16-06-13

Suske en Wiske voor Het Paradijs

Om naar Venetië te gaan, moet je vroeg opstaan. Toch als je vanuit Charleroi vertrekt, met Ryan Air. De nuttige vlucht gaat om 6.40 u. Opstaan rond 4 u, beslissen we, om enige marge te houden. Nu ja, een koppel is maar één jaar in zijn leven twintig jaar getrouwd. Dan heb je er wel een pijnlijke wekker voor over als je naar zo’n droombestemming kan. Zeker als je nog een twintig jaar oude belofte moet inlossen.

Rond tien uur staan we dus al op de Piazzale Roma. En even later genieten we vanop een vaporetto op het Canal Grande van alle die schitterende palazzi waar we niet zullen verblijven. Ons hotel ligt op Lido, een eiland als een gedachtestreepje op de grens van de lagune. We hopen op goed weer, begin mei, dan kunnen we nog van het zonnetje genieten op het strand. We leveren onze handbagage (Ryan Air weet je wel) af, keuren de kamer goed en tijgen terug naar de Dogenstad. Op het San Marco-plein begint het te regenen. Dan maar eerst het Dogenpaleis bezoeken. Zestien euro inkom, zuchten we, exclusief telefoongids. Neen, mevrouw, die lerarenkaart geeft je hier geen korting. Toch vinden we het Dogenpaleis achteraf die zestien euro waard. We voelen ons Suske en Wiske in bewondering voor Het Paradijs van Tintoretto in die fenomenale Sala del Maggior Consiglio.

Terug op het plein waar de duiven schuilen voor de regen, besluit Greet een regencape te kopen. Een jongen die er Indisch uitziet vraagt 6 euro voor de luchtdicht opgevouwen exemplaren waarmee hij leurt.  Ik moet zo’n ding niet, maar ik moet amper bedanken of hij laat de prijs al zakken tot 2 euro. Greet geeft hem met een royaal gebaar toch 4 euro. Ik lijk wel een pmd-zak, zegt ze als ze zich in de lichtblauwe plastieken jas heeft gehuld. Maar je blijft wel droog, antwoord ik. Ik zie dat ze zich jeunt en dat maakt me blij.

In een hippe ijssalon proberen we een bellini bij een spelletje Regenwormen. Ik win royaal maar Greet vindt dat niet erg. Rijk en gelukkig kijken we om ons heen.  Wat regen houdt ons niet tegen! De volgende ochtend schijnt de zon on-Belgisch warm in onze nek, in een snel motorjacht naar Murano, het glaseiland. De boot kost evenveel als de zon en de gereputeerde glasblazerij waar we op afkoersen. De toeristen mogen er vanop tribunes de meester-glasblazers fotograferen. Het veel te lelijke glazen blaaswerk in de veel te ruime verkoopzalen achter het atelier is veel te duur. Greet verkiest voor weinig geld een hangertje in een winkeltje met een onverstaanbaar schattig glasblazertje in een vettige overall en een aardige dochter die de vreemde talen spreekt en grossiert in glimlachjes als ze de cadeautjes inpakt. Ze vinden het beiden hemels dat we naast de deur niets en in hun zaak iets kopen. Met een Spritz-aperitief genieten we van op een terras aan de Riva Longa van de boten en het water dat het kanaal naast ons en de planken onder onze voeten bevloeit.

Wat een stad, bezongen door grote kunstenaars zoals Ernest Hemingway, die trouwe klant was in de wie weet wel net om die reden volgens de reisgidsen nog altijd florerende Harry’s Bar, op een boogscheut van het San Marco-plein aan het Canal Grande. We struinen door de steegjes en over de bruggen, met een parcours voor ogen dat ik met veel moeite op de kaart terugvind. Met klokkentorens als oriëntatiepunten steken we bruggetjes over en flaneren we langs pleintjes die zich onverwacht openvouwen met een kerkje en wat trattoria’s of osteria’s. We eten in een osteria waar de gondeliers aan de toog snel een pint komen pakken.  We ontdekken in een volksbuurt op vijf minuten wandelen van de boothalte Fondamente Nuovo een trattoria waar we meteen voor de avond reserveren. Zonder onze naam te moeten opgeven, want de mama zal ons wel herkennen, zegt ze. We varen naar het Isola di San Giorgio Maggiore en reppen ons de campanile op met magistraal uitzicht op de stad en de lagune. Door de zoeker van de camera zien we elkaar genieten, drie dagen lang, nooit alleen.

In tegenstelling tot het publieke strand op Lido zijn we Harry’s Bar helaas vergeten aan te doen. Terug thuis rep ik me om Hemingway’s Over de rivier en onder de bomen (de originele titel was  Across the river and into the trees), zijn roman over een eendenjacht in Triëste waarin het hoofdpersonage, een net 51-jarige kolonel die het aan zijn hart heeft, herinneringen ophaalt aan het weekend dat hij in Venetië doorbracht met zijn 18-jarige geliefde gravinnetje. In het boek blijven die twee elkaar zo vaak zeggen hoe graag ze elkaar zien dat het op de duur gezeur wordt. Omdat zo’n liefde nu eenmaal onmogelijk kan blijven duren, bezwijkt de kolonel finaal aan een hartaanval. Gewoonlijk vind ik het boek beter dan de film maar, beste Ernest, het echte Venetië was beter dan jouw roman. Wij hebben elkaar in die romantische omgeving dan ook niet een keer moeten zeggen dat we van elkaar houden. Dat zagen we.

12-06-13

De fotoshoot

Een uur en een half liefst hadden ze uitgetrokken voor de fotoshoot. Tja, er moest toch een foto op de uitnodiging voor onze fuif! Allemaal vonden ze het een geweldig idee om de shoot in uniform te doen. Ik weet niet meer wie het idee had geopperd. Dus stonden we daar met z’n achten, zes van ’73 en twee van ’63, om ons te laten fotograferen.  Aan het  uitgespeelde lokaal dan nog dat zo oud is dat ik het, samen met de andere witte abraham, als enige nog mee had helpen bouwen.  

Van de acht vormen er twee een koppel. Ze hebben hun vier kinderen meegebracht. De kroost keek verwonderd toe hoe die grote mensen gek deden alsof ze terug op kamp mochten. De vier doorwinterde moeders kwekten opnieuw als de meisjes die ik groot heb zien worden. Twee van de mannen zie ik nog voor me, een eeuwigheid geleden onder mijn hoede in de horde. Nu lummelen er twee rijpe vaders onwennig in hun korte broek.   

Allemaal, mezelf uitgezonderd, hebben ze botinnen aangeregen, enkele meisjes weliswaar zonder de Noorse sokken die daar bij horen en dat is geen gezicht. Twee vrouwen in een spannend gidsenrokje. Eentje in een witte lange broek. Maar die moest zich nog omkleden. Na al die jaren maakte ze zich er nog altijd druk over dat we haar onderbroek zouden kunnen zien.  Achter de deur van een auto dan maar. Afgeschermd van de vrienden maar niet van de openbare weg.

‘Een witte van de Zeeman?’

‘Nee, een vleeskleurige.’

En ze vroeg zich natuurlijk ook af of haar gat niet te dik zou zijn voor die rok. Zoals iedereen al op voorhand had gezien, pasten de billen er nog altijd in. Om plezant te doen was er dan wat discussie over de vraag of haar borsten nu dikker of magerder waren geworden. Ik wilde vragen of we ze eens mochten zien maar ik beet op het laatste nippertje op mijn lippen. De humor is er met de jaren niet fijner op geworden maar brengt nog altijd lachspieren in beweging.

Ook de fotograaf was opgewekt en toeschietelijk zoals buitenstaanders dat bij een nieuwe liefde graag zien. Hij fotografeerde ons geduldig op een vieze sofa voor dat verkrotte lokaal, tussen de struiken (‘oei pas op voor de netels!’) en in wankel evenwicht op een muurtje van zowat anderhalve meter waarop iemand angstig roept ‘oei zo hoog!’ Als we daar staan te balanceren trekt een dochter die het beu is toeschouwer te moeten zijn bij een spelletje van grote mensen haar zusje bij het haar. Het kind weent luid. Het meisje op de muur wordt terug moeder en vergeet haar hoogtevrees.

Een van de veertigers klimt in een boom. Nog voor ik besef dat we daar met z’n achten toch niet allemaal in kunnen, laat ik me kennen. Ik klim hem fluks achterna en ga nog hoger postvatten. ‘Kijk daar, dat is natuurlijk een Dejaegher’, zegt de man in korte broek onder me. Hij heeft gelijk, ik kan het nog altijd niet laten. Maar ik wist niet dat het in de familie zat.

De fotograaf heeft inmiddels tientallen foto’s getrokken. Genoeg. Zijn vriendin opent een tas waarin ik schmink en toiletgerief had vermoed. Pintjes! Wat een goed idee. Snel opdrinken, het anderhalf uur is bijna om en een van de dochters zaagt dat de Kampioenen al begonnen zijn. Als we terug naar de auto’s lopen legt de vrouw met de vleeskleurige onderbroek haar hand op mijn arm. ‘Of ik over de fotoshoot geen blog wil schrijven?’

‘Ben je wel zeker dat jij daar in wil voorkomen?’

‘Oh, ik kan wel tegen een stootje hoor!’

‘Ja, maar toch ga ik het niet doen. Er is hier toch niks bijzonders gebeurd.’

En nu denk ik daar dus anders over. We hebben ons reuze geamuseerd. En het beste moet nog komen.

20:01 Gepost door peter in vriendschap, Vrije tijd | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook | | |

18-10-12

Ze werden veertig en vonden het fantastisch

De meesten had ik in 23 jaar niet gezien. Hun namen kreeg ik niet allemaal meer uit mijn geheugen opgediept, behalve de namen van mijn dorpsgenoten. Die kende ik al van jongsaf en ik liep ze nadien soms nog tegen het lijf, in het station, op café, op een of andere fuif voor oudere mensen, en een robbedoesje heeft het zelfs tot schoonzus geschopt. Deze blog draag ik op aan Peggy, van wie ik ’s anderendaags hoorde dat ze ziek thuis haar kas zat op te fretten.

De vier co-begeleiders zijn vanzelfsprekend op de mooiste plaatsen in mijn memorie gegrift. Natuurlijk, mijn broer was erbij.  Achteraf bekeken deden we dat heerlijke jaar volgens mij voor het eerst samen iets dat we alle twee belangrijk vonden, zonder dat ik me zes jaar ouder moest voelen, voor mij was dat het laatste jaar, hij deed er nog enkele bij. Ook met de andere drie vond ik bij elk sporadisch weerzien in die kleine kwarteeuw snel de vertrouwde golflengte terug van uitgelaten geborgenheid die zo ingetogen voelt en met een simpel woord vriendschap heet. 

Iemand had voor wat dia’s gezorgd en een beamer. De mooiste vond ik de ordeloze veelkleurige troep slaapzakken op een dik, bruin, zacht bed van naalden in het ochtendlicht onder hoge dennenkruinen. Hoewel je het op de dia niet kon zien hoorde ik nog wat lager de Semois ruisen. En ’s morgens werden we gewekt door wandelaars die de GR langs de rivier volgden.

Dia’s van kajaks, van een partijtje catch met bruine zeep, een death ride bij de para’s, een hoop mensen op elkaar in een spel dat boortoren heet. Jonge mannen en vrouwen klimmend op de rotsen, gesticulerend voor hun tent, zittend op elkaars schoot, ad fundums van het leven drinkend op de tournée générale die een scoutskamp op die wonderlijke leeftijd is.

Kijk, zei nog iemand, ik heb mijn konijntje aan. Het betrof een hangertje met een glanzend zwart beeldje van een konijn aan. Zegt het je niets? Ik fronste. Intussen werd de groepsfoto geprojecteerd.  Teveel mensen om toeval te zijn droegen een gifgroene sweater. Ach ja, die uniformsweater. Met het konijn op dat waf! zegt. Het zal de enige dia zijn waarop ik mezelf herken, nog met een veel te grote uilenbril.

Een van de meisjes heeft ook een bril op. Ik herinner me niet meer of dat toen ook al zo was.  De manier waarop ze lacht en haar grappige wipneus herken ik wel. En ook de manier waarop ze danst, heftig, hoekig, vrijgevochten, nog altijd een lust voor het oog.

Een ander zie ik terug voor me zonder haar. Verloren bij het kruipen door het oog van een naald met leukemie, vertelt ze lichtvoetig als ging het om een verkoudheid, en dat haar is nooit teruggekeerd. Ze kan er mee lachen want nu voelt ze zich lekker en ze koestert hoge verwachtingen van de volgende dag. Ik ook.

Op een dia staat een zwartharige met een gebruind velletje zo mooi  als alleen jonge meisjes dat kunnen te lachen naar het leven dat haar wacht. Haar haar is nog even zwart en haar huid nog donker als ze plots naast me opduikt op de dansvloer. Ze danst niet veel maar uitgelaten, losgebroken. Kijk daar, wijs ik naar haar dia. Ze lacht terug. Je lacht nog altijd jong denk ik, maar wellicht heeft je leven je inmiddels omsingeld.

Dat is het verschil met 23 jaar geleden. Hun leven is al dan niet bewust, al dan niet gewild een richting uitgevloeid waarvan geen weg terug bestaat. Drie kinderen heeft de ene intussen, vier de andere. Sommigen hebben peuters, anderen hebben al een humaniorastudent, of twee, de meesten een loopbaan die niet langer alle kanten uit kan. De spring-in-t-velds van toen kregen moederheupen. Een schelmse jongenslach schuilt nog onder een schitterende schedel.

Zo spijtig dat Wim niet kon komen. Een van de meisjes nam de foto van de leiding van de districtsjin uit 1989-1990 dan maar met vier in plaats van vijf. Nu die geweldige groep van 17- en 18-jarigen van toen veertig is geworden, ziet deze gewezen scoutsleider de vijftig naderen. Nog altijd met dromen en grote verwachtingen.

21:30 Gepost door peter in Vrije tijd | Permalink | Commentaren (1) |  Facebook | | |

13-09-12

Een duivels avondje

Met gemiddeld  1.136.121 kijkers voor België-Kroatië en een piek van 1.367.215 aan het einde van de wedstrijd, hebben de Rode Duivels hun hoogste kijkscore behaald sinds 14 november 2001. Toen won België met 0-1 van Tsjechië en plaatsten de Duivels zich voor het WK 2002 in Japan en Zuid-Korea. Dat lees ik in Het Laatste Nieuws.

Met zeven stuks van de dinsdagavond-vrienden bevond ik me bij het meer dan een miljoen supporters. Aan de voordeur van de Winnie, de jongste dinsdagavond-vriend bij wie we hadden afgesproken, hing een groot wit papier met deze boodschap: Rode Duivels-fans langs achter, Kroatië-fans hiernaast bellen en wachten tot er opengedaan wordt. De sfeer zat erin. Voor alle duidelijkheid: zoals verder zal blijken is het geen toeval dat de bijnaam Winnie niet afkomstig is van die oude gewezen zuurpruim van die nog oudere Nelson Mandela, het is gewoon een afkorting van de familienaam Winnelinckx.

De Winnie had dankzij de beamer van de scouts waarover hij waakt, zijn huiskamer tot home cinema omgetoverd. Het rijtje mini-schoenen aan het tuinraam en de plastic bakken speelgoed (was het lego of playmobil?) waarop de beamer perfect gericht klaarstaat, wekken weemoedige herinneringen aan de tijd dat mijn jongvolwassen dochters kleuters waren. Waar is de tijd? Gelukkig helpt dan meestal een goudgele Duvel.

Het nationaal volkslied. Natuurlijk zingt niemand mee. Zelfs prins Filip niet. Premier Di Rupo bazelt wat, in het Nederlands of het Frans, dat is niet duidelijk maar we hebben een vermoeden. Eerste pass van Gillet. De mist in. Ik bedenk een running gag die na enkele keren overgenomen wordt. Telkens Gillet in de buurt van de bal komt, of zelfs dreigt te komen, lever ik kritiek op de Anderlecht-speler. Ik ben namelijk supporter van Club Brugge, een ploeg die (net als alle andere ploegen van de Jupiler League op Anderlecht na) niemand op het veld heeft staan om aan te moedigen. Wel een ex-speler: Perisic. Geen wonder dat hij na zes minuten scoorde. Ik geef het toe, spijtig genoeg voor Kroatië.

De Winnie, die er zoals gewoonlijk in is geslaagd zich naast mij te wurmen, krijgt het van mij op zijn heupen. Daarvoor doe ik het immers. ‘Wanneer gaat gij eens ophouden met uw negatieve opmerkingen?’ De jongste dinsdagavond-vriend is namelijk een echte Rode Duivelsfan. Met duimspijkers hangt er een poster van de nationale ploeg op een deur in zijn living. Echt waar. Hij leeft mee met de duivelsuitdagingen, iets waarvan ik alleen maar heb gehoord.

Het is bijna half time. België krijgt in de 46ste minuut of zo een allerlaatste hoekschop. De bal wordt uit het strafschopgebied weggewerkt. Daar vlamt een Rode Duivel hem in de rebound recht in de winkelhaak. Gillet! Gejuich! Wereldgoal!

Wat een afgang. Gelukkig zorgt in de rust een filmpje met premier Di Rupo in de hoofdrol voor welkome afleiding. Achternagelopen door een raadselachtige lange rijzige man in een lange grijze jas die ook al naast hem zat op de tribune, en die niemand kent, in tegenstelling tot de partner van Kompany, neemt de premier een bain de foule. Rode Rode Duivelsfans omstuwen hem. ‘De nationale ploeg is heel, heel belangrijk voor ons land’, zegt Di Rupo glunderend. Iemand zet hem een knalgeel petje op zijn hoofd met daarop:  I am a rockstar. De dinsdagavond-vrienden schateren. ‘Ik dacht even dat er opstond: Vlaanderen onafhankelijk!’, zeg ik. ‘Eerst in 2014 naar Brazilië’, antwoordt iemand.

’s Anderendaags merk ik op facebook een post van de Winnie: een foto van een plateau lege Duvel-, Hopus-, Primus- en Chimay-flesjes. En de boodschap: ‘de Gillet-fanclub heeft genoten’. Vind ik leuk.

21:15 Gepost door peter in Actualiteit, sport, Vrije tijd | Permalink | Commentaren (0) | Tags: rode duivels, kroatië, gillet, di rupo |  Facebook | | |

29-08-12

Kamperen aan de Semois

Niets heerlijkers dan een paar dagen comfortloos kamperen aan de Semois met mijn jongste om de vakantie af te sluiten. In de diepe Ardennen wanen we ons in een buitenland dat helemaal anders is dan het drukke, dichtbevolkte en overgereglementeerde Vlaanderen. Het plekje waar ons gezinnetje van oudsher zijn tentje opslaat, heet Herbeumont, aan de oevers van de Semois. Dwars over de langgerekte kampeerweide beneden in het dal strekt zich van heuvelrug naar heuvelrug een oude bakstenen spoorbrug uit. Vandaag bezorgt ze wandelaars, mountainbikers en joggers ontspanning en drukt ze haar romantische stempel op de camping. Vroeger zorgde de spoorbedding dankzij een kilometerlange tunnel ook nog voor gezellig gegriezel met de kinderen, maar de treinpijp op enkele steenworpen van de brug is al enkele jaren geleden om veiligheidsredenen afgesloten.

De wijde omgeving is ongerepte natuur zoals je die in het vlakke Vlaanderen mist. Op onze langste wandeling dwaalden we er vijftien kilometer in rond en kwamen enkel op het laatste stuk drie mensen tegen, toen de weg al verhard was. Voor een prikje huurden we kajaks waarmee we de rivier afdaalden in het prachtige decor, met af en toe een visser en een reiger die ons nieuwsgierig met brede klapwieken vooropvloog. Waar in Vlaanderen valt  honderd meter verder een rode wouw uit de lucht om naar de flits van een forel te duiken?  Of word je nog koud gepakt zoals aan de barrage aan de Rocher du Chat, die de neus van de kajak diep in de rivier duwt en de bodem van boot en mens onder water zet?

Op de camping leven zoals altijd de meest verscheiden mensen op een kluitje bij elkaar. Opgedeeld per tent, camper of caravan ontsteken ze ’s avonds op een langgerekt rijtje langs de oever hun eigen houtvuur, zonder zich zoals in Vlaanderen zorgen te maken over de CO2-uitstoot. Een groepje jongeren met hanenkammen, piercings en tatoeages  zont, zwemt en feest het weekend door en slaapt zijn roes uit in smijt- en gooitentjes.

Waalse marginalen luieren de dag door, stappen plots in een gammele berlingo en komen terug met blikjes bier en kratjes duvel. Maar pas op voor het cliché: je herkent ze ook in volle concentratie over een spelletje schaak, op het terras van de taverne bij een Orval. Ze hebben een radio waarop alleen rockmuziek van de jaren zeventig te horen is. Ze geloven dat het hun opdracht is dj te spelen voor de hele camping. Af en toe zingen ze uit volle borst mee. Nights in white satin, A whiter shade of pale.

Ook Vlaamse marginalen zijn er vaste klant. Op krukken en met een zaag trekt er een het bos in, zogezegd om sprokkelhout, dat ze wat later aan hun caravan met een elektrische kettingzaag op maat van hun vuurkorf zagen. Zo kunnen ze tot een stuk in de nacht onder de magistrale maar koude Waalse sterrenhemel behaaglijk uno spelen, elk met een lamp op hun hoofd. Van kou rillend in onze oude aldi-slaapzakken horen we hen vloeken en lachen.

Nederlanders slagen er ondanks hun luxueuze uitrusting maar amper in de vlam in hun kampvuur te krijgen. Als ik ’s morgens vroeg zorgelijk naar de wolkenhemel sta te kijken, verzekert onze buur me met zijn Hollandse arrogantie dat de buienradar de hele dag droog weer geeft. Om het te kunnen bewijzen heeft hij zijn ipad in de hand, maar ik ontneem hem zijn glorie door hem voetstoots te geloven. ‘Ik kan wel niet garanderen dat de zon zal schijnen, dat vertelt de buienradar niet’, lacht hij. Als het een kwartier later pijpenstelen regent schuilt superman in zijn caravan.

Regen of geen regen, een jonge Duitser staat de hele dag met heuplaarzen in de Semois ingespannen te vliegvissen, zonder iets te vangen. ‘Het is een passie’, verzekert hij. Een Waals gezin met drie jengelende kinderen denkt dat de hele camping hun terrein is. Af en toe komen hun ouders, welwillend bonjour zeggend, ze terug wegplukken van de kampeertafel achter onze tent. Die staat, toegegeven, uitgerekend aan het meest kindvriendelijke dammetje met de meeste wilde eenden opgesteld.

De gasten vinden de camping van Arno geweldig. Ik ken Arno al zo’n dertien jaar, ongeveer van toen hij met de camping begon. In die tijd kwamen er op zijn camping een vrouw en kinderen bij, een taverne en een frituur en een sanitaire blok die er intussen alweer verloederd bijligt, net als zijn bureau, zijn materiaalhok, de afvalcontainerhoek,... laat het ons voor de welvoeglijkheid hier bij houden. Maar het Nederlands van Arno is over de jaren fel verbeterd terwijl mijn Frans nog is verslechterd.

Als hij ons in zijn jeep met een trailer kajaks erachter naar de vertrekplaats voor de kajakvaart brengt, klaagt Arno steen en been over de toenemende stroom aan Waalse reglementeringen waar hij zich moet naar trachten te schikken. Ik frons. Hij krijgt regelmatig inspectie van de bevoegde Waalse gewestdiensten. Er scheelt altijd wel iets maar wat er dan precies moet veranderen, daar hebben de inspecteurs nooit een concreet antwoord op, zo beweert hij althans. 

‘Stel je voor, nu willen ze dat ik meer groen aanplant. Maar mijn camping ligt te midden van het groen, als je vanuit de diepte van dit dal rond je kijkt zie je niets anders dan bossen, bijna tot aan de hemel.’ Volgende week komt de  inspectie terug langs. Hij moet tegen dan zijn standplaatsen afgebakend hebben met bordjes. ‘Mais je m’en fous’,  klopt hij zich op de borst.  ‘Als ik daarmee begin, verander ik het karakter van mijn camping, met veel doortrekkers en waar de vrijheid regeert.’ Dat is waar, denk ik, met alle voor- en nadelen.

Maar wat als ze je vergunning intrekken, vraag ik hem. ‘Oh, on verra, on verra.’ Hij trekt zijn handrem op omdat er enkele koeien over de weg lopen en toetert hen luid terug de wei in. Als hij mijn vragende blik ziet, lacht hij. ‘Oh ja, mijn rem is kapot en in de garage konden ze hem niet onmiddellijk repareren. Dus rem ik maar met de handrem.’ Wat een vrij land van plantrekkers is dit toch, zo anders dan Vlaanderen en toch zo vertrouwd. 

19:51 Gepost door peter in reizen, Vrije tijd | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook | | |

20-08-12

Rood rockt!

Mijn vrouw leest in de krant meestal de helft die ik oversla en omgekeerd.  Goed gemaakt, inderdaad, De Standaard, want beide geslachten komen gelijk aan hun trekken. Maar zo komt het dat de advertentie voor een actie van Liefmans die mijn echtgenote uit de dikke weekendkrant had geknipt en voor mijn neus heen en weer wapperde terwijl ik in de schaduw net aan het genieten was van het schitterende About a boy van Nick Hornby, me volslagen onbekend voorkwam.

Het was in feite een advertentie voor een facebook-actie voor een gratis Liefmans rocks of zo van de kriekbierbrouwer. Ik haat commerciële facebook-acties. Als je eraan deelneemt, maak je je gewoonlijk onbeschrijfelijk belachelijk vind ik, want dan verschijnt er van alles op je startpagina waarmee je je helemaal niet wil vereenzelvigen.  Ik kan het af en toe niet laten mijn goede vrienden die zich voor zo’n fb-gat hebben laten vangen, virtueel uit te lachen.

Ik leg dat mijn vrouw uit, maar ik wist al op voorhand dat ik hier het onderspit zou delven. Zij zit namelijk niet op facebook (waarvoor ik me dikwijls gelukkig prijs). En ik schrijf dit toch hoewel ik nu al weet dat minstens één van mijn goede fb-vriendinnen haar wel prompt zal melden dat ik weer over haar geblogd heb. Mijn blogs bij mijn vrienden, collega’s en fans kunnen aankondigen, en pas met vertraging bij mijn vrouw, dat is nu eens een voordeel dat facebook mij biedt.

De krantenadvertentie voor een gratis Liefmans vraagt te surfen naar een website en die dan op facebook te liken. Wedden dat dan al mijn vrienden op fb zich een kriek zullen lachen omdat ik me door Liefmans heb laten vangen, probeer ik nog. Moest het nu nog Orval, Omer of Duvel zijn! Maar nee dus. Sinds gisteren prijkt Liefmans on the rocks tot tweemaal toe op mijn startpagina als iets dat ik leuk vind.

Vrienden, niet geloven dus!!!

Om een gratis Liefmans-drankje te krijgen moet je je dan nog naar een drankgelegenheid begeven waar ze Liefmans schenken (en vermits ik geen kriekliefhebber ben, weet ik er zo direct geen), en moet je een codezin tegen de barman roepen, want in een café hoort een barman je anders zelden. En hoe denk je dat die codezin luidt? Rood rocks.

Rood rocks! Kan je je dat voorstellen! En kan je je inbeelden dat ik, die door het leven ga als een blauwe woordvoerder, in het café moet beginnen roepen hoe leuk ik de roden vind om aan een drankje te geraken dat ik eigenlijk van in het begin nooit heb gewild? No way dus. Bovendien wil ik niet ontslagen worden, vandaar deze blog om me alvast bij mijn bazen en hun spionnen op facebook te verontschuldigen voor alle rood rocks-meldingen die nog op mijn startpagina zouden kunnen opduiken.

Maar bij nader toezien, wat een oenen zijn dat toch bij Liefmans? Wie haalt het nu in zijn hoofd om zo politiek kleur te bekennen?  En dan nog tijdens Pukkelpop, waar niet enkel een overdosis hete zon het publiek martelde, maar ook een hoop roden, aangevoerd door Chokri, Lieten en Hilde Claes, die van alle beschikbare schermen in koele huiskamers misbruik maken om te doen alsof ze cool zijn door in die hitte op een wei in Hasselt rond te struinen.

Tenslotte, het verbaast me met de dag minder en minder dat facebook het op de beurs zo slecht doet.

16:20 Gepost door peter in literatuur, media, Muziek, Vrije tijd | Permalink | Commentaren (0) | Tags: liefmans, pukkelpop, facebook |  Facebook | | |

03-07-12

De vernielde hoop van Timboektoe

Wat is er niet allemaal slechter en lelijker geworden sedert 1999! Neem nu Timboektoe.

Deze mythische woestijnstad in Mali is vandaag het slachtoffer van de islamistische groepering Ansar Dine. Met militaire precisie vernielen deze fundamentalistische moslims het karakteristieke culturele erfgoed van Timboektoe. Ansar Dine beweert dat de islamitische wetgeving bepaalt dat graven niet langer mogen zijn dan vijftien centimeter, leer ik uit De Tijd. Daarom maakt Ansar Dine unieke graven en mausolea wat beter met de grond gelijk. Timboektoe is (zoals Brugge) Unesco-werelderfgoed, sedert 1988. En omdat de burgeroorlog die sedert enkele maanden in Mali woedt de behartigers van werelderfgoed zorgen baarde, erkende de Unesco Timboektoe vorige week nog als “bedreigd werelderfgoed”. Het maakte blijkbaar weinig indruk. Of de actie van Unesco zorgde net voor wat meer ijver bij de afbraakwerkers.

Toppunt is dat Timboektoe, vermoedelijk in de 12de eeuw gesticht door de Toearegs, niet enkel een historisch handelsknooppunt en pleisterplaats was voor woestijnkaravanen, maar ook het centrum voor de verspreiding van de islam in Afrika. De stad met zijn typische lemen constructies telt prachtige moskeeën uit de vijftiende en zestiende eeuw en bracht in de zestiende en zeventiende eeuw toonaangevende islamitische geleerden voort.

Wat heeft dit dan te maken met 1999?

In de jaren negentig was het Afrikaanse Mali een baken van hoop in Afrika. Het land was onder de leiding van president Alpha Oumar Konare de motor van een coalitie van zestien West-Afrikaanse landen die ijverden voor ontwapening – de regio was toen vergeven van naar schatting 15 miljoen “kleine wapens” zoals men kalasjnivkovs of FAL-geweren omschrijft. Uit mijn militaire dienst weet ik nog dat je met zo’n Belgische FAL van FN op 200 meter iemands arm los van zijn lijf knalt. Konare sloot een vredesakkoord met opstandige Toearegs in het noorden van Mali, hij stelde een gedragscode in tussen leger en civiele maatschappij in Mali en hij voerde actieve diplomatieke strijd tegen het ronselen van kindsoldaten.

Bij het vredesakkoord met de Toearegs in ’95 werden in Timboektoe in plaats van mausolea en moskeeën nog drieduizend lichte wapens feestelijk in de as gelegd. Dit vreugdevuur werd jarenlang herdacht. Maar vooral met het “Mali-moratorium” sprak Konare tot de verbeelding. Tot in België. Daar was op dat moment een zekere Réginald Moreels als staatssecretaris bevoegd voor Ontwikkelingssamenwerking. Deze merkwaardige man die ik hoogacht, is niet in één zin te portretteren. Laat me volstaan te melden dat de voormalige Arts zonder Grenzen, bezield was van pacifisme, van ontwapening voor ontwikkeling, zoals Konare, die er als president op stond de Belgische staatssecretaris lange tijd in audiëntie te ontvangen.

Voor een blitzbezoek in het kader van dit “Mali-moratorium” trok Moreels einde maart 1999 naar Timboektoe. Met mij als buitenland-journalist van De Standaard in zijn zog. Zoals tientallen ministers en ambassadeurs plantte Moreels in Timboektoe een vredesboom in wat een vredesbos moest worden. Wat zou er nog van overschieten?

Zoals het een westerse messias betaamt, had Moreels een cheque mee van omgerekend een half miljoen euro. Voor projecten die in de praktijk van ontwapening naar ontwikkeling moesten leiden. Welke resultaten zouden die projecten opgeleverd hebben?

De tegenkrachten oorlog en vernieling blijken deze dagen alleszins weer sterker. De hoop op een betere wereld die op het eind van vorige eeuw hoog opflakkerde in La Flamme de la Paix in Timboektoe en bloeide in het vredesbos in de woestijn is gevlucht voor puinhopen, barbarij en kogels van FN-geweren.