien we elkaar genieten, drie dagen lang, nooit alleen.

In tegenstelling tot het publieke strand op Lido zijn we Harry’s Bar helaas vergeten aan te doen. Terug thuis rep ik me om Hemingway’s Over de rivier en onder de bomen (de originele titel was  Across the river and into the trees), zijn roman over een eendenjacht in Triëste waarin het hoofdpersonage, een net 51-jarige kolonel die het aan zijn hart heeft, herinneringen ophaalt aan het weekend dat hij in Venetië doorbracht met zijn 18-jarige geliefde gravinnetje. In het boek blijven die twee elkaar zo vaak zeggen hoe graag ze elkaar zien dat het op de duur gezeur wordt. Omdat zo’n liefde nu eenmaal onmogelijk kan blijven duren, bezwijkt de kolonel finaal aan een hartaanval. Gewoonlijk vind ik het boek beter dan de film maar, beste Ernest, het echte Venetië was beter dan jouw roman. Wij hebben elkaar in die romantische omgeving dan ook niet een keer moeten zeggen dat we van elkaar houden. Dat zagen we.

17-02-13

Drie bananen voor Gusta

Gusta slaat haar hand voor haar mond van het verschieten en alsof ze zich schaamt kijkt ze vertwijfeld weg in de enige richting waar dat mogelijk is, door haar enige raam met uitzicht op de tuin voor twee meter verder een hoge dikke haag het zicht belemmert en ze roept ‘oeioeioei oeioeioei’. Ze wrijft een traan weg, kijkt mijn dochters en mezelf aan en vraagt dan: ‘hoe hedde gelle mij gevonde?’

Met wat hulp, anders was het niet gelukt natuurlijk. Eerst was er de zus van Gusta die me toen ik voorbij fietste van achter haar raam teken deed om te stoppen en naar de deur te komen. Zij had voor ons een doodsbrief van Ward, die inmiddels was gecremeerd in intieme kring, zoals men dat omschrijft alsof het een knusse bedoening is. En ze wist te vertellen dat Gusta niet meer kan lopen na haar operatie en dat de familie een rusthuis voor haar aan het zoeken was.

Enkele dagen later zagen we hoe de zoon en kleinzoon van Gusta het huisje aan het leegmaken waren. Mijn dochter vroeg hen hoe het met Gusta was en ze kreeg van de kleinzoon haar nieuw adres. ‘Het zal Gusta plezier doen je nog eens te zien’, zei hij. In het weekend trokken we dus met z’n drieën naar het woon- en zorgcentrum, een half uur rijden, wat een goede oefening was voor de oudste die leert autorijden.

Het was jaren geleden dat ik nog in een rusthuis was geweest, op bezoek bij mijn oma die op het laatste van haar leven niemand van ons nog herkende.  Meteen prees ik haar nog eens gelukkig dat ze uiteindelijk maar een beperkte tijd in zo’n sterfhuis is opgevangen moeten worden.

Het woon- en zorgcentrum van Gusta zag er gloednieuw uit, comfortabel, modern, vriendelijk zelfs. Het vroor dat het kraakte buiten, maar binnen was het zo warm dat ik er in t-shirt had willen lopen moest ik er eentje aan hebben gehad. Een dame met een witte schort stuurde ons een lange gang van eendere kamertjes door, de meeste met de deuren open. In sommige van die kamertjes zaten ouden van dagen te suffen, naar hun tv te staren of een dutje te doen tussen oude meubeltjes en foto’s die in zo’n modern woon- en zorgcentrum uit de toon vallen.

Gusta woonde op het einde van de gang. Haar kamertje zag er vrij leeg uit. Aan de wand boven het ledikant tikt een oude klok met behulp van een secondewijzer de tijd die haar rest minuut per minuut weg. Mijn dochters herkennen een oud houten kastje met een lade dat is meegekomen uit het kleine huisje dat ze met Ward deelde. Er staan enkele postuurtjes op en een fruitschaal met een banaan in. Tegen het raam zit Gusta in een rolstoel. Ze heeft een dikke medische kraag rond haar vogelnekje maar haar witte haar zit keurig vastgespeld. 

‘Ward is dood hé’, zegt ze als ze van de verrassing is bekomen. Ze heeft haar ogen wijd open . ‘Man, man, wat ze mij hebben aangedaan. Ze hebben mij alles afgepakt. Ik heb geen euro, geen twintig centiem meer. Ik heb mijn huis niet meer gezien, ik ben het kwijt, waar zijn al mijn spullen, waar is mijn pensioen, alles is weg, zelfs mijn boekske met telefoonnummers.’ En dan, samenzweerderig tegen mijn oudste, zoals ze vroeger met Ward in haar huisje ook kon doen: ‘Geeft uwen telefoon is, hebt ge een papierke om het nummer op te schrijve? Hebt ge nen bic?’ Zelfs een papiertje en een bic heeft ze niet meer. ‘Ja maar’, wappert ze met haar hand verontschuldigend naar mij, ‘ge wilt da nie meemake zelle.’ En dan ferm, ‘As ge ma wet da ik hie nie blijf. Ik blijf hie nie. Da is zeker.’

Ik denk aan De 100-jarige man die uit het raam klom en verdween, het van levenslust sprankelende en hilarische boek van de Zweed Jonas Jonasson dat ik pas heb gelezen. Ik betwijfel of Gusta zo’n exploot in dit moderne woon- en zorgcentrum voor elkaar zou krijgen. Wellicht kunnen de ramen hier niet eens open. En ze zit in een rolstoel, niet echt een verbetering van haar mobiliteit. Daarmee moet ze om te beginnen door de toegangsdeur geraken.  Om die deur van binnen uit te openen, moet je opeenvolgende handelingen uitvoeren, inclusief een omgekeerde cijfercode invoeren, die bedacht zijn om aspirant-weglopers als Gusta het ontsnappen extra moeilijk te maken.

We rijden Gusta naar de cafetaria om een kopje koffie te drinken. Gusta wil naar de tafel gereden worden waaraan al een ander besje eenzaam in haar rolstoel zit. Het oudje is een praatvaar. Ze vertelt dat ze in het woon-en zorgcentrum is terechtgekomen na een klonter in haar hersenen die haar half heeft verlamd. ‘Gusta en ik komen goed overeen’, verzekert ze. 

Gusta vraagt of ik mijn koekje niet moet hebben. ‘Oh, neem maar’, antwoord ik. Ze eet alle koekjes op. Er komt een man met drie bananen de cafetaria binnen. Hij kijkt rond en stevent op ons af. Mijn dochter kent hem, het is de kleinzoon. ‘Ik had beloofd je wat bananen te brengen’, zegt hij, terwijl hij ons alleen gedag toeknikt. Voor we er erg in hebben, is hij terug weg. Gusta vertelt dat ze zo’n zin had in bananen. Ineens voelt ze zich niet meer op haar gemak. Ze wil terug naar haar kamer. Haar koffie is nog maar half op. Maar misschien geneert ze zich voor de moeite die het kost om het kopje zonder morsen naar haar mond te brengen.

Als we weer op het kleine kale kamertje zitten, fluistert ze dat ze dacht dat haar kleinzoon haar kamer aan het doorzoeken was. Of erger nog, dat hij ons nu op de gang staat af te luisteren. Wie weet, heeft hij zich wel in de badkamer verstopt. Ik trek de deur open. ‘Niemand hoor’, zeg ik. ‘Ja maar’, zucht Gusta, ‘ge kunt niemand nog vertrouwen als ze u dat lappen.’ En zonder overgang bezweert ze mijn dochters: ‘Niet zelf naar mij bellen, want ze luisteren hier alles af.’

Op de fruitschaal liggen nu vier bananen. ‘Uw kleinzoon is speciaal langs gekomen met de bananen, dat is toch lief’, zeg ik. ‘Ja maar, deze middag was het al banaan als dessert’, werpt ze tegen.

Tja, moesten ze mij zoiets lappen, dan zou ik het ook moeilijk hebben nog het moois en goeds rond me te zien. Geen enkele man of vrouw die bij zijn verstand is, vindt het aangenaam als anderen zonder zijn of haar medeweten, zonder overleg, zonder inspraak beslissingen nemen over belangrijke zaken in zijn of haar persoonlijk leven. Geen wonder dat er tegenwoordig boeken verschijnen over honderdjarigen die uit het raam van hun woon- en zorgcentrum klimmen en verdwijnen. Ik vraag me af hoeveel van onze zo onmenselijk warm gepamperde rusthuisbewoners dat voorbeeld wel zouden willen volgen, moesten ze het kunnen.

21-11-12

Het verschil tussen november en april

Het woord april is samengesteld uit licht, vogelgezang en blijde verwachtingen. April is van alle maanden het hoopvolst. Bovendien, mijn vrouw verjaart in april. Het is zij die mij de wonderlijke schrijver Jón Kalman Stefánsson heeft aangeraden, uit wiens roman Hemel en hel ik de eerste twee zinnen hierboven heb geplukt.

Het boek beschrijft hoe een jonge man, omschreven als de jongen, zijn beste vriend verliest terwijl ze kabeljauw vissen op zee en hoe hij verder moet met dat gemis. Vorige week ben ik een jeugdvriend verloren die ik een korte tijd, zo ongeveer tussen mijn achtste en tiende levensjaar denk ik, tot we naar een ander dorp verhuisden, mijn beste vriend noemde. In een maand als november, in de gemiddelde jaren die achter me liggen van alle maanden het minst hoopvol, heeft zijn overlijden herinneringen aan mijn kindertijd omhoog gewoeld waarvan ik dacht dat ik ze al lang vergeten was.

Op latere leeftijd spreken mensen vaak over de onbezorgde en gelukkige jeugd die achter hen ligt. Pas als er opnieuw oud slib naar de oppervlakte wordt gestuwd, besef je dat je ook vaak ongelukkig bent geweest als kind, schrik had niet aan de verwachtingen te kunnen voldoen, je klein en machteloos voelde, bespot en vernederd werd.  Pas nu hij er niet meer is, zie ik voorvallen terug waaraan ik in meer dan dertig jaar niet meer heb gedacht en waarin die beste vriend Dirk voor mij een steunpilaar was. Een van de vele die een jongen nodig heeft om groot en sterk te worden.

Misschien zorgt de confrontatie van de mooie woorden waarin het verhaal van de IJslandse jongen en zijn vriend gesteld is met de bewustwording over mijn eigen verlies van vorige week wel voor die paar kleine bootjes die beladen met verdriet mijn wangen omlaag drijven.  

13:43 Gepost door peter in Liefde, literatuur | Permalink | Commentaren (0) | Tags: jón kalman stefánsson, hemel en hel |  Facebook | | |

15-11-12

Maar buiten bleef het regenen

Vanochtend vroeg op de trein tussen Schaarbeek en Brussel-Noord las ik het volgende:

‘Hoor eens hoe het regent.’

‘Het regent hard.’

‘En je zult altijd van me houden, hé?’

‘Ja.’

‘En zal het er niets toe doen of het regent?’

‘Nee.’

‘Gelukkig. Want ik ben bang voor de regen.’

‘Waarom?’ Ik had slaap. Buiten viel de regen gestadig neer.

‘Ik weet het niet, liefje. Ik ben altijd bang geweest voor de regen.’

‘Ik houd ervan.’

‘Ik vind het fijn om erin te wandelen. Maar hij maakt het de liefde niet gemakkelijk.’

‘Ik zal altijd van je houden.’

‘Ik zal van je houden in de regen en in de sneeuw en in de hagel en… wat is er nog meer?’

‘Ik weet het niet. Ik geloof dat ik slaap heb.’

‘Ga maar slapen, liefje, en ik zal van je houden wat voor weer het ook is.’

‘Je bent niet echt bang voor de regen, hé?’

‘Niet als ik bij jou ben.’

‘Waarom ben je er bang voor?’

‘Ik weet het niet.’

‘Zeg het eens.’

‘Laat me maar.’

‘Zeg het eens.’

‘Nee.’

‘Zeg het eens.’

‘Goed. Ik ben bang voor de regen omdat ik er mezelf soms dood in zie.’

‘Nee.’

‘En soms zie ik jou er dood in.’

‘Dat is waarschijnlijker.’

‘Nee, niet waar, liefje. Omdat ik je kan beschermen. Ik weet dat ik dat kan. Maar niemand kan zichzelf helpen.’

‘Schei alsjeblieft uit. Ik wil niet dat je vannacht Schots en gek gaat doen. We zullen niet zo lang meer samen zijn.’

‘Nee, maar ik ben Schots en gek. Maar ik zal ermee uitscheiden. Het is allemaal onzin.’

‘Ja, het is allemaal onzin.’

‘Het is allemaal onzin. Het is alleen maar onzin. Ik ben niet bang voor de regen. Ik ben niet bang voor de regen. Ik ben niet bang voor de regen. O, o, God. Ik wou dat ik het niet was.’ Ze huilde. Ik troostte haar en ze hield op met huilen. Maar buiten bleef het regenen.

Toen ik dat gelezen had, moest ik het boek even neerleggen. Zo mooi. De trein stond inmiddels stil in Brussel-Noord. Ik had nog enkele pagina’s kunnen doorlezen tot in Brussel-Centraal. Maar ik wou  nog wat van die mooie woorden genieten. Toen viel me het idee te binnen om ze hier neer te schrijven. Zo. Dan zal ik nu eens beginnen aan het persoverzicht. Dat zal niet zo mooi zijn als die pagina uit Ernest Hemingway’s  Afscheid van de wapenen, de tragische liefdesgeschiedenis tussen een Amerikaanse luitenant en een Schotse verpleegster aan het Italiaanse front in de Eerste Wereldoorlog, die in 1929 voor het eerst als A farewell to arms werd gepubliceerd. Toe, lees het nog eens.

20-09-12

Vijftig tinten en altijd iets

De jonge vrouw die rechtover me zat te lezen op de trein van 7 u 02 droeg een gele Jack Wolfskin-jas, een sjaal met felle kleuren, een donkerblauwe jeans en lage fuck me-laarsjes. Ze droeg haar haar in een paardenstaart en had op de zetel naast haar een goedgevulde rugzak staan. Ze was niet bepaald een schoonheid maar ook niet lelijk. Er straalde een lastig te definiëren aantrekkingskracht van haar af. De schittering van haar jeugd, zo vroeg op de morgen op een trein vol werkvolk dat nog niet naar het zweet stonk? Of het zichtbare, ingetogen plezier waarmee ze aan het lezen was?  Glurend over de rand van mijn eigen boek kon ik een flard van de titel lezen: Fifty shades of… Het verwonderde me dat zo’n jong ding een Engels boek aan het lezen was.

Enkele stations verder stapte een vrouw op van middelbare leeftijd of daaromtrent, tegenwoordig moet je voorzichtig zijn met het schatten van vrouwenleeftijden. Ze had mooi halflang geblondeerd haar. De trein was inmiddels al veel voller en het meisje met de gele jas nam de rugzak van de zetel weg en zette hem tussen haar benen. De blonde vrouw nam dankbaar de vrijgekomen plaats in. Ze droeg een witlederen getailleerd jasje met daaronder ook een jeansbroek. Vanuit de gunstige positie waarin ik me bevond, was het eenvoudig vast te stellen dat in vergelijking met die van het meisje haar benen, billen en heupen heel wat omvangrijker waren. Ze zag er nochtans uit alsof ze vroeger ook zo slank was. Ze haalde een boek uit haar handtas en begon te lezen. Vijftig tinten grijs. Het trof me dat deze vrouw een boek las dat ze, toen ze zo jong was als haar buurmeisje, op de trein wellicht niet had durven bovenhalen.

Ik betrapte de blik van herkenning in de ogen van het meisje toen ze bemerkte dat haar buurvrouw hetzelfde boek aan het lezen was, weliswaar in het Nederlands. Ze tuurde zelfs ingespannen op het opengeslagen boek, vermoedelijk om uit te vissen waar de vrouw naast haar net in het verhaal zat. In Vilvoorde stapte het jonge ding spijtig genoeg af.

De blonde vrouw las onbewogen verder. Ik bedoel maar:  haar gezicht waarop wel al wat rimpels waren verschenen, vertoonde geen spoor van leesgenot, niet eens een lichte trilling van emotie in de rimpel aan haar mondhoek. Zou dat te maken hebben met de leeftijd, vroeg ik me af. Worden mensen van middelbare leeftijd minder makkelijk geraakt door wat ze lezen, of hebben ze geleerd de emoties die neergeschreven zinnen soms kunnen teweegbrengen niet in hun lichaamstaal te laten doorschemeren? Of zat de vrouw gewoon in een vervelend hoofdstuk?

Ik droomde weg bij de mooie zonsopgang boven de weiden waar nog mist over hing als een deken. De debuutroman die op mijn schoot lag, bevat niet zoveel seks als de vijftig tinten. Ik had het boek gekozen omdat het redelijk welwillend was onthaald. Het is getiteld Altijd iets en speelt zich af in Vlaanderen. De korte hoofdstukjes lezen vlot weg. Maar wereldliteratuur of een spannende pageturner  is het niet. De achterflap omschrijft het debuut als Groenten uit Balen, the next generation, en inderdaad, het verhaal is in Vlaamse klei geworteld.

Auteur Joachim Pohlmann heeft net als ik pol&soc gedaan aan de KUL. Maar naast mijn bijna vijftig tinten grijs is hij een heel stuk jonger. En hij werkt in Brussel als speechschrijver voor Bart De Wever. Vandaar het welwillend onthaal? In alle geval, een dikke proficiat voor de auteur, om zo jong te worden uitgegeven. Misschien schrijft hij ooit wel een prachtig boek over vijftig tinten van iets, dat jonge en minder jonge vrouwen in vuur en vlam zet, literaire prijzen verzamelt en nog beter verkoopt dan Het regime van Bart De Wever.   

20-08-12

Rood rockt!

Mijn vrouw leest in de krant meestal de helft die ik oversla en omgekeerd.  Goed gemaakt, inderdaad, De Standaard, want beide geslachten komen gelijk aan hun trekken. Maar zo komt het dat de advertentie voor een actie van Liefmans die mijn echtgenote uit de dikke weekendkrant had geknipt en voor mijn neus heen en weer wapperde terwijl ik in de schaduw net aan het genieten was van het schitterende About a boy van Nick Hornby, me volslagen onbekend voorkwam.

Het was in feite een advertentie voor een facebook-actie voor een gratis Liefmans rocks of zo van de kriekbierbrouwer. Ik haat commerciële facebook-acties. Als je eraan deelneemt, maak je je gewoonlijk onbeschrijfelijk belachelijk vind ik, want dan verschijnt er van alles op je startpagina waarmee je je helemaal niet wil vereenzelvigen.  Ik kan het af en toe niet laten mijn goede vrienden die zich voor zo’n fb-gat hebben laten vangen, virtueel uit te lachen.

Ik leg dat mijn vrouw uit, maar ik wist al op voorhand dat ik hier het onderspit zou delven. Zij zit namelijk niet op facebook (waarvoor ik me dikwijls gelukkig prijs). En ik schrijf dit toch hoewel ik nu al weet dat minstens één van mijn goede fb-vriendinnen haar wel prompt zal melden dat ik weer over haar geblogd heb. Mijn blogs bij mijn vrienden, collega’s en fans kunnen aankondigen, en pas met vertraging bij mijn vrouw, dat is nu eens een voordeel dat facebook mij biedt.

De krantenadvertentie voor een gratis Liefmans vraagt te surfen naar een website en die dan op facebook te liken. Wedden dat dan al mijn vrienden op fb zich een kriek zullen lachen omdat ik me door Liefmans heb laten vangen, probeer ik nog. Moest het nu nog Orval, Omer of Duvel zijn! Maar nee dus. Sinds gisteren prijkt Liefmans on the rocks tot tweemaal toe op mijn startpagina als iets dat ik leuk vind.

Vrienden, niet geloven dus!!!

Om een gratis Liefmans-drankje te krijgen moet je je dan nog naar een drankgelegenheid begeven waar ze Liefmans schenken (en vermits ik geen kriekliefhebber ben, weet ik er zo direct geen), en moet je een codezin tegen de barman roepen, want in een café hoort een barman je anders zelden. En hoe denk je dat die codezin luidt? Rood rocks.

Rood rocks! Kan je je dat voorstellen! En kan je je inbeelden dat ik, die door het leven ga als een blauwe woordvoerder, in het café moet beginnen roepen hoe leuk ik de roden vind om aan een drankje te geraken dat ik eigenlijk van in het begin nooit heb gewild? No way dus. Bovendien wil ik niet ontslagen worden, vandaar deze blog om me alvast bij mijn bazen en hun spionnen op facebook te verontschuldigen voor alle rood rocks-meldingen die nog op mijn startpagina zouden kunnen opduiken.

Maar bij nader toezien, wat een oenen zijn dat toch bij Liefmans? Wie haalt het nu in zijn hoofd om zo politiek kleur te bekennen?  En dan nog tijdens Pukkelpop, waar niet enkel een overdosis hete zon het publiek martelde, maar ook een hoop roden, aangevoerd door Chokri, Lieten en Hilde Claes, die van alle beschikbare schermen in koele huiskamers misbruik maken om te doen alsof ze cool zijn door in die hitte op een wei in Hasselt rond te struinen.

Tenslotte, het verbaast me met de dag minder en minder dat facebook het op de beurs zo slecht doet.

16:20 Gepost door peter in literatuur, media, Muziek, Vrije tijd | Permalink | Commentaren (0) | Tags: liefmans, pukkelpop, facebook |  Facebook | | |

24-03-12

Matterhorn, zoveel meer dan een oorlogsroman

Soms lees ik eens een boek waarbij ik zucht, ijdel als de mens die ik ben, ik wou dat ik het geschreven had, zo mooi. Ik lees veel, maar dat gevoel heb ik slechts een paar keer per jaar. Ik had het bijvoorbeeld niet met Bittere bloemen van Jeroen Brouwers, nochtans een van mijn geliefkoosde auteurs, wel met Matterhorn van de Amerikaanse Vietnamveteraan Karl Marlantes.

Ik was een beetje te jong om me de Vietnamoorlog zelf nog te herinneren. Maar als ik er nu op terugkijk werd ik al tijdens mijn tienerjaren gebiologeerd door de verwerking ervan in de VS en eigenlijk in de hele vrije westerse wereld.  Twee Amerikaanse films uit 1978 fungeerden als de trigger.

De eerste, we gingen hem op een zonnige zondagnamiddag met de scouts zien in de lokale filmzaal Studio 2000, was Coming Home. Vandaag herinner ik me vooral de indruk die een seksscène op mijn puberale ik naliet, waarin de nog piepjonge Jane Fonda het met een Vietnamveteraan in een rolstoel deed (voor alle duidelijkheid: de rolstoel stond naast het bed).  Van dat zalige jaar ‘78 dateert ook de vijfvoudige oscar-winnaar The Deer Hunter, met Robert De Niro en de revelatie Meryl Streep, terechte oscar voor beste bijrol.  Deze films gingen over van alles, maar toch ook over wat een oorlog een soldaat die er levend uitkomt, kan aandoen. Later grepen andere grote Vietnamfilms als Apocalypse now (1979), Platoon (1986) of Full Metal Jacket (1987) me bij de keel.   

Veteraan Karl Marlantes heeft grote waardering voor die films. Maar naar zijn smaak vat geen van hen voldoende de realiteit waarin het gros van de Amerikaanse Vietnamstrijders in terecht kwam. Die realiteit verwerkte en beschreef hij meer dan dertig jaar lang tot de roman waarvoor hij jaren geen uitgever vond, totdat Vietnam in het moeras van het Amerikaans geheugen was gezonken.  De titel verwijst naar een fictieve heuvel in Vietnam, het strijdtoneel waarin de Bravo Compagnie van een bataljon Mariniers vecht en waar haar ziel teloorgaat.  Matterhorn  kluisterde me door zijn gelaagde, krachtige, realistische en fictieve, ontluisterende en respectvolle waarheid meer dan 550 bladzijden lang even versmachtend aan mijn zetel als die oude films.

Marlantes dompelt je onder in een infanteriecompagnie van einde jaren zestig. Hij beantwoordt de vragen over soldaten in oorlog die ik mij ook stel of heb gesteld, tijdens mijn militaire dienst in vredestijd: waaraan denk je als je met volledige bewapening en bepakking zit te wachten op de helikopter die je met honderd procent zekerheid naar een punt brengt waar andere mensen je het leven zullen trachten te benemen? Hoe komt een marinier erbij om, achter een veilige dekking gelegen, toch recht te kruipen en open en bloot het infernale spervuur tegemoet te rennen dat uit de in te nemen vijandelijke stelling djakkert? Wat doet het een mens als zijn maatje naast hem in de schuttersput een voltreffer in het gelaat krijgt? Hoe hou je het vol in een omsingeling, dagen aan een stuk zonder voedsel, water of slaap, met een wond aan je hoofd die je zicht tot één oog beperkt en granaatscherven in je been? Hoe moeilijk valt een 20-jarige onderluitenant de beslissing welke van zijn twee gewonde pelotonsgenoten te ver heen is om het laatste infuus toegediend te krijgen?

Een tweede laag gidst je in de formele en informele militaire cultuur. De formele cultuur van honderden regels en reglementen, die het bijvoorbeeld verbieden om de kneedbare springstof C4 te gebruiken om een kop koffie op te warmen, of die voor officieren een in de rimboe nutteloos pistool voorschrijft in plaats van een automatisch M16-geweer. En de informele cultuur, waarin de formele regels permanent worden overtreden, waar een soldaat leert in te zien dat luisteren naar de anciens een betere manier is om in leven te blijven dan de theorie van de basisopleiding.

Je hoort de hogere officieren konkelen om goede rapporten of een onderscheiding te halen, een promotiekans te benutten. Je ziet hoe het hoger niveau het lager manipuleert als een structuur zonder mensen erin.  Onderaan is een pelotonscommandant slechts het toestel dat veertig geweren, enkele mitrailleurs en mortieren aanstuurt, zoals een zeldzame vrouw in het boek, een verpleegster op een hospitaalschip, de gewonde  en dus defecte hoofdfiguur Waino Mellas omschrijft.  Je ziet Mellas evolueren van een onervaren, idealistische en ambitieuze onderluitenant naar een officier die kritisch, cynisch en opstandig wordt, en zich op het einde nog slechts inspant om zoveel mogelijk van zijn manschappen levend uit het dodelijk efficiënt toestel te slepen dat de Vietnamese jungle-oorlog voor de mariniers was.

Marlantes maakt de vele kafkaïaanse toestanden rond de heuvel begrijpelijk en menselijk. Wat het nut is van een mystery tour, waarin enkele vrienden zich los van de wereld drinken in een zuippartij, gewoon omdat de gelegenheid zich op een bepaald moment nu eenmaal voordoet, en zelfs een nieuwe risicovolle opdracht die de ochtend nadien wacht niemand bezwaart.  Boeiend blijven net zo goed de vele bladzijden over de besmuikte demarches van Mellas bij officieren en onderofficieren buiten en in zijn peloton om reglementair niet bestaande problemen op te lossen die het leven bedreigen van mensen waarvoor een officier zich ondanks zijn persoonlijke voor- of afkeur verantwoordelijk voelt. Zoals de manier waarop Mellas tracht een racistische, uitstekende onderofficier overgeplaatst te krijgen omdat hij heeft vernomen dat enkele zwarten ’s nachts een handgranaat in zijn tent willen gooien.

Nieuw in de Vietnam-cultuur is bij Marlantes inderdaad een ruime aandacht voor het samenleven van zwarten en blanken in het Marinekorps. Open en bloot schrijft hij pakkende passages over het racisme dat wezenlijk in de rangen leefde, maar evengoed over het georganiseerde  verzet ertegen van de zwarte soldaten. Eens buiten het strijdgewoel trokken zij zich terug in een zwarte subcultuur met eigen muziek, taal en rituelen, tot en met een ingewikkelde vuist-tegen-vuist-begroeting. En ook met eigen formele en informele regels, inclusief manipulaties en concurrentie om het leiderschap of cynici die uit winstbejag criminele activiteiten verkocht kregen als idealisme.

Finaal biedt Matterhorn een prisma waarmee je naar het wezen van de mens kijkt: de pure, ongecontroleerde, ongesocialiseerde en onopgevoede oermens die in elke soldaat in het heetst van de strijd schuilt, als er geen wetten, regels of conventies hem afremmen, nu eens in de gedaante van een God die oordeelt over leven en dood, ’s anderendaags misschien als angsthaas die het letterlijk in zijn broek doet.  Toch overwint in de Vietnamoorlog die Marlantes oproept, finaal de vriendschap. En het mededogen. Het mededogen dat de mens kenmerkt, zelfs in de meest primaire omstandigheden, en net in die omstandigheden van de andere zoogdieren onderscheidt. Het geschenk van het mededogen hebben de oudstrijders van deze smerige Amerikaanse verloren oorlog, meer dan veertig jaar na datum, nog onvoldoende gekregen.  Marlantes geeft het zijn lezers overvloedig en niet overdreven. En voor de veteranen is zijn roman een eerbetoon.

 

KARL MARLANTES, Matterhorn. Uitg. Meulenhoff, 576 blz, € 22,95.   

08:19 Gepost door peter in literatuur | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook | | |