12-06-13

De fotoshoot

Een uur en een half liefst hadden ze uitgetrokken voor de fotoshoot. Tja, er moest toch een foto op de uitnodiging voor onze fuif! Allemaal vonden ze het een geweldig idee om de shoot in uniform te doen. Ik weet niet meer wie het idee had geopperd. Dus stonden we daar met z’n achten, zes van ’73 en twee van ’63, om ons te laten fotograferen.  Aan het  uitgespeelde lokaal dan nog dat zo oud is dat ik het, samen met de andere witte abraham, als enige nog mee had helpen bouwen.  

Van de acht vormen er twee een koppel. Ze hebben hun vier kinderen meegebracht. De kroost keek verwonderd toe hoe die grote mensen gek deden alsof ze terug op kamp mochten. De vier doorwinterde moeders kwekten opnieuw als de meisjes die ik groot heb zien worden. Twee van de mannen zie ik nog voor me, een eeuwigheid geleden onder mijn hoede in de horde. Nu lummelen er twee rijpe vaders onwennig in hun korte broek.   

Allemaal, mezelf uitgezonderd, hebben ze botinnen aangeregen, enkele meisjes weliswaar zonder de Noorse sokken die daar bij horen en dat is geen gezicht. Twee vrouwen in een spannend gidsenrokje. Eentje in een witte lange broek. Maar die moest zich nog omkleden. Na al die jaren maakte ze zich er nog altijd druk over dat we haar onderbroek zouden kunnen zien.  Achter de deur van een auto dan maar. Afgeschermd van de vrienden maar niet van de openbare weg.

‘Een witte van de Zeeman?’

‘Nee, een vleeskleurige.’

En ze vroeg zich natuurlijk ook af of haar gat niet te dik zou zijn voor die rok. Zoals iedereen al op voorhand had gezien, pasten de billen er nog altijd in. Om plezant te doen was er dan wat discussie over de vraag of haar borsten nu dikker of magerder waren geworden. Ik wilde vragen of we ze eens mochten zien maar ik beet op het laatste nippertje op mijn lippen. De humor is er met de jaren niet fijner op geworden maar brengt nog altijd lachspieren in beweging.

Ook de fotograaf was opgewekt en toeschietelijk zoals buitenstaanders dat bij een nieuwe liefde graag zien. Hij fotografeerde ons geduldig op een vieze sofa voor dat verkrotte lokaal, tussen de struiken (‘oei pas op voor de netels!’) en in wankel evenwicht op een muurtje van zowat anderhalve meter waarop iemand angstig roept ‘oei zo hoog!’ Als we daar staan te balanceren trekt een dochter die het beu is toeschouwer te moeten zijn bij een spelletje van grote mensen haar zusje bij het haar. Het kind weent luid. Het meisje op de muur wordt terug moeder en vergeet haar hoogtevrees.

Een van de veertigers klimt in een boom. Nog voor ik besef dat we daar met z’n achten toch niet allemaal in kunnen, laat ik me kennen. Ik klim hem fluks achterna en ga nog hoger postvatten. ‘Kijk daar, dat is natuurlijk een Dejaegher’, zegt de man in korte broek onder me. Hij heeft gelijk, ik kan het nog altijd niet laten. Maar ik wist niet dat het in de familie zat.

De fotograaf heeft inmiddels tientallen foto’s getrokken. Genoeg. Zijn vriendin opent een tas waarin ik schmink en toiletgerief had vermoed. Pintjes! Wat een goed idee. Snel opdrinken, het anderhalf uur is bijna om en een van de dochters zaagt dat de Kampioenen al begonnen zijn. Als we terug naar de auto’s lopen legt de vrouw met de vleeskleurige onderbroek haar hand op mijn arm. ‘Of ik over de fotoshoot geen blog wil schrijven?’

‘Ben je wel zeker dat jij daar in wil voorkomen?’

‘Oh, ik kan wel tegen een stootje hoor!’

‘Ja, maar toch ga ik het niet doen. Er is hier toch niks bijzonders gebeurd.’

En nu denk ik daar dus anders over. We hebben ons reuze geamuseerd. En het beste moet nog komen.

20:01 Gepost door peter in vriendschap, Vrije tijd | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook | | |

20-04-13

De laatste nacht van Philippe

-          Was jij niet verkleed in Sinterklaas?

Philippe is terug wakker. De vraag verrast me. Natuurlijk niet, ik lig van op het plooibed gewoon  naar hem te kijken.

-          Ah, dan zal ik dat gedroomd hebben.

Even zwijgen we. Maar ik ben nu wel nieuwsgierig.

-          Wat heb je dan gedroomd?

-          Wel, het was een rare droom, hoor.

Hij slikt even, het praten gaat niet zo gemakkelijk. 

-          Jij was net terug van een geheime diplomatieke missie. Daarom was je verkleed in Sinterklaas. En je moest ergens mensen gaan redden.

Ik glimlach. Wat een verbeelding spreekt uit die woorden.  Philippe trekt zich recht aan de stang boven zijn hoofd. Hij wil drinken. Of gewoon zijn mond spoelen. Ik spring van het plooibed om hem te helpen moest dat nodig zijn.

In het vijfde studiejaar van de nieuwe school in ons nieuwe dorp belandde ik voor het eerst bij Philippe in de klas. We leerden elkaar goed kennen in Don Bosco en vooral bij de scouts.

Philippe is altijd een verkenner gebleven. Hij exploreert als eerste de laatste trendy toestellen. Hij experimenteert met nieuwe computertoepassingen. Maar hij is evengoed verzot op het leren van nieuwe gezelschapsspellen. Hij loopt op van die gekke schoenen met een bolle zool. Hij beslist van de ene op de andere dag macrobiotisch te gaan eten. Hij heeft oog voor het nieuwe waar wij ons verheugen over het bekende. Hij wil proeven van het vreemde als wij teruggrijpen naar het vertrouwde.

Philippe is de man die moet doen wat een man moet doen: hij gaat door het leven zoals hij dat wil. Hij volgt zijn principes in daden en, vaker in zijn eigen jeugd dan als vader, in luide en hoge woorden.  En hij is genereus in alles wat er in het leven echt toe doet:  hij komt aandraven met creatieve cadeaus, baksels, kalenders of verjaardagkaartjes waarvoor hij op geen moeite of tijd kijkt. Hij doet wat in zijn macht ligt als je op hem een beroep doet. Hij rijdt in een sneeuwstorm heen en weer naar Oud-Heverlee om zo toch nog héél de familie rond de kerstboom te krijgen. Hij stelt vragen die van oprechte interesse getuigen. Hij neemt en schenkt tijd voor het diepe leven, en liefst ook nog een goed glas bier.

Ook die laatste nacht komt de verkenner in Philippe naar boven. Als ik om half vier wakker schiet, zit Philippe in de stoel rechtover zijn bed. Hij is al de hele nacht erg rusteloos. Hij kan soms geen ogenblik in dezelfde houding blijven liggen of zitten.

-          Gaat het, Philippe?

Ik krijg geen duidelijk antwoord. Hij zet zich moeizaam recht en sloft met zijn staander niet naar zijn bed maar naar de deur.

-          He, waar ga je naar toe?

Ik spring recht. Philippe loopt de kamer uit en slaat links af. Ik ben bij hem als hij halt houdt aan enkele rolstoelen, drie, vier meter voorbij zijn kamerdeur. Hij wijst er een aan.

-          Wil je daar eens proberen in te zitten?

De vraag is nogal overbodig. Ik plooi de rolstoel open. Ik zet de voetsteunen recht als hij zich heeft laten zakken. Ik peuter de baxter van de staander en hang hem aan de rolstoel.

-          Zijn er geen kuitsteunen aan?

-          Neen.

-          Water?

Wat verder is het fonteintje. Hij wil een gevuld bekertje en een leeg spuugbekertje.

-          Wil je misschien eens een toertje doen door de gang?

Hij knikt.

-          Branddeken.

Eerst denk ik dat ik het niet goed verstaan heb. Waarom heeft hij nu een branddeken nodig? Ik kijk rond of ik de nachtverpleegster ergens zie. Maar die zou ons wel prompt naar de kamer terugsturen, denk ik.  Het ziekenhuis lijkt helemaal verlaten. Maar Philippe wijst rechtdoor. Een beetje verder, om een hoek, zie ik branddekens liggen. Ik rijd hem ernaartoe. Ik neem het bovenste rode deken in mijn handen.

-          Moet je dat hebben?

Hij schudt zijn hoofd en wijst naar de plastieken zakken met moltons die onder het branddeken liggen gestapeld. Ik scheur een zak met moltons open. Hij tracht de doek over zijn benen en buik te draperen. Ik help hem de molton goed te leggen.

-          Gaan we eens wandelen?

-          Ja, goed idee.

Pas nu begrijp ik dat dit al de hele tijd zijn bedoeling was. Hij wijst resoluut de weg. We volgen de pijltjes richting ‘uitgang’.

-          Nemen we de lift?

Een duidelijke knik. We nemen de lift naar de eerste verdieping, waar de uitgang is. We gaan de lange gangen door, blijven de pijlen volgen. Geen levende ziel te bekennen in het hele hospitaal. Het lijkt of we ons in een andere wereld bevinden.  Bijna aan de trappen naar de reusachtige gelijkvloerse onthaalruimte met de hoofdin- en uitgang, stuiten we op een gesloten glazen deur. Ik weet dat die deur dankzij een elektronisch oog opengaat  als je dichterbij komt en zich sluit als je gepasseerd bent. Maar ik weet ook dat als je op dit onchristelijk uur op je schreden terug wil keren, die deur niet meer automatisch openschuift. Dan moet je de trap af naar de nachtwaker om ze manueel te laten openen. Dat is niet verstandig, bedenk ik. Wie weet krijgen we daarmee geen last. Want wat hebben een graatmagere patiënt in een rolstoel en een onbekende bezoeker op dit moment in de onthaalruimte van Gasthuisberg verloren?

-          Ik denk dat we best terugkeren. Want als we die deur doorgaan, kunnen we niet meer terug.’

Philippe protesteert niet. We vatten de terugtocht door de eenzame en lege gangen aan, hij met de twee plastieken bekertjes in zijn handen en de molton op zijn benen. We hebben op onze geheime missie niemand gezien en niemand heeft ons gezien. Zo denken we toch.

Als we elk terug in ons bed liggen, Philippe in het hospitaalbed en ik ernaast in het plooibed, blijven we stil naar het plafond kijken. Hij ademt zwaar door zijn mond. Ik weet dat hij blij is dat hij straks naar huis mag. Was het al maar zover, denkt hij ongetwijfeld. Zijn borst gaat hoog op en neer. 

Zie ons hier liggen, valt me ineens te binnen. Meer dan dertig jaar geleden hebben we zo ook eens samen een vrijwel slapeloze nacht doorgebracht.  We waren als 17-jarige verkenners op tweedaagse in het kleine Franse stadje Rethel, halverwege Reims en Charlesville-Mézières. Onze patrouille had een leegstaande krotwoning uitgekozen als overnachtingsplaats. In het krot stond een beddenbak met een ijzeren vering in maar zonder matras. Philippe en ik palmden dit bed in. We prezen ons gelukkig. Want de anderen moesten het doen met wat vergeelde kranten op de koude tegels. Maar ondanks onze slaapzak konden we op die ongelijke harde ijzeren veren evenmin de slaap vinden. Bovendien rolden we door de put die we met ons gewicht in de vering maakten, voortdurend in elkaars richting. En op zoiets wilden we ons geen van beiden laten betrappen.

Ik hoor Philippe zuchten en draai mijn hoofd opzij.

-          Weet je nog, meer dan dertig jaar geleden, op tweedaagse in Rethel?

-          Rethel? Dat zegt me iets ja.

Ik vertel hem over het bed zonder matras.  Aan zijn reactie hoor ik dat hij er plezier aan beleeft die herinnering op te rakelen.

-          Was dat dan tijdens het kamp van Achet?

-          Ja, ik denk het.

-          En nu kunnen we ook niet slapen.

-          Ja, daarom dacht ik er ineens aan.

Na de middag verslechtert de toestand van Philippe plots. Net vóór de ambulance hem naar huis zou brengen om er in vrede met zicht op de tuin te kunnen sterven, overlijdt hij toch nog onverwacht snel in het ziekenhuis.

Hoe spijtig dat er in deze wereld geen Sinterklaas was om op geheime missie mijn vriend die mijn schoonbroer was, uit de klauwen van de maagkanker te redden.

08:23 Gepost door peter in Liefde, vriendschap | Permalink | Commentaren (6) |  Facebook | | |