16-06-13

Suske en Wiske voor Het Paradijs

Om naar Venetië te gaan, moet je vroeg opstaan. Toch als je vanuit Charleroi vertrekt, met Ryan Air. De nuttige vlucht gaat om 6.40 u. Opstaan rond 4 u, beslissen we, om enige marge te houden. Nu ja, een koppel is maar één jaar in zijn leven twintig jaar getrouwd. Dan heb je er wel een pijnlijke wekker voor over als je naar zo’n droombestemming kan. Zeker als je nog een twintig jaar oude belofte moet inlossen.

Rond tien uur staan we dus al op de Piazzale Roma. En even later genieten we vanop een vaporetto op het Canal Grande van alle die schitterende palazzi waar we niet zullen verblijven. Ons hotel ligt op Lido, een eiland als een gedachtestreepje op de grens van de lagune. We hopen op goed weer, begin mei, dan kunnen we nog van het zonnetje genieten op het strand. We leveren onze handbagage (Ryan Air weet je wel) af, keuren de kamer goed en tijgen terug naar de Dogenstad. Op het San Marco-plein begint het te regenen. Dan maar eerst het Dogenpaleis bezoeken. Zestien euro inkom, zuchten we, exclusief telefoongids. Neen, mevrouw, die lerarenkaart geeft je hier geen korting. Toch vinden we het Dogenpaleis achteraf die zestien euro waard. We voelen ons Suske en Wiske in bewondering voor Het Paradijs van Tintoretto in die fenomenale Sala del Maggior Consiglio.

Terug op het plein waar de duiven schuilen voor de regen, besluit Greet een regencape te kopen. Een jongen die er Indisch uitziet vraagt 6 euro voor de luchtdicht opgevouwen exemplaren waarmee hij leurt.  Ik moet zo’n ding niet, maar ik moet amper bedanken of hij laat de prijs al zakken tot 2 euro. Greet geeft hem met een royaal gebaar toch 4 euro. Ik lijk wel een pmd-zak, zegt ze als ze zich in de lichtblauwe plastieken jas heeft gehuld. Maar je blijft wel droog, antwoord ik. Ik zie dat ze zich jeunt en dat maakt me blij.

In een hippe ijssalon proberen we een bellini bij een spelletje Regenwormen. Ik win royaal maar Greet vindt dat niet erg. Rijk en gelukkig kijken we om ons heen.  Wat regen houdt ons niet tegen! De volgende ochtend schijnt de zon on-Belgisch warm in onze nek, in een snel motorjacht naar Murano, het glaseiland. De boot kost evenveel als de zon en de gereputeerde glasblazerij waar we op afkoersen. De toeristen mogen er vanop tribunes de meester-glasblazers fotograferen. Het veel te lelijke glazen blaaswerk in de veel te ruime verkoopzalen achter het atelier is veel te duur. Greet verkiest voor weinig geld een hangertje in een winkeltje met een onverstaanbaar schattig glasblazertje in een vettige overall en een aardige dochter die de vreemde talen spreekt en grossiert in glimlachjes als ze de cadeautjes inpakt. Ze vinden het beiden hemels dat we naast de deur niets en in hun zaak iets kopen. Met een Spritz-aperitief genieten we van op een terras aan de Riva Longa van de boten en het water dat het kanaal naast ons en de planken onder onze voeten bevloeit.

Wat een stad, bezongen door grote kunstenaars zoals Ernest Hemingway, die trouwe klant was in de wie weet wel net om die reden volgens de reisgidsen nog altijd florerende Harry’s Bar, op een boogscheut van het San Marco-plein aan het Canal Grande. We struinen door de steegjes en over de bruggen, met een parcours voor ogen dat ik met veel moeite op de kaart terugvind. Met klokkentorens als oriëntatiepunten steken we bruggetjes over en flaneren we langs pleintjes die zich onverwacht openvouwen met een kerkje en wat trattoria’s of osteria’s. We eten in een osteria waar de gondeliers aan de toog snel een pint komen pakken.  We ontdekken in een volksbuurt op vijf minuten wandelen van de boothalte Fondamente Nuovo een trattoria waar we meteen voor de avond reserveren. Zonder onze naam te moeten opgeven, want de mama zal ons wel herkennen, zegt ze. We varen naar het Isola di San Giorgio Maggiore en reppen ons de campanile op met magistraal uitzicht op de stad en de lagune. Door de zoeker van de camera zien we elkaar genieten, drie dagen lang, nooit alleen.

In tegenstelling tot het publieke strand op Lido zijn we Harry’s Bar helaas vergeten aan te doen. Terug thuis rep ik me om Hemingway’s Over de rivier en onder de bomen (de originele titel was  Across the river and into the trees), zijn roman over een eendenjacht in Triëste waarin het hoofdpersonage, een net 51-jarige kolonel die het aan zijn hart heeft, herinneringen ophaalt aan het weekend dat hij in Venetië doorbracht met zijn 18-jarige geliefde gravinnetje. In het boek blijven die twee elkaar zo vaak zeggen hoe graag ze elkaar zien dat het op de duur gezeur wordt. Omdat zo’n liefde nu eenmaal onmogelijk kan blijven duren, bezwijkt de kolonel finaal aan een hartaanval. Gewoonlijk vind ik het boek beter dan de film maar, beste Ernest, het echte Venetië was beter dan jouw roman. Wij hebben elkaar in die romantische omgeving dan ook niet een keer moeten zeggen dat we van elkaar houden. Dat zagen we.

15-11-12

Maar buiten bleef het regenen

Vanochtend vroeg op de trein tussen Schaarbeek en Brussel-Noord las ik het volgende:

‘Hoor eens hoe het regent.’

‘Het regent hard.’

‘En je zult altijd van me houden, hé?’

‘Ja.’

‘En zal het er niets toe doen of het regent?’

‘Nee.’

‘Gelukkig. Want ik ben bang voor de regen.’

‘Waarom?’ Ik had slaap. Buiten viel de regen gestadig neer.

‘Ik weet het niet, liefje. Ik ben altijd bang geweest voor de regen.’

‘Ik houd ervan.’

‘Ik vind het fijn om erin te wandelen. Maar hij maakt het de liefde niet gemakkelijk.’

‘Ik zal altijd van je houden.’

‘Ik zal van je houden in de regen en in de sneeuw en in de hagel en… wat is er nog meer?’

‘Ik weet het niet. Ik geloof dat ik slaap heb.’

‘Ga maar slapen, liefje, en ik zal van je houden wat voor weer het ook is.’

‘Je bent niet echt bang voor de regen, hé?’

‘Niet als ik bij jou ben.’

‘Waarom ben je er bang voor?’

‘Ik weet het niet.’

‘Zeg het eens.’

‘Laat me maar.’

‘Zeg het eens.’

‘Nee.’

‘Zeg het eens.’

‘Goed. Ik ben bang voor de regen omdat ik er mezelf soms dood in zie.’

‘Nee.’

‘En soms zie ik jou er dood in.’

‘Dat is waarschijnlijker.’

‘Nee, niet waar, liefje. Omdat ik je kan beschermen. Ik weet dat ik dat kan. Maar niemand kan zichzelf helpen.’

‘Schei alsjeblieft uit. Ik wil niet dat je vannacht Schots en gek gaat doen. We zullen niet zo lang meer samen zijn.’

‘Nee, maar ik ben Schots en gek. Maar ik zal ermee uitscheiden. Het is allemaal onzin.’

‘Ja, het is allemaal onzin.’

‘Het is allemaal onzin. Het is alleen maar onzin. Ik ben niet bang voor de regen. Ik ben niet bang voor de regen. Ik ben niet bang voor de regen. O, o, God. Ik wou dat ik het niet was.’ Ze huilde. Ik troostte haar en ze hield op met huilen. Maar buiten bleef het regenen.

Toen ik dat gelezen had, moest ik het boek even neerleggen. Zo mooi. De trein stond inmiddels stil in Brussel-Noord. Ik had nog enkele pagina’s kunnen doorlezen tot in Brussel-Centraal. Maar ik wou  nog wat van die mooie woorden genieten. Toen viel me het idee te binnen om ze hier neer te schrijven. Zo. Dan zal ik nu eens beginnen aan het persoverzicht. Dat zal niet zo mooi zijn als die pagina uit Ernest Hemingway’s  Afscheid van de wapenen, de tragische liefdesgeschiedenis tussen een Amerikaanse luitenant en een Schotse verpleegster aan het Italiaanse front in de Eerste Wereldoorlog, die in 1929 voor het eerst als A farewell to arms werd gepubliceerd. Toe, lees het nog eens.