16-06-13

Suske en Wiske voor Het Paradijs

Om naar Venetië te gaan, moet je vroeg opstaan. Toch als je vanuit Charleroi vertrekt, met Ryan Air. De nuttige vlucht gaat om 6.40 u. Opstaan rond 4 u, beslissen we, om enige marge te houden. Nu ja, een koppel is maar één jaar in zijn leven twintig jaar getrouwd. Dan heb je er wel een pijnlijke wekker voor over als je naar zo’n droombestemming kan. Zeker als je nog een twintig jaar oude belofte moet inlossen.

Rond tien uur staan we dus al op de Piazzale Roma. En even later genieten we vanop een vaporetto op het Canal Grande van alle die schitterende palazzi waar we niet zullen verblijven. Ons hotel ligt op Lido, een eiland als een gedachtestreepje op de grens van de lagune. We hopen op goed weer, begin mei, dan kunnen we nog van het zonnetje genieten op het strand. We leveren onze handbagage (Ryan Air weet je wel) af, keuren de kamer goed en tijgen terug naar de Dogenstad. Op het San Marco-plein begint het te regenen. Dan maar eerst het Dogenpaleis bezoeken. Zestien euro inkom, zuchten we, exclusief telefoongids. Neen, mevrouw, die lerarenkaart geeft je hier geen korting. Toch vinden we het Dogenpaleis achteraf die zestien euro waard. We voelen ons Suske en Wiske in bewondering voor Het Paradijs van Tintoretto in die fenomenale Sala del Maggior Consiglio.

Terug op het plein waar de duiven schuilen voor de regen, besluit Greet een regencape te kopen. Een jongen die er Indisch uitziet vraagt 6 euro voor de luchtdicht opgevouwen exemplaren waarmee hij leurt.  Ik moet zo’n ding niet, maar ik moet amper bedanken of hij laat de prijs al zakken tot 2 euro. Greet geeft hem met een royaal gebaar toch 4 euro. Ik lijk wel een pmd-zak, zegt ze als ze zich in de lichtblauwe plastieken jas heeft gehuld. Maar je blijft wel droog, antwoord ik. Ik zie dat ze zich jeunt en dat maakt me blij.

In een hippe ijssalon proberen we een bellini bij een spelletje Regenwormen. Ik win royaal maar Greet vindt dat niet erg. Rijk en gelukkig kijken we om ons heen.  Wat regen houdt ons niet tegen! De volgende ochtend schijnt de zon on-Belgisch warm in onze nek, in een snel motorjacht naar Murano, het glaseiland. De boot kost evenveel als de zon en de gereputeerde glasblazerij waar we op afkoersen. De toeristen mogen er vanop tribunes de meester-glasblazers fotograferen. Het veel te lelijke glazen blaaswerk in de veel te ruime verkoopzalen achter het atelier is veel te duur. Greet verkiest voor weinig geld een hangertje in een winkeltje met een onverstaanbaar schattig glasblazertje in een vettige overall en een aardige dochter die de vreemde talen spreekt en grossiert in glimlachjes als ze de cadeautjes inpakt. Ze vinden het beiden hemels dat we naast de deur niets en in hun zaak iets kopen. Met een Spritz-aperitief genieten we van op een terras aan de Riva Longa van de boten en het water dat het kanaal naast ons en de planken onder onze voeten bevloeit.

Wat een stad, bezongen door grote kunstenaars zoals Ernest Hemingway, die trouwe klant was in de wie weet wel net om die reden volgens de reisgidsen nog altijd florerende Harry’s Bar, op een boogscheut van het San Marco-plein aan het Canal Grande. We struinen door de steegjes en over de bruggen, met een parcours voor ogen dat ik met veel moeite op de kaart terugvind. Met klokkentorens als oriëntatiepunten steken we bruggetjes over en flaneren we langs pleintjes die zich onverwacht openvouwen met een kerkje en wat trattoria’s of osteria’s. We eten in een osteria waar de gondeliers aan de toog snel een pint komen pakken.  We ontdekken in een volksbuurt op vijf minuten wandelen van de boothalte Fondamente Nuovo een trattoria waar we meteen voor de avond reserveren. Zonder onze naam te moeten opgeven, want de mama zal ons wel herkennen, zegt ze. We varen naar het Isola di San Giorgio Maggiore en reppen ons de campanile op met magistraal uitzicht op de stad en de lagune. Door de zoeker van de camera zien we elkaar genieten, drie dagen lang, nooit alleen.

In tegenstelling tot het publieke strand op Lido zijn we Harry’s Bar helaas vergeten aan te doen. Terug thuis rep ik me om Hemingway’s Over de rivier en onder de bomen (de originele titel was  Across the river and into the trees), zijn roman over een eendenjacht in Triëste waarin het hoofdpersonage, een net 51-jarige kolonel die het aan zijn hart heeft, herinneringen ophaalt aan het weekend dat hij in Venetië doorbracht met zijn 18-jarige geliefde gravinnetje. In het boek blijven die twee elkaar zo vaak zeggen hoe graag ze elkaar zien dat het op de duur gezeur wordt. Omdat zo’n liefde nu eenmaal onmogelijk kan blijven duren, bezwijkt de kolonel finaal aan een hartaanval. Gewoonlijk vind ik het boek beter dan de film maar, beste Ernest, het echte Venetië was beter dan jouw roman. Wij hebben elkaar in die romantische omgeving dan ook niet een keer moeten zeggen dat we van elkaar houden. Dat zagen we.

29-08-12

Kamperen aan de Semois

Niets heerlijkers dan een paar dagen comfortloos kamperen aan de Semois met mijn jongste om de vakantie af te sluiten. In de diepe Ardennen wanen we ons in een buitenland dat helemaal anders is dan het drukke, dichtbevolkte en overgereglementeerde Vlaanderen. Het plekje waar ons gezinnetje van oudsher zijn tentje opslaat, heet Herbeumont, aan de oevers van de Semois. Dwars over de langgerekte kampeerweide beneden in het dal strekt zich van heuvelrug naar heuvelrug een oude bakstenen spoorbrug uit. Vandaag bezorgt ze wandelaars, mountainbikers en joggers ontspanning en drukt ze haar romantische stempel op de camping. Vroeger zorgde de spoorbedding dankzij een kilometerlange tunnel ook nog voor gezellig gegriezel met de kinderen, maar de treinpijp op enkele steenworpen van de brug is al enkele jaren geleden om veiligheidsredenen afgesloten.

De wijde omgeving is ongerepte natuur zoals je die in het vlakke Vlaanderen mist. Op onze langste wandeling dwaalden we er vijftien kilometer in rond en kwamen enkel op het laatste stuk drie mensen tegen, toen de weg al verhard was. Voor een prikje huurden we kajaks waarmee we de rivier afdaalden in het prachtige decor, met af en toe een visser en een reiger die ons nieuwsgierig met brede klapwieken vooropvloog. Waar in Vlaanderen valt  honderd meter verder een rode wouw uit de lucht om naar de flits van een forel te duiken?  Of word je nog koud gepakt zoals aan de barrage aan de Rocher du Chat, die de neus van de kajak diep in de rivier duwt en de bodem van boot en mens onder water zet?

Op de camping leven zoals altijd de meest verscheiden mensen op een kluitje bij elkaar. Opgedeeld per tent, camper of caravan ontsteken ze ’s avonds op een langgerekt rijtje langs de oever hun eigen houtvuur, zonder zich zoals in Vlaanderen zorgen te maken over de CO2-uitstoot. Een groepje jongeren met hanenkammen, piercings en tatoeages  zont, zwemt en feest het weekend door en slaapt zijn roes uit in smijt- en gooitentjes.

Waalse marginalen luieren de dag door, stappen plots in een gammele berlingo en komen terug met blikjes bier en kratjes duvel. Maar pas op voor het cliché: je herkent ze ook in volle concentratie over een spelletje schaak, op het terras van de taverne bij een Orval. Ze hebben een radio waarop alleen rockmuziek van de jaren zeventig te horen is. Ze geloven dat het hun opdracht is dj te spelen voor de hele camping. Af en toe zingen ze uit volle borst mee. Nights in white satin, A whiter shade of pale.

Ook Vlaamse marginalen zijn er vaste klant. Op krukken en met een zaag trekt er een het bos in, zogezegd om sprokkelhout, dat ze wat later aan hun caravan met een elektrische kettingzaag op maat van hun vuurkorf zagen. Zo kunnen ze tot een stuk in de nacht onder de magistrale maar koude Waalse sterrenhemel behaaglijk uno spelen, elk met een lamp op hun hoofd. Van kou rillend in onze oude aldi-slaapzakken horen we hen vloeken en lachen.

Nederlanders slagen er ondanks hun luxueuze uitrusting maar amper in de vlam in hun kampvuur te krijgen. Als ik ’s morgens vroeg zorgelijk naar de wolkenhemel sta te kijken, verzekert onze buur me met zijn Hollandse arrogantie dat de buienradar de hele dag droog weer geeft. Om het te kunnen bewijzen heeft hij zijn ipad in de hand, maar ik ontneem hem zijn glorie door hem voetstoots te geloven. ‘Ik kan wel niet garanderen dat de zon zal schijnen, dat vertelt de buienradar niet’, lacht hij. Als het een kwartier later pijpenstelen regent schuilt superman in zijn caravan.

Regen of geen regen, een jonge Duitser staat de hele dag met heuplaarzen in de Semois ingespannen te vliegvissen, zonder iets te vangen. ‘Het is een passie’, verzekert hij. Een Waals gezin met drie jengelende kinderen denkt dat de hele camping hun terrein is. Af en toe komen hun ouders, welwillend bonjour zeggend, ze terug wegplukken van de kampeertafel achter onze tent. Die staat, toegegeven, uitgerekend aan het meest kindvriendelijke dammetje met de meeste wilde eenden opgesteld.

De gasten vinden de camping van Arno geweldig. Ik ken Arno al zo’n dertien jaar, ongeveer van toen hij met de camping begon. In die tijd kwamen er op zijn camping een vrouw en kinderen bij, een taverne en een frituur en een sanitaire blok die er intussen alweer verloederd bijligt, net als zijn bureau, zijn materiaalhok, de afvalcontainerhoek,... laat het ons voor de welvoeglijkheid hier bij houden. Maar het Nederlands van Arno is over de jaren fel verbeterd terwijl mijn Frans nog is verslechterd.

Als hij ons in zijn jeep met een trailer kajaks erachter naar de vertrekplaats voor de kajakvaart brengt, klaagt Arno steen en been over de toenemende stroom aan Waalse reglementeringen waar hij zich moet naar trachten te schikken. Ik frons. Hij krijgt regelmatig inspectie van de bevoegde Waalse gewestdiensten. Er scheelt altijd wel iets maar wat er dan precies moet veranderen, daar hebben de inspecteurs nooit een concreet antwoord op, zo beweert hij althans. 

‘Stel je voor, nu willen ze dat ik meer groen aanplant. Maar mijn camping ligt te midden van het groen, als je vanuit de diepte van dit dal rond je kijkt zie je niets anders dan bossen, bijna tot aan de hemel.’ Volgende week komt de  inspectie terug langs. Hij moet tegen dan zijn standplaatsen afgebakend hebben met bordjes. ‘Mais je m’en fous’,  klopt hij zich op de borst.  ‘Als ik daarmee begin, verander ik het karakter van mijn camping, met veel doortrekkers en waar de vrijheid regeert.’ Dat is waar, denk ik, met alle voor- en nadelen.

Maar wat als ze je vergunning intrekken, vraag ik hem. ‘Oh, on verra, on verra.’ Hij trekt zijn handrem op omdat er enkele koeien over de weg lopen en toetert hen luid terug de wei in. Als hij mijn vragende blik ziet, lacht hij. ‘Oh ja, mijn rem is kapot en in de garage konden ze hem niet onmiddellijk repareren. Dus rem ik maar met de handrem.’ Wat een vrij land van plantrekkers is dit toch, zo anders dan Vlaanderen en toch zo vertrouwd. 

19:51 Gepost door peter in reizen, Vrije tijd | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook | | |

20-04-12

Van Selge naar Altinkaya

Waar haalden ze het in hun hoofd, de anonieme stichters van Selge in Pisidium, om meer dan tweeduizend jaar geleden hun stad te bouwen op duizend meter hoogte in het Turkse Taurusgebergte? Vandaag resten er van de ooit grootste stad van Pisidium enkel ruïnes, waaronder een nog verbazend goed bewaard amfitheater dat plaats bood aan tienduizend (u leest het goed) toeschouwers.

Selge ligt ten noorden van Manavgat als je de snelweg van Antalya naar Alanya langsheen de Turkse rivièra neemt. Van de snelweg af ligt het nog ongeveer 55 kilometer, steeds dieper en hoger de machtige Taurusbergen in. De weg is goed berijdbaar tot aan de Koprulu Canyon in het gelijknamige natuurpark. Mijn dochter vond het opwindend langs die diep uitgesleten kloof in dit ruige natuurpark, waar de beren nog in het wild leven. Over de canyon ligt een smalle stokoude brug, toegeschreven aan de Romeinen, waar maar één auto tegelijk over kan.  Onze Turkse gids-chauffeur Ahmed drijft zijn Honda de brug over, de bergflank op, hotsend in een diepe put zonder zich om de mogelijke schade aan het voertuig te bekommeren.  Van daar is het nog twaalf kilometer naar Selge, over een weg die steeds moeilijker berijdbaar is, behalve door terreinwagens of voor chauffeurs zonder aanziens des wagens. Zoals de onze, die de opdracht van zijn baas uitvoerde met een huurwagen.

Tienduizend toeschouwers

De ruïnes van Selge zijn nauwelijks herkenbaar, op het indrukwekkende theater na dat als een reusachtig hoefijzer op de vlakte tussen de heuvels is gekwakt. De 45 rijen zitplaatsen kan je helemaal tot bovenaan beklimmen. De oude scènemuur is helemaal tot puin vervallen, naar verluidt door een blikseminslag een eeuw of wat geleden.

Zoals alle schaarse bezoekers voor de nog onontgonnen archeologische site krijgen we meteen het gezelschap van enkele oudere vrouwen, behulpzaam in het duiden van de ruïnes en hun eigen armtierige bestaan op een berg ver van de beschaafde wereld. Naast de halskettingen die we ook al in de bazars van het kustplaatsje Belek hadden gezien, verkopen ze producten van hun huisvlijt, zoals schamele houten lepels, met indruk wekkende argumenten die een beroep doen op het medelijden.

Het dorpje Altinkaya heeft zich op de brokstukken van Selge genesteld met een vooral primaire economie van zelfredzaamheid: een koe, enkele geiten, wat lapjes bewerkte grond en een stel schriele kippen. Een behulpzame vrouw die ik een stuk in de vijftig schat stelt zichzelf voor als Fatima, moeder van twee kinderen, waarvan er nu eentje op de universiteit van Izmir zit. Ze beweert dat Altinkaya duizend inwoners telt, onder wie ongeveer 300 kinderen. Ze wijst naar een vuil gebouw van twee verdiepingen dat op een reuzenschoendoos lijkt. De roze verf bladdert, de rode Turkse vlag wappert.  Ik heb wat ervaring met te kleine klasjes in het rijke Vlaanderen en bereken snel dat je hier no way 300 leerlingen in krijgt. Het is ook een raadsel waar die 700 andere bewoners zich dan zouden bevinden. Tijdens ons bezoek zien we er hooguit een dertigtal, met ons mee oplopend of rondscharrelend aan krotwoningen her en der verspreid over de Romeinse nalatenschap. Wat kan het nut van die grootspraak zijn, vraag ik me af.

Met wat koeterduits trekt Fatima mijn aandacht op wat ooit het Romeinse stadion was. Het mat 180 op circa 30 meter, zegt ze, en bood plaats aan vijfduizend kijkers. Ik kijk mijn ogen uit, maar zie enkel een lange smalle vlakte met wat men in een welwillende, eufemistische bui zou kunnen omschrijven als enkele volkstuintjes. Bezaaid met teveel oude stenen. Naar het schijnt stonden hier ooit nog tempels voor Zeus en Artemis. En een agora, een zuilengang van meer dan honderd meter, een reusachtige citerne en een aquaduct dat water van de hoger gelegen bergen voerde, een stadsmuur van 3,5 kilometer, met torens om de honderd meter.

Pisidische hoogdagen

Wat een weg heeft deze plaats afgelegd van Selge tot Altinkaya? Het blijft vooral een raadsel. Een snelle strooptocht op het internet legt bloot dat de stichters van Selge wellicht Grieken uit Sparta waren. De lastig toegankelijke stad was moeilijk te veroveren. In de Pisidische hoogdagen zou ze een leger van 20.000 man op de been hebben kunnen brengen, al spreekt een andere bron van 2.000 soldaten. Wat er ook van zij, Selge sloot een vriendschapsverdrag met Alexander de Grote toen die Pisidië bezocht in 333 voor Christus. De stad bezweek een eeuw later pas voor Achaeus na verraad, meldt Wikipedia dan weer, maar ontsnapte aan de vernietiging door een oorlogsschatting te betalen. Paulus heeft Selge wellicht aangedaan op zijn missiereizen en die herinnering houdt de passage van de 600 kilometer lange Sint-Paulus GR nog altijd in ere.  Het was nog een bloeiend plaatsje ten tijde van Hadrianus en Ptolemeus, en weerstond een aanval van de Gothen ergens in de vijfde eeuw.

Van het Byzantijns kerkje op de hoogst omringende heuvel vanwaar God de gelovigen beneden placht te zien en zoals het de Heer past, namelijk te domineren, rest slechts puin. We willen de heuvel toch beklimmen om het gezichtspunt van de Dominus over dit ooit paradijselijke oord te kunnen proeven.  Als we bijna boven zijn, begint het zoetjes te regenen. Onze gids wijst op een naderende wolk en maant ons aan de afdaling aan te vatten. God houdt zijn privileges weer voor zich, sakker ik.

De regen valt in bakken naar beneden als we als bij wonder op een paadje belanden dat naar een afgelegen krotwoning leidt. Vanonder zijn overhangende dak kijkt een oud mannetje ons met verbazing aan. Aan zijn smoezelige grijze broek ontbreken de knopen. Onze gids spreekt hem aan en we mogen mee schuilen. We geven hem een handdruk die hij met links beantwoordt. Verontschuldigend priemt hij naar zijn rechterarm. Daar is iets raars mee aan de hand. Het lijkt of de arm vanaf een extra gewricht ergens tussen de ellenboog en de schouder krachteloos heen en weer bungelt. Het is eigenlijk te krap om met zijn vijven onder het dak uit de regen te blijven. De bejaarde nodigt ons in zijn nederige stulpje uit, mits we onze schoenen uittrekken. Het mannetje wiegelt op kousenvoeten zijn woning in. Beide kousen vertonen grote gaten die zijn smerige hielen blootstellen aan de gezonde lucht.

Kousen met gaten

Ik aarzel om de zes vierkante meter grote kamer waarin we belanden, al te opzichtig te monsteren en ik zie dezelfde reactie bij mijn vrouw en dochter. De kamer is geheel bedekt met een zacht tapijt. Aan twee tegenoverliggende wanden liggen groezelige dekbedden opgerold. Het mannetje gaat op zijn achterste zitten, onhandig omdat hij maar één arm kan gebruiken.  Een klein kacheltje en een wandrek met blikken eetgerei zijn de enige meubelen in de ruimte. Onze gids start een gesprek in het Turks en vertelt ons dat de man in deze kamer woont met zijn vrouw en zijn dertigjarige dochter. Die zijn in de bergen de koe aan het hoeden.

Wat heeft hij aan zijn arm, vraagt mijn vrouw.  Hij is uit een boom gevallen, vertaalt Ahmed. Onze gastheer brak daarbij zijn arm. Hij heeft lang in het ziekenhuis gelegen. Maar de dokters kregen de breuk niet meer genezen, omdat hij al te oud is. Er bekruipt me twijfel of Ahmed alles wel juist vertaalt. Lijdt hij veel pijn? Ja, de grimas op het gezicht van de ouderling spreekt boekdelen. Het gesprek stokt. Buiten gutst de regen.

Ahmed spreekt de oude man opnieuw aan. Onze gids blijkt gevraagd te hebben of er soms geen schattenjagers in Selge opdagen. Er zit misschien nog wel edel metaal van de Romeinen of latere bewoners van de antieke stad in de bodem. Dat is zo. Soms dagen goudzoekers op met computers en geavanceerde metaaldetectoren. Iets opgraven mag echter zomaar niet van de overheid. Dat dit in weerwil daarvan gebeurt, verbaast geen zoogdier dat bekend is met de mens. En het is al meerdere keren voorgevallen dat de dorpelingen in het holst van de nacht wakker schrikken omdat enkele schattenjagers als waren ze special forces op een geheime opdracht, het dorp binnenvallen in jeeps met zoeklichten, op een hun vooraf al gekende plaats beginnen graven en beladen met de buit die ze zochten terug verdwijnen zonder sporen na te laten.  Omdat heel Selge vol stenen ligt, gebruiken de hit-and-run-rovers volgens de opa zelfs zware graafwerktuigen en drilboren.

De zon priemt door de wolken. Tijd om te gaan. Kunnen we onze vriendelijke gastheer niet met iets plezier doen, vraagt mijn vrouw aan Ahmed. Geld, of misschien een croissant? Ze haalt een plastic zakje croissants uit de rugzak, die ochtend bij elkaar heb getjoept op het royale ontbijtbuffet van ons all in-hotel. Ja, dat wil opa wel. Gretig grijpt hij het zakje beet en koestert het als een schat. Daar gaat mijn lunchpakket. Mijn dochter oppert of we van de oude man geen foto mogen maken. Hij heeft geen bezwaar. Ga er maar naast zitten, zeg ik tegen mijn dochter. Zonder aarzelen gaat ze zitten, de oude man slaat meteen zijn goede arm om haar hals.

Heet café

Vooraleer de terugtocht naar Belek aan te vatten besluiten we nog iets te drinken in het café van het dorp, op het pleintje voor de school. Onderweg worden we opgeschrikt door de oproep voor het gebed die plots uit de luidsprekers aan de minaret schalt. Kip noch kraai lijken gehaast te gaan bidden. Wie buiten is doet gewoon verder waarmee hij bezig was. De onzichtbare imam had zich de moeite wel kunnen besparen.

Het terras van het café is een beetje te fris, vinden wij. Maar het café lijkt niets meer dan dit terras en een piepklein winkeltje te omvatten. We mogen gelukkig het ernaast gelegen privévertrek van de kastelein binnen, opnieuw schoenen uit eerst. Deze keer geen ontblote hielen. Binnen slaat een geweldige hitte op ons neer, afkomstig van een gloeiende houtkachel. Alweer zo’n met tapijten belegde ruimte, maar hier liggen toch twee dunne matrasjes. Op één ervan ligt een gerimpelde vrouw. Ze ontwaakt dwaas van onze blijde inkomst. In de kamer staat alleen een ladenkastje met een joekel van een televisie op, en enkele foto’s. De vrouw is 85 jaar oud, ze brengt de dag soezend en wakend door om haar zware hoofdpijn te bezweren. De dokter kan haar wel pijnstillers voorschrijven, legt Achmed uit, maar die wil ze niet. En daarbij, weet  Achmed, het is ook niet gezond om voortdurend pilletjes te moeten slikken.

De theepot wordt op de stoof gezet. In afwachting voert Ahmed een geanimeerd gesprek met de cafébaas. Af en toe vertaalt hij wat. De cafébaas laat een foto van op het kastje aan Ahmed zien. Hij kijkt uit naar het trouwfeest van zijn zoon, die geëmigreerd is naar Duitsland en die hij in de zomer gaat bezoeken, als God het wil. Ahmed en de man hebben plots heel wat te bepraten. Ook Ahmed heeft in Duitsland gewoond. Vijftien jaar heeft hij er gewerkt, hij krijgt zelfs een Duits pensioen hoewel hij in Turkije nog lang niet denkt aan stoppen met werken. Na de scheiding van zijn vrouw is Ahmed teruggekeerd naar zijn vaderland, wereldwijs, een kenner van de Duitse taal en zeden, onmisbare eigenschappen voor wie het in de toeristische sector aan de Turkse rivièra wil maken. Ahmed heeft in Duitsland drie tienerjongens achtergelaten van 15, 16 en 17 jaar die bij zijn ex-vrouw leven. Het is zeven jaar geleden dat hij hen gezien heeft. Maar misschien komen ze wel deze zomer, hoopt hij. In afwachting is er gelukkig facebook. Dat geluk valt het café van Altinkaya niet te beurt.

De baas klaagt over het teruglopend aantal toeristen dat Selge bezoekt. De boosdoener zijn de rafting-programma’s die tal van reisbureaus organiseren aan de Koprulu-canyon. Ze hebben voor de avontuurlijk aangelegde toerist een moeilijk te weerstaan aanbod:  je wordt opgehaald aan je hotel en over een afstand van Antalya tot Side naar de canyon in het natuurpark gevoerd. Daar krijg je al het nodige materiaal om de rivier veilig af te dalen in stevige rubberboten. Een lunch ’s middags is inbegrepen, net als een verzekering en desgewenst een zwempartijtje. ’s Avonds word je terug aan je hotel afgezet. En dat allemaal voor 20 euro. Het is een succesformule die voor trafiek zorgt langs de canyon, avontuur op het bulderende water en verteer in de restaurants, picknickplaatsen en winkeltjes die aan de canyon de jongste jaren zijn opgeschoten, want de drankjes zijn niet inbegrepen. In het rafting-pakket zit evenmin een bezoek aan Selge. En de ondervinding van de cafébaas leert dat toeristen die de canyon per boot zijn afgedaald, tijdens hun vakantie niet opnieuw het park intrekken voor een bezoek aan Selge. Als ze Romeinse ruïnes en amfitheaters willen zien, lijkt de site van het beter bewaarde Aspendos in de kustvlakte voor het Taurusgebergte daarentegen wel de nieuwste hit. Ook al is de toegang in tegenstelling tot Selge betalend.

Toch hebben wij hier van een unieke ervaring genoten, zeg ik tegen Ahmed. Een ware cultuurschok was het, nu ik er wat langer over heb nagedacht. Niet enkel omdat het onvoorstelbaar is dat hier op deze onherbergzame hoogte meer dan tweeduizend jaar geleden een stad heeft gebloeid.  Ik kan er nog altijd moeilijk bij dat het ruïneuze amfitheater met een capaciteit van tienduizend toeschouwers vaker moet zijn volgelopen voor cultureel hoogstaande voorstellingen dan het oud is. En daar bovenop kwam Altinkaya, waar de tijd is blijven stilstaan. Het is niet meer de Byzantijnse God die neerkijkt op de kudde, maar Allah die vanop de minaret zijn gelovigen aan hun plichten herinnert.  De mensen die hier wonen en hier willen blijven leven, overleven in stille afwachting van hun sterven.  

Ik denk dat de confrontatie met Altinkaya ook Ahmed even van zijn stuk heeft gebracht. Dat het land en de streek in volle opbouw waarin hij zijn brood verdient, achter de kustlijn bulkt van de achtergebleven gebieden is natuurlijk geen geheim.  Maar Ahmed is bezeten van die vooruitgang, droomt ervan zijn zaak verder uit te bouwen, zijn levensstandaard te verhogen, aan de toekomst te werken, ook voor zijn zonen. Hoog in de bergen kwam hij een ander gezicht van Turkije tegen, niet omdat het arm is, maar omdat het zucht, lijdt en wacht op de dood. Al waren er ook daar lichtpuntjes van herkenning: een zoon studeert in Izmir, de hoop om succesrijke geëmigreerde kinderen in Duitsland te kunnen bezoeken doet oude ogen twinkelen.

Ik daal de berg af, spijtig dat ik die nutteloze houten lepel van Fatima niet gekocht heb, een simpel artisanaal gebruiksvoorwerp dat van Selge tot Altinkaya niet is veranderd.